Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0562

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201003580/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een appartementengebouw met 28 appartementen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/115
JOM 2011/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003580/1/H1.

Datum uitspraak: 12 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 maart 2010 in zaak nr. 09/2541 en 09/3133 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Teylingen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een appartementengebouw met 28 appartementen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college het besluit van 3 februari 2009 gewijzigd voor zover het betreft de openbare ruimte behorende bij het bouwplan, overeenkomstig de bijbehorende bouwtekening.

Bij uitspraak van 3 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 februari 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 14 april 2010 en 10 mei 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2010, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Koomen, O. Persoon en R. van der Geest, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door ir. M. Goesten en R. van Beijeren.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oost" op het perceel rustende bestemming "Bedrijfsdoeleinden BIII". Teneinde bouwvergunning te verlenen, heeft het college toepassing gegeven aan de bevoegdheid vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht met betrekking tot de door hem gevolgde procedure in het kader van de bouwaanvraag door een onjuiste rechtsmiddelenclausule in het besluit van 3 februari 2009 op te nemen en zijn bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift aan de rechtbank door te sturen. De rechtbank heeft volgens [appellant] voorts miskend dat het college onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht met betrekking tot de door hem gevolgde procedure in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan "Oost" door bij de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp niet duidelijk aan te geven welke wijken van de gemeente binnen het desbetreffende plangebied vallen en deze terinzagelegging voorts in een vakantieperiode te laten plaatsvinden.

2.3.1. Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

Ingevolge artikel 6:13, voor zover hier van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Ingevolge artikel 6:15, eerste lid, wordt het bezwaar- of beroepschrift indien het wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

Ingevolge het tweede lid, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op de administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.

2.3.2. De vrijstelling en de bouwvergunning zijn voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb. [appellant] heeft een zienswijze ingediend over het ontwerp van het besluit tot het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning. Om die reden stond voor [appellant] rechtstreeks beroep open bij de rechtbank tegen het besluit van 3 februari 2009. Het college was, gelet op het bepaalde in artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Awb, verplicht het door [appellant] ingediende bezwaarschrift aan de rechtbank door te zenden ter behandeling als beroepschrift. Het is niet gebleken dat [appellant] in zijn belangen is geschaad doordat het college in het besluit van 3 februari 2009 een onjuiste rechtsmiddelenclausule heeft opgenomen en de beroepschriften abusievelijk eerst als bezwaarschriften heeft aangemerkt. De totstandkoming van het bestemmingsplan "Oost" en de inhoud daarvan liggen thans niet ter beoordeling voor. Hetgeen [appellant] daaromtrent naar voren heeft gebracht doet, wat daar verder van zij, dan ook niet ter zake.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank heeft volgens hem in dat kader niet onderkend dat het bouwplan, gelet op de grootschaligheid van het appartementengebouw dat een bruto vloeroppervlak van 2568,74 m² en hoogte van 12 meter heeft, een ingrijpende inbreuk maakt op hetgeen het bestemmingsplan toelaat.

2.4.1. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat sprake is van een ingrijpende inbreuk op het bestemmingsplan. Hierbij is van betekenis dat ingevolge het bestemmingsplan voor het perceel, gelet op de daarop rustende bestemming "Bedrijfsdoeleinden BIII", geen beperking met betrekking tot het bruto vloeroppervlak geldt. Daarbij voorziet het bestemmingsplan in artikel 28, zevende lid, van de planvoorschriften, gelet op de ligging van het perceel binnen het op de plankaart aangegeven gebied "Wijzigingsbevoegdheid VII", in een bevoegdheid van het college om de op het perceel rustende bestemming "Bedrijfsdoeleinden BIII" te wijzigen naar onder andere "Woondoeleinden" met inachtneming van een maximaal bruto vloeroppervlak van 2550 m² en een hoogte van het gebouw van 12 meter, met uitzondering van 36% van de oppervlakte van het gebouw, waarvoor geldt dat de hoogte daarvan niet meer mag bedragen dan 9 meter. Anders dan [appellant] betoogt, zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechtbank met het college de ruimtelijke uitstraling van de omvang van het voorziene gebouw niet juist heeft beoordeeld. Voor zover op de bij het besluit van 3 februari 2009 vergunde bouwtekeningen de openbare ruimte niet juist is ingetekend, zoals [appellant] in dat kader aanvoert, is dit bij het besluit van 16 juni 2009 gecorrigeerd.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college toereikend heeft gemotiveerd dat door het bouwplan de parkeerdruk ter plaatse niet in relevante mate zal toenemen en de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 3 februari 2009 ten onrechte in stand heeft gelaten. Daartoe voert [appellant] aan dat de door het college ter zitting bij de rechtbank overgelegde uitkomsten van het praktijkonderzoek, dat op 17 januari 2010 heeft plaatsgevonden, niet juist zijn en dit praktijkonderzoek onzorgvuldig is geweest.

