Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0563

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201005409/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2010 heeft het college een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege het industrieterrein Bavaria, vastgesteld voor onder meer de woning van [appellant] op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 10 mei 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 53
Wet geluidhinder 55
Wet geluidhinder 110a
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3790
JOM 2011/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005409/1/M2.

Datum uitspraak: 12 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2010 heeft het college een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege het industrieterrein Bavaria, vastgesteld voor onder meer de woning van [appellant] op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 10 mei 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. M. van Hoorne, en het college, vertegenwoordigd door J.P.G. van den Eijnde en ir. G.H.L.J. Gijsbers, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij Koninklijk Besluit van 27 mei 1992 is krachtens de Wet geluidhinder rondom het industrieterrein Bavaria een zone vastgesteld waarbuiten de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein niet meer mag bedragen dan een etmaalwaarde van 50 dB(A). Teneinde uitbreiding van Bavaria N.V. op het industrieterrein mogelijk te maken, heeft het college het ontwerpbestemmingsplan "Geluidszone Bavaria" opgesteld, dat voorziet in de wijziging van de zone rondom het industrieterrein. De grenzen van het industrieterrein zelf worden niet gewijzigd. Ten gevolge van deze wijziging komt, voor zover hier van belang, de woning van [appellant] binnen de zone te liggen. Omdat de geluidsbelasting van de gevel van de woning van [appellant] meer dan de ingevolge artikel 53 van de Wet geluidhinder geldende voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) zal bedragen, heeft het college bij het bestreden besluit voor de woning van [appellant] een hogere geluidsgrenswaarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vastgesteld. De bij het bestreden besluit vastgestelde hogere waarde voor de woning van [appellant] bedraagt 55 dB(A).

2.2. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte een hogere waarde voor zijn woning heeft vastgesteld. Hij voert aan dat het college onvoldoende heeft onderzocht en onderbouwd of toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.2.1. Ingevolge artikel 53 van de Wet geluidhinder mag de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein buiten een bestaande zone de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan.

Ingevolge artikel 55, vierde lid, voor zover hier van belang, kan, bij wijziging van een bestaande zone, bij vaststelling van een bestemmingsplan voor gronden die krachtens die vaststelling deel gaan uitmaken van de bestaande zone in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen met betrekking tot aanwezige woningen in dat gebied, een hogere waarde dan 50 dB(A) worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 110a, eerste lid, zijn burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Ingevolge artikel 110a, vijfde lid, voor zover hier van belang, kan het college slechts toepassing geven aan de in het eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein van de gevel van de betrokken woning tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.2.2. In het bestreden besluit is voor de woning van [appellant] een hogere waarde vastgesteld van 55 dB(A). Uit een door Cauberg Huygen B.V. opgesteld akoestisch rapport van 18 september 2008 - dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt - blijkt echter dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant] vanwege het industrieterrein geen 55 maar 51 dB(A) bedraagt. Het college heeft niet onderbouwd waarom aldus een hogere waarde voor de woning is vastgesteld dan nodig is. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk gemotiveerd.

De beroepsgrond slaagt.

2.2.3. Wat het toepassen van geluidsreducerende maatregelen betreft, heeft het college gesteld dat bronmaatregelen zijn getroffen aan de waterzuiveringsinstallatie van Bavaria N.V. om de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant] terug te brengen. Het college heeft voorts gesteld dat overdrachtsmaatregelen zouden moeten worden getroffen om de geluidsbelasting verder terug te brengen, maar dat de overdrachtsmaatregelen die in dit geval mogelijk zijn - het plaatsen van een geluidsscherm van 500 meter lang en 4 meter hoog tussen de rijroute van het vrachtverkeer en de waterzuiveringsinstallatie, het plaatsen van een geluidsscherm van 300 meter lang en 6,5 meter hoog langs de terreingrens ten zuidoosten van de waterzuiveringsinstallatie, of het plaatsen van een geluidswal van 100 meter lang en 7,5 meter hoog dichtbij de woning van [appellant] - gelet op de hoge kosten en het beperkte geluidsreducerende effect van 1 dB op één woning, niet doelmatig zijn. Ook brengen de voornoemde overdrachtsmaatregelen volgens het college stedenbouwkundige bezwaren met zich.

2.2.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voldoende onderzocht en gemotiveerd of toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein van de gevel van de woning van [appellant] tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Het college heeft zich aldus op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is voor toepassing van nadere maatregelen.

De conclusie is dan ook dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het college geen hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege het industrieterrein Bavaria voor de woning van [appellant] heeft kunnen vaststellen.

De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant] stelt dat de in het bestreden besluit vastgestelde hogere waarde zal leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat en tot waardevermindering van zijn woning.

Het college dient de vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting aan de ter zake relevante bepalingen van de Wet geluidhinder te toetsen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door [appellant] genoemde belangen niet bij die toetsing konden worden betrokken.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep van [appellant] is, gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.2.2, gegrond. Het bestreden besluit van 3 mei 2010 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij voor de woning van [appellant] een hogere waarde is vastgesteld van 55 dB(A). De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek van 3 mei 2010, voor zover daarbij voor de woning [locatie] een hogere grenswaarde is vastgesteld van 55 dB(A);

III. bepaalt dat een hogere grenswaarde wordt vastgesteld van maximaal 51 dB(A) op de gevels van de woning [locatie] te [plaats];

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2010

407-584.