Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0554

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201004122/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juli 2009 heeft het college een projectbesluit genomen ten behoeve van de realisatie van een reclamemast op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Roermond, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4896
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004122/1/H1.

Datum uitspraak: 12 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats], (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 maart 2010 in zaken nrs. 09/1305, 09/1263 en 09/1260 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2009 heeft het college een projectbesluit genomen ten behoeve van de realisatie van een reclamemast op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Roermond, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor de realisatie van voornoemde reclamemast op het perceel.

Bij uitspraak van 17 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghoudster] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2010, waar [appellant A], bijgestaan door mr. R.Ph.E.M. Cratsborn, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Leduc,

mr. J. Dignum en R.A.W.W. Gerardts, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door H.J.J. van Hooff.

2. Overwegingen

2.1. De voorziene reclamemast is in strijd met de ingevolge het wijzigingsplan "Rijksweg 73 Zuid, Noordelijk deel, locatie Leygraaf" van het bestemmingsplan "Rijksweg 73 Zuid, noordelijk deel, wegvak F" op het perceel rustende bestemming "Agrarische doeleinden". Om niettemin realisering van het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) genomen.

2.2. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

Ingevolge het tweede lid bevat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project.

Ingevolge het vierde lid kan de gemeenteraad de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.3. Het college hanteert de vaste praktijk om bouwplannen voor reclamemasten, afhankelijk van de hoogte van de voorziene reclamemasten, te toetsen aan de door hem op 28 oktober 2008 vastgestelde nota "Nota Kleine Reclamemasten", dan wel de door hem op 26 juli 2005 vastgestelde nota "Nota Landmarks" (hierna: Nota Landmarks).

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de voorziene reclamemast in strijd is met de uitgangspunten van de Nota Kleine Reclamemasten. De rechtbank is volgens hem voorts onvoldoende ingegaan op zijn beroepsgrond dat de voorziene reclamemast ook in strijd is met de uitgangspunten van de Nota Landmarks.

2.4.1. In de Nota Kleine Reclamemasten is op bladzijde 2 vermeld:

"het doel van deze notitie is uitgangspunten aan te geven waarbinnen de realisatie van reclamemasten met een hoogte van 1000 cm tot en met 1500 cm (mast + reclameplaat) mogelijk wordt.". Voorts is op bladzijde 3 van de Nota Kleine Reclamemasten vermeld dat onder kleinere reclamemasten worden verstaan:

"- dragers met een hoogte van 1000 centimeter tot 1500 centimeter voor het plaatsen van reclame op bedrijventerreinen, stedelijke dienstenterreinen;

- masten die niet passen binnen de uitgangspunten van de Nota Landmarks vanwege de afmetingen;

- volgens de bouwregelgeving bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarvoor -gezien de maatvoering - bij plaatsing een bouwvergunning benodigd is".

In de Nota Landmarks is onder meer vermeld dat grote reclamemasten dragers zijn voor het maken van reclame gericht op wegen met een groot aantal weggebruikers en dat deze een minimale hoogte van 15 meter hebben en is op bladzijde 5 ervan vermeld:

"vanuit oogpunt van de landschappelijke waarde van het buitengebied is het gewenst de maximale hoogte te stellen op 30 meter (mast + reclameplaat)".

2.4.2. Het college heeft de onderhavige reclamemast aangemerkt als kleinere reclamemast als bedoeld in de Nota Kleine Reclamemasten, het bouwplan aan deze nota getoetst en geconcludeerd dat de voorziene reclamemast in overeenstemming is met die nota. Vast staat dat de totale hoogte van de voorziene reclamemast 16,5 meter bedraagt. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het uiteinde van de voorziene reclamemast een ondergeschikt vormgevend element betreft dat niet verlicht en nauwelijks zichtbaar is, en dat, voor de vraag of het om een kleinere reclamemast als bedoeld in de Nota Kleine Reclamemasten, dan wel een grote reclamemast als bedoeld in de Nota Landmarks gaat, de hoogte van de reclamemast dient te worden gemeten tot de drager, zijnde de bevestiging van het reclamepaneel, die in het onderhavige geval op 15 meter hoogte is gesitueerd.

De tekst van de Nota Kleine Reclamemasten en de Nota Landmarks biedt evenwel onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat bij de vraag aan welk beleid dient te worden getoetst, niet de totale hoogte van de reclamemast, maar slechts de hoogte tot de bevestiging van het reclamepaneel dient te worden gemeten. Dit volgt, anders dan het college meent, niet uit de omstandigheid dat de Nota Kleine Reclamemasten en de Nota Landmarks het begrip "drager" gebruiken. De in beide nota's gebruikte terminologie is op dit punt niet eenduidig, nu in die nota's zowel het begrip "reclamemast" als het begrip "drager" wordt gebruikt om de reclamemasten, waarop bedoelde nota's betrekking hebben, aan te duiden, en voorts in beide nota's met betrekking tot het begrip "reclamemast" is verwezen naar de omschrijving "mast + reclameplaat". Uit de tekst van de nota's kan dan ook niet worden afgeleid dat met het begrip "drager" niet de gehele reclamemast, maar slechts de reclamemast tot de bevestiging van de reclame is bedoeld.

Het college heeft, gelet op het voorgaande, onvoldoende gemotiveerd dat de voorziene reclamemast als kleinere reclamemast als bedoeld in de Nota Kleine Reclamemasten moet worden aangemerkt en aan het in die nota neergelegde beleid dient te worden getoetst. Voor zover de voorziene reclamemast als grote reclamemast als bedoeld in de Nota Landmarks dient te worden aangemerkt, is ter zitting niet komen vast te staan dat de voorziene reclamemast met het daarin neergelegde beleid in overeenstemming is. Het college heeft evenmin duidelijk gemaakt welk standpunt het met betrekking tot het bouwplan inneemt, indien de daarin voorziene reclamemast niet in overeenstemming is met de Nota Landmarks.

Het besluit van 21 juli 2009 is in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende gemotiveerd. Hieruit volgt dat het besluit van 28 juli 2009 eveneens onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot de door het college gemaakte belangenafweging geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en de besluiten van 21 juli 2009 en 28 juli 2009, wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen, nu deze ondeugdelijk zijn gemotiveerd.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 maart 2010 in zaken nrs. 09/1305, 09/1263 en 09/1260;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Roermond van 21 juli 2009 en 28 juli 2009, kenmerk (09.000005, 2009/UIT/06575);

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roermond tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Roermond aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011

163-580.