Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1291

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201011927/1/H3 en 201011927/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 9 juli 2009 heeft het college [appellante] op straffe van een dwangsom gelast om binnen vier maanden de beschikbaarheid van de woonruimten, gelegen aan de [locatie 1 en locatie 2] te Amsterdam (hierna: de woonruimten), te melden en huishoudens voor deze woonruimten voor te dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011927/1/H3 en 201011927/2/H3.

Datum uitspraak: 10 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 2 november 2010 in de zaken nrs. 10/6015 en 10/6019 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 9 juli 2009 heeft het college [appellante] op straffe van een dwangsom gelast om binnen vier maanden de beschikbaarheid van de woonruimten, gelegen aan de [locatie 1 en locatie 2] te Amsterdam (hierna: de woonruimten), te melden en huishoudens voor deze woonruimten voor te dragen.

Bij afzonderlijke besluiten van 20 november 2009 heeft het de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren onder aanpassing van de begunstigingstermijn ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2010, verzonden op 4 november 2010, heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2010, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 december 2010.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 december 2010, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.H.J. van Riessen, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.H. van der Hijden, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 5 van de Huisvestingswet, voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend.

Ingevolge artikel 2.1.1, aanhef en onder a, van de Partiële Regionale Huisvestingsverordening 2007 voor het grondgebied van de gemeente Amsterdam (hierna: de Huisvestingsverordening) worden alle huurwoningen, gelegen in de gemeente Amsterdam, met een huurprijs tot de aftoppingsgrens, gesteld in artikel 20, tweede lid, onder b, van de Wet op de huurtoeslag, als woonruimten, als bedoeld in artikel 5 van de Huisvestingswet aangewezen.

Ingevolge artikel 2.7.1, eerste lid, is de eigenaar van een woonruimte, aangewezen in artikel 2.1.1, onder a, niet zijnde een aan een Convenant Woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam deelnemende eigenaar, verplicht het beschikbaar komen van die woonruimte binnen vijf werkdagen aan het college te melden.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder e, wordt een woonruimte geacht beschikbaar te zijn gekomen, wanneer die woonruimte niet langer wordt bewoond door de laatste bewoner die de woonruimte als hoofdverblijf in gebruik had overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens de Huisvestingswet.

Ingevolge artikel 2.7.2, tweede lid, draagt de eigenaar in ieder geval binnen 4 weken na beschikbaar komen van de woonruimte een huishouden voor.

2.3. Het college heeft aan de aan [appellante] opgelegde lasten ten grondslag gelegd dat de woonruimten niet beschikbaar zijn gemeld en geen passende huishoudens zijn voorgedragen, [appellante] daarmee in strijd met artikel 2.7.1, eerste lid en artikel 2.7.2, tweede lid, van de Huisvestingsverordening heeft gehandeld en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven af te zien van handhavend optreden. Er bestaat geen zicht op legalisatie. Voorts is rekening gehouden met het belang van [appellante] om de woonruimten te renoveren. Zij is in de gelegenheid gesteld renovatie uit te voeren, teneinde de woonruimten weer beschikbaar te maken, aldus het college.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. Zij is voornemens de woonruimte aan de [locatie 1] zelf te bewonen. Verder behoort de woonruimte aan de [locatie 2] niet tot de distributie sector, omdat aan deze woonruimte meer dan 121 punten toekomt en deze hiermee een hogere huurprijs heeft dan de aftoppingsgrens.

De rechtbank heeft volgens haar voorts miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de slechte staat waarin de woonruimten verkeren geen bijzondere omstandigheid oplevert die het aanleiding had moeten geven om van handhavend optreden af te zien. De woningen zijn onbewoonbaar, zodat zij niet aan de door het college opgelegde lasten kan voldoen.

2.4.1. De rechtbank heeft het college terecht bevoegd geacht om handhavend op te treden, nu [appellante] de woonruimten in strijd met artikel 2.7.1, eerste lid en artikel 2.7.2, tweede lid, van de Huisvestingsverordening niet beschikbaar heeft gemeld en geen passende huishoudens voor die woonruimten heeft voorgedragen. De enkele niet nader toegelichte stellingen van [appellante] dat zij voornemens is de woonruimte aan de [locatie 1] zelf te bewonen en de woonruimte aan de [locatie 2] geen woonruimte is, als bedoeld in artikel 2.1.1, aanhef en onder a, van de Huisvestingsverordening, zijn onvoldoende voor een ander oordeel.

2.4.2. [appellante] heeft de stelling dat de desbetreffende woonruimten zodanige gebreken vertonen, dat deze niet bewoonbaar zijn, gestaafd met een rapport van Alphaplan bv van 2 april 2007, een rapport van ir. drs. F.H. van Rijssen, raadgevend adviseur, van 12 november 2009 en een rapport van het Centrum voor Onderzoek en Technisch advies bv van 4 mei 2010. Volgens deze rapporten vertonen de woonruimten ernstige gebreken, waaronder ernstige lekkage en schimmelvorming, gebreken aan de vloerconstructie en gebreken aan de elektriciteitsinstallatie. Het college heeft dat niet gemotiveerd weersproken.

[appellante] heeft aldus aannemelijk gemaakt dat de woonruimten in zo slechte staat verkeren, dat zij het in verband daarmee niet in haar macht heeft om aan de haar opgelegde lasten te voldoen. Het college had hierin aanleiding moeten zien om van het opleggen ervan af te zien. Dat deze rapporten, naar gesteld, in het kader van een civiele procedure zijn opgesteld, teneinde de aansprakelijkheid voor de gebrekkige renovatie vast te stellen, betekent, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet dat daaraan in deze procedure geen betekenis toekomt. De rechtbank heeft bij haar oordeel dat de slechte staat van de woonruimten geen bijzondere omstandigheid oplevert die het college aanleiding had moeten geven af te zien van handhavend optreden, ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan een lijst van gebreken die de inspecteur van de buitendienst van de gemeente op 26 maart 2009 heeft geconstateerd. Deze lijst is opgenomen in een ongedateerde brief van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum, waarbij een verzoek van [appellante] om tijdelijke onbewoonbaarverklaring van de woonruimten is afgewezen. Een onderliggend rapport van deze gebreken bevindt zich evenwel niet onder de gedingstukken. Aan een rapport van de inspecteur van de buitendienst van 22 juni 2009 komt evenmin doorslaggevende betekenis toe. Uit dat rapport volgt niet dat de inspecteur van de buitendienst de woonruimten op bewoonbaarheid heeft beoordeeld.

Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzitter de beroepen tegen de besluiten van 20 november 2009 van het college gegrond verklaren. Die besluiten komen voor vernietiging in aanmerking. De voorzitter zal voorts de besluiten van 9 juli 2009 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

2.6. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2010 in de zaken nrs. 10/6015 en 10/6019;

III. verklaart de bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 20 november 2009, kenmerken 09/0399/Dwangs BB 97713 en 09/0400/Dwangs BB 97714;

V. herroept de besluiten van 9 juli 2009, kenmerken 1015 DH/40-1 en 1015 DH/40-2;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

VII. wijst het verzoek af;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep, het hoger beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.772,38 (zegge: zeventienhonderdtweeënzeventig euro en achtendertig cent), waarvan € 1.748,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; een bedrag van € 874,00 dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) te worden betaald onder vermelding van het zaaknummer;

X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 598,00 (zegge: vijfhonderdachtennegentig euro) voor de behandeling van het beroep, het hoger beroep en het verzoek vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Grimbergen

voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2011

581