Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0547

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201006364/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Stadscentrum 2008" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4935
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006364/1/R1.

Datum uitspraak: 12 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], en anderen,

en

de raad van de gemeente Hoogeveen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Stadscentrum 2008" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 juli 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2010, waar [appellante] en anderen, bij monde van [gemachtigde], bijgestaan door mr. W.M. de Boer, advocaat te Assen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.D.V. Molenaar, drs. J. de Vries en ir. C. Hofstee, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actuele planologische regeling van het bestaand gebruik en maakt planologisch de vernieuwing mogelijk van de daartoe aangewezen delen van het stadshart van Hoogeveen.

2.2. Het beroep van [appellante] en anderen richt zich tegen de aanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied 3' bij het plandeel met de bestemming 'Verkeer-Parkeren' op het Beukemaplein, waarmee wordt voorzien in de mogelijkheid van woningbouw ter plaatse.

2.3. [appellante] en anderen voeren als procedureel punt aan dat het plan in strijd met artikel 3.8, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) al binnen zes weken na de vaststelling ter inzage is gelegd, terwijl het plan gewijzigd is vastgesteld. Voorts is volgens [appellante] en anderen niet gebleken dat het besluit via elektronische weg aan het college van gedeputeerde staten onderscheidenlijk de inspecteur is gezonden.

2.3.1. Dit betoog faalt. Deze mogelijke onregelmatigheid, wat daarvan ook zij, dateert van na het nemen van het bestreden besluit en kan om deze reden de rechtmatigheid van dit besluit niet aantasten. In zoverre bestaat dan ook geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. [appellante] en anderen voeren voorts aan dat de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid om op termijn woningbouw op het Beukemaplein te realiseren niet door voldoende objectieve normen is begrensd. Voorts betogen [appellante] en anderen dat een uitwerkingsplicht onvoorwaardelijk dient te worden geformuleerd en niet afhankelijk mag worden gesteld van een onzekere gebeurtenis.

2.4.1. Ingevolge artikel 39, lid 39.1, aanhef en onder b, en c, sub 3, van de regels behorende bij het bestemmingsplan, kan het college van burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, het plan wijzigen in die zin dat deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast binnen het gebied dat op de kaart is voorzien van de aanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied 2' en na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid voor de betreffende gronden de bepalingen van respectievelijk de artikelen 21, 25, 26, 28, 30, 31 en/of 33 van toepassing zijn, met dien verstande dat het plan voorziet in een (ondergrondse) parkeervoorziening van 500 parkeerplaatsen.

Ingevolge artikel 39, lid 39.2, aanhef en onder b, kan het college van burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, het plan wijzigen in die zin dat deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast binnen het gebied dat op de kaart is voorzien van de aanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied 3'.

Ingevolge artikel 39, lid 39.2, aanhef en onder c, zijn na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid voor de desbetreffende gronden de bepalingen van respectievelijk de artikelen 5, 21, 25, 26, 30 en/of 31 van toepassing, met dien verstande dat de volgende uitgangspunten gelden:

1. de grondgebonden woningen mogen in twee bouwlagen met kap worden gebouwd;

2. aansluiting wordt gezocht bij de bestaande bebouwingsstructuur;

3. de waterhuishouding mag niet worden verstoord;

4. deze wijzigingsbevoegdheid wordt niet eerder toegepast voordat de bestemming van het gebied dat op de kaart is voorzien van de aanduiding 'Wro-wijzigingsgebied 2' is gewijzigd.

2.4.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid.

2.4.3. Het Beukemaplein is voorzien van de aanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied 3'. Deze wijzigingsbevoegdheid mag niet eerder worden toegepast dan voordat de bestemming van het gebied De Kaap, dat is voorzien van de aanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied 2', is gewijzigd. In de wijzigingsbepalingen voor het gebied De Kaap is vermeld dat het plan moet voorzien in een parkeervoorziening van 500 parkeerplaatsen. Hiermee is aangegeven in welk geval gebruik mag worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. Voorts is in de wijzigingsbepalingen opgenomen dat grondgebonden woningen in twee bouwlagen met kap mogen worden gebouwd en dat aansluiting wordt gezocht bij de bestaande bebouwingsstructuur. Hiermee is aangegeven op welke wijze gebruik kan worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de wijzigingsbevoegdheid voor een specifiek omlijnd gebied is opgenomen en dat in de wijzigingsbepalingen specifieke uitgangspunten zijn opgenomen over de wijze waarop de bestemming kan worden gewijzigd, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro.

Het betoog dat een uitwerkingsplicht onvoorwaardelijk dient te worden geformuleerd en niet afhankelijk mag worden gesteld van een onzekere gebeurtenis, faalt reeds omdat in artikel 39, lid 39.1 en 39.2 geen uitwerkingsplichten maar wijzigingsbevoegdheden zijn neergelegd.

2.5. [appellante] en anderen voeren verder aan dat de uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is onderbouwd. Er is geen onderzoek gedaan naar de bodemkwaliteit, water, verkeer, woningbehoefte, milieuzonering en de financiële uitvoerbaarheid van het plan, aldus [appellante] en anderen.

2.5.1. Ten aanzien van de bodemkwaliteit is in de toelichting op het bestemmingsplan vermeld dat in het plangebied potentiële bodemverontreinigingen te verwachten zijn. Ter zitting heeft de raad in dit verband verder toegelicht dat het Beukemaplein agrarisch gebied is geweest. Ten westen van het plein was een verffabriek gevestigd die reeds is gesaneerd. Voorts zijn ter plaatse watergangen gedempt, hetgeen waarschijnlijk met gebiedseigen materiaal is gebeurd. Desgevraagd heeft de raad ter zitting toegelicht dat geen problemen worden verwacht met betrekking tot de bodemkwaliteit die aan de herontwikkeling van het gebied in de weg staan.

Met betrekking tot de waterberging heeft de raad erop gewezen dat bij het opstellen van het plan de watertoets is doorlopen. Het waterschap heeft zich kunnen vinden in hetgeen in de waterparagraaf is opgenomen in het kader van de waterhuishouding en de waterberging. Bij het starten van een wijzigingsprocedure om woningbouw aan het Beukemaplein mogelijk te maken, zal de wateropgave volgens de raad worden geconcretiseerd bij de verdere technische uitwerking van het plan. Uitgangspunt is dat de waterberging wordt gerealiseerd binnen het plangebied door bijvoorbeeld de aanleg van waterpartijen, berging in groen zoals wadi's, het toepassen van waterpasserende of waterdoorlatende verharding met bergingsruimte en het toepassen van groene daken.

Ten aanzien van het aspect verkeer zijn in de plantoelichting de kernpunten van de Mobiliteitsvisie Hoogeveen 2008-2020 beschreven, waarbij is ingegaan op de verkeersstructuur en parkeