Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1294

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201010898/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2010 heeft het college met toepassing van de artikelen 8.22 en 8.23 van de Wet milieubeheer alle aan de bij besluit van 9 augustus 1996 verleende vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een plantenextracten- en aromacompoundsfabriek aan de [locatie] te [plaats], verbonden voorschriften ingetrokken en daarvoor nieuwe voorschriften in de plaats gesteld. Dit besluit is op 29 september 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010898/2/M1.

Datum uitspraak: 11 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2010 heeft het college met toepassing van de artikelen 8.22 en 8.23 van de Wet milieubeheer alle aan de bij besluit van 9 augustus 1996 verleende vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een plantenextracten- en aromacompoundsfabriek aan de [locatie] te [plaats], verbonden voorschriften ingetrokken en daarvoor nieuwe voorschriften in de plaats gesteld. Dit besluit is op 29 september 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2010, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2010, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De gronden van het beroep en het verzoek zijn aangevuld bij brief van 15 december 2010.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 januari 2011, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door ing. J. Geleijns, drs. ing. C.B.E. van Geffen en ing. E.H. van Wassenaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.L. van den Puttelaar, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij besluit van 9 augustus 1996 heeft het college, voor zover hier van belang, aan [verzoekster] vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting aan de [locatie] te [plaats].

Binnen de inrichting wordt een wisselende collectie van circa 1.000 verschillende producten geproduceerd, bestaande uit (medicinale) plantenextracten en voedingsmiddelenadditieven (aroma’s en extracten). De productieprocessen bestaan voornamelijk uit het mengen (al dan niet verwarmd), extraheren en afvullen van producten. Tevens bevindt zich binnen de inrichting een laboratorium voor controle-, ontwikkelings- en testdoeleinden.

Bij het bestreden besluit heeft het college met toepassing van de artikelen 8.22 en 8.23 van de Wet milieubeheer alle aan de vergunning van 9 augustus 1996 verbonden voorschriften ingetrokken en daarvoor nieuwe voorschriften in de plaats gesteld.

2.3. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat het per direct moeten naleven van de nieuwe voorschriften onevenredig bezwarend is. In dit verband wijst zij erop dat het feitelijk onmogelijk is om de voorgeschreven maatregelen per direct in te voeren, deze maatregelen veelal onomkeerbaar zijn en dat het uitvoeren hiervan enorme financiële gevolgen met zich brengt. Dit klemt volgens [verzoekster] te meer omdat uit de door haar overgelegde stukken, waaronder de op 10 november 2010 opgestelde notitie brandveiligheid, kenmerk V058486aaD7.evw, en de op 15 december 2010 opgestelde kwantitatieve risicoanalyse, kenmerk R058486aaA6.cvg, volgt dat een groot deel van de voorschreven maatregelen niet noodzakelijk is voor de bescherming van het milieu.

2.4. Het college heeft zich ter zitting uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud op het standpunt gesteld dat het, overeenkomstig het eigen ter zake gevoerde beleid, niet tot handhaving van de onderhavige vergunning over zal gaan totdat door de Afdeling op het door [verzoekster] op 10 november 2010 ingediende beroep is beslist.

2.5. Onder deze omstandigheden heeft [verzoekster] geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2011

195-489.