2.5.1. Niet in geschil is dat de uit het bouwplan voortvloeiende parkeerbehoefte 42 parkeerplaatsen bedraagt en dat het bouwplan voorziet in 30 parkeerplaatsen. Voorts blijkt uit de ter zitting bij de rechtbank overgelegde bevindingen van het door het college uitgevoerde praktijkonderzoek dat 39 van de 174 zich op loopafstand van het voorziene appartementengebouw bevindende beschikbare parkeerplaatsen onbenut waren. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college deze parkeerplaatsen, die zich op een afstand van maximaal 180 meter tot het voorziene appartementengebouw bevinden, niet bij de beoordeling van de vraag of het bouwplan, gelet op de parkeersituatie in de omgeving, in voldoende parkeermogelijkheden voorziet, mee had mogen nemen.

De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college in beroep ontoereikend heeft gemotiveerd dat het bouwplan geen onaanvaardbare parkeerdruk in de omgeving als gevolg zal hebben.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat als gevolg van realisering van de voorziene parkeerplaatsen de stoep om het voorziene appartementengebouw te smal zal zijn en ten onrechte is afgeweken van de normen die daaromtrent in de Aanbevelingen Stedelijke Verkeervoorzieningen 2004 (hierna: de ASVV 2004) zijn neergelegd. De rechtbank heeft volgens hem voorts miskend dat de voorziene parkeerplaatsen, gelet op de reeds bestaande parkeerplaatsen, verkeerstechnisch onaanvaardbaar zijn.

2.6.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak 8 juli 2009 in zaak nr. 200901398/1/H1) zijn de normen die in de ASVV 2004 zijn opgenomen aanbevelingen en is het college niet verplicht die te volgen, maar mag het college daar, als het die normen heeft toegepast als richtlijn, gemotiveerd van afwijken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college dat in dit geval toereikend heeft gedaan. De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de voorziene parkeerplaatsen, gelet op de bestaande parkeerplaatsen, verkeerstechnisch onaanvaardbaar zijn.

2.7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling kon verlenen en heeft miskend dat geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Daartoe voert [appellant] aan dat realisering van het bouwplan tot aanzienlijke aantasting van zijn privacy en de kwaliteit van het uitzicht vanuit zijn woning zal leiden, alsmede tot een toename van geluidsoverlast, schaduwwerking en een vermindering van zonlichttoetreding in zijn woning, alsmede een toename van windhinder in de omgeving.

2.7.1. Er bestaat, anders dan [appellant] betoogt, gelet op de aard van de omgeving en de ligging en hoogte van het bouwplan, geen grond voor het oordeel dat het college aanleiding had moeten zien voor een onderzoek naar windhinder als gevolg van het bouwplan. Niet aannemelijk is gemaakt dat het appartementengebouw in zodanige mate zal leiden tot windhinder in de omgeving, dat geoordeeld moet worden dat het college in redelijkheid geen vrijstelling kon verlenen. Voorts is, mede gelet op de ruime bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt met betrekking tot het vloeroppervlak, de bouwhoogte en de afstand tot de woning van [appellant], evenmin gebleken dat het appartementengebouw in zodanige mate zal leiden tot aantasting van de privacy en het uitzicht vanuit de woning van [appellant], dan wel tot schaduwwerking en vermindering van zonlichttoetreding in de woning van [appellant], dat geoordeeld moet worden dat het college in redelijkheid geen vrijstelling kon verlenen. Voorts is, mede gelet op de bedrijfsbestemming van het perceel, niet gebleken dat het appartementengebouw, zoals [appellant] betoogt, een zodanige toename van verkeersbewegingen en daardoor van geluidsoverlast met zich zal brengen dat het college hierin aanleiding had moeten zien de vrijstelling te weigeren. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand, zoals neergelegd in de Welstandsnota.

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

Het college heeft zijn standpunt omtrent de welstand gebaseerd op de positieve adviezen van de stichting Dorp, Stad en Land (hierna: welstandscommissie) van 18 september 2007 en 18 maart 2008.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de adviezen van de welstandscommissie niet zorgvuldig tot stand gekomen zijn, omdat de kleurstelling tijdens de behandeling van de aanvraag is aangepast en aan de welstandscommissie in tweede instantie een tekening met een andere kleurstelling is voorgelegd. Voorts zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de welstandscommissie het positieve advies van 18 maart 2008 niet op de juiste geveltekening met donkere kleurstelling heeft gebaseerd.

Er bestaat, gelet op het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich niet in redelijkheid op grond van de welstandsadviezen op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

2.9. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 4.7 van de bouwverordening en heeft miskend dat, naast vergunninghouder, ook het college verantwoordelijk is voor het voldoen aan deze bepaling, wordt overwogen dat deze bepaling geen voorschrift betreft dat bij de beoordeling van een bouwaanvraag in acht dient te worden genomen, doch betrekking heeft op plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat dit voorschrift in de onderhavige procedure een rol speelt.

De rechtbank heeft evenzeer terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het betoog van [appellant] dat bij de uitvoering van de bouwwerkzaamheden niet de afgesproken veiligheidsmaatregelen in acht zijn genomen en geen definitief bouwveiligheidsplan en bouwopstelplaatsenplan zijn overgelegd, in de onderhavige procedure een rol speelt, nu ook dit betoog niet de beoordeling van de bouwaanvraag, maar de plichten tijdens de bouw betreft.

Ook het, eerst in hoger beroep aangevoerde, betoog van [appellant] dat het college ten onrechte geen precario van [vergunninghoudster] heft, ziet niet op de beoordeling van de bouwaanvraag en speelt derhalve geen rol in de onderhavige procedure.

2.10. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte slechts tot een proceskostenveroordeling voor de reiskosten van een enkele reis is overgegaan. [appellant] komt voorts op tegen het oordeel van de rechtbank dat de opgevoerde verletkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het verzoek hiertoe niet nader is gespecificeerd.

2.10.1. Dit betoog slaagt. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank op grond van artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling ten bedrage van € 6,16 heeft uitgesproken, zijnde de reiskosten die [appellant] heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting van de rechtbank op 18 januari 2010. De rechtbank is daarbij overgegaan tot een kilometervergoeding. Er bestaat evenwel geen grond voor het oordeel dat reizen met het openbaar vervoer van de woning van [appellant] naar de rechtbank niet mogelijk was. De rechtbank is dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, ten onrechte overgegaan tot een kilometervergoeding, waarbij zij overigens, voor zover er van uitgegaan zou moeten worden dat een kilometervergoeding aan de orde was, eveneens ten onrechte slechts de vergoeding voor een enkele reis heeft berekend.

De rechtbank heeft voorts ten onrechte de verletkosten van [appellant] buiten beschouwing gelaten bij de proceskostenveroordeling. Vaststaat dat [appellant] in beroep om vergoeding van verletkosten heeft verzocht, maar dat hij deze niet heeft gespecificeerd. Het is niet juist dat, zoals [appellant] betoogt, de rechtbank hem om een specificatie had moeten verzoeken. Die verantwoordelijkheid ligt bij degene die om vergoeding van die kosten verzoekt. Dat hij de kosten in beroep niet heeft gespecificeerd brengt evenwel, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet met zich dat hij daarom in het geheel geen aanspraak op vergoeding van verletkosten kan maken. De rechtbank had, nu de verletkosten zijn aan te merken als redelijkerwijs gemaakte kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb en voorts niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan een proceskostenveroordeling met betrekking tot de verletkosten achterwege moest blijven, aanleiding moeten zien om de verletkosten op een forfaitair bedrag vast te stellen. De rechtbank heeft gelet hierop deze kosten bij de proceskostenveroordeling ten onrechte buiten beschouwing gelaten. In dit kader wordt nog overwogen dat [appellant] met de enkele stelling in hoger beroep dat zijn salaris per uur gelijk of hoger is dan het wettelijk maximum van € 53,09, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de hoogte van zijn verletkosten in hoger beroep niet heeft onderbouwd.

2.11. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak komt, voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenveroordeling, in aanmerking voor vernietiging. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, stelt de Afdeling, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de aan [appellant] te vergoeden reiskosten in beroep vast op een forfaitair bedrag van € 10,05 en de nog aan [appellant] te vergoeden verletkosten in beroep op een forfaitair bedrag van € 27,24, waardoor de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten die [appellant] in verband met de behandeling van het beroep heeft gemaakt uitkomen op € 37,29. De aangevallen uitspraak dient voor het overige bevestigd te worden.

2.12. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld die [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft gemaakt.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 maart 2010 in zaak nr. 09/2541, voor zover het college van burgemeester en wethouders van Teylingen daarbij is veroordeeld in de kosten die [appellant] in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, begroot op € 6,16;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Teylingen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 74,58 (zegge: vierenzeventig euro en achtenvijftig cent);

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Teylingen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011

163-580.