Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1290

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201004162/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de verhuur, opslag dan wel stalling, onderhoud en reparatie van aannemersmaterialen en materiaal ten behoeve van de grond-, weg- en waterbouwsector op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Het besluit is op 17 maart 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004162/1/M1

Datum uitspraak: 10 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Elburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de verhuur, opslag dan wel stalling, onderhoud en reparatie van aannemersmaterialen en materiaal ten behoeve van de grond-, weg- en waterbouwsector op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Het besluit is op 17 maart 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. A. Vinkenborg, en het college, vertegenwoordigd door P.M.L. Pfaff en J.H. Alta, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door G.J. Veluwenkamp en P. Mos, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (hierna: BBT) worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2. [appellant] heeft ter zitting de beroepsgronden met betrekking tot de cijfers van de hoeveelheid afvalstoffen, het inzicht in de bestaande toestand van het milieu, het ontbreken van een milieuzorgsysteem, het rekening houden met het milieubeleidplan, artikel 10.14 van de Wet milieubeheer, de richtwaarden, afvalbeheer en -verwerking en indirecte hinder ingetrokken.

2.3. [appellant] vraagt zich in het beroepschrift af of er een vergunning is voor het onttrekken van grondwater.

2.3.1. Het college betoogt dat volgens informatie van het bevoegde bestuursorgaan, het Waterschap Veluwe, de met ingang van 22 december 2009 in werking getreden Waterwet niet op [vergunninghoudster] van toepassing is.

2.3.2. De vraag of een vergunning ingevolge de Waterwet is vereist, is van belang voor de mogelijke toepassing van de in de Wet milieubeheer opgenomen coördinatiebepalingen. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet worden gezegd dat het college zich daarbij ten onrechte op het standpunt van het Waterschap Veluwe heeft gebaseerd. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant], die woonachtig is op het perceel [locatie 2], betoogt dat de onderzoeken met betrekking tot het geluid- en de trillinghinder onzorgvuldig zijn geweest. Volgens [appellant] treden met name 's nachts bij zijn woning hoge geluidniveaus op. Of een geluidwand voldoende zal zijn om de geluidniveaus zodanig te beperken dat aan de grenswaarden wordt voldaan, is zijns inziens niet zeker.

2.4.1. Het college heeft zich voor de beoordeling van de geluidbelasting gebaseerd op het rapport nr. 6061152 van 28 juli 2006 (hierna: geluidrapport) en de notitie nr. 6061152.N01 van 15 januari 2007 (hierna: notitie) van WNP raadgevende ingenieurs en het Meetverslag geluidmeting [vergunninghoudster] Materieel in 't Harde, gemeente Elburg van 23 juli 2008 (hierna: meetverslag). In de rapportages zijn het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting inzichtelijk gemaakt.

Het college heeft zich bij het vaststellen van de geluidvoorschriften gebaseerd op de Handreiking (lees: Handleiding) meten en rekenen industrielawaai van de minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uit 1999 (hierna: de Handleiding) alsmede de gemeentelijke nota "Nota geluid en vergunningverlening gemeente Elburg". In dat kader is ook het uitgangspunt gehanteerd dat niet meer geluidruimte wordt vergund dan nodig is. De geluidgrenswaarden zijn in de nieuwe vergunning aangescherpt ten opzichte van de bestaande vergunningen van 21 april 1992 en 31 augustus 1999.

2.4.2. In voorschrift 57 is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, op het beoordelingspunt 1 ([locatie 2]) niet meer mag bedragen dan 44, 43 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond en nachtperiode.

In voorschrift 58 is bepaald dat het maximale geluidniveau Lamax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, op het beoordelingspunt 1 ([locatie 2]) niet meer mag bedragen dan 64, 55 en 55 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond-, en nachtperiode.

In voorschrift 58a is bepaald dat de maximale geluidsniveaus Lamax als bedoeld in voorschrift 58 niet van toepassing zijn op het laden en lossen, voor zover dit plaatsvindt in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur.

2.4.3. In hetgeen [appellant] betoogt, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de genoemde akoestische rapportages op onjuiste uitgangspunten berusten dan wel anderszins niet geschikt zijn om bij de beoordeling van het aspect geluid te betrekken.

Wat betreft de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT, stelt de Afdeling vast dat de grenswaarden voor de avond- en nachtperiode hoger zijn dan de in beginsel door het college gehanteerde richtwaarden, maar de door het college gehanteerde maximale waarden niet overschrijden. Voorts zijn de grenswaarden voor het maximale geluidniveau Lamax in de dag-, avond- en nachtperiode hoger dan de richtwaarden, maar lager dan de door het college maximaal aanvaardbaar geachte waarden. Zowel voor de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als voor de grenswaarden maximale geluidniveau geldt dat deze strenger zijn dan de grenswaarden van de onderliggende vergunningen. Derhalve kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden geoordeeld, dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde geluidgrenswaarden aanvaardbaar zijn.

Ten aanzien van de vraag of aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan, overweegt de Afdeling het volgende. In de notitie zijn maatregelen onderzocht om de geluidbelasting te reduceren, hetgeen tot een in de aanvraag opgenomen geluidwerende voorziening heeft geleid. Verder zijn in de notitie andere mogelijkheden tot beperking van de geluidbelasting aangegeven, zoals het beperken van werkzaamheden in de avond- en nachtperiode. In hetgeen [appellant] betoogt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college er ten onrechte van is uitgegaan, dat de gestelde grenswaarden naleefbaar zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat onvoldoende maatregelen zijn getroffen om visuele hinder te voorkomen.

2.5.1. Volgens het college moet het aspect visuele hinder primair bij de aanvraag om een bouwvergunning van de geluidswerende voorziening worden getoetst. Het bezwaar tegen de verlening van de bouwvergunning is op 17 november 2009 ongegrond verklaard.

2.5.2. De beroepsgrond heeft betrekking op, zoals ter zitting is gebleken, de in de aanvraag vermelde geluidwerende voorziening in de vorm van zeecontainers. De zeecontainers zijn op vier meter van de erfgrens in de lengterichting achter elkaar geplaatst. Aan de zijde van de erfgrens bevindt zich een damwand langs de zeecontainers.

De vraag of zich visuele hinder voordoet, komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. In dat kader zijn rechtsmiddelen aangewend tegen de verlening van de bouwvergunning. Daarnaast blijft in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangevraagde geluidwerende voorziening geen zodanige visuele hinder tot gevolg heeft, dat dit zou moeten leiden tot het stellen van nadere voorschriften. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Volgens [appellant] zijn de voorschriften van de vergunning niet zodanig duidelijk dat om handhaving kan worden verzocht.

2.6.1. [appellant] heeft niet gespecificeerd welke voorschriften zijns inziens onduidelijk zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2011

191-379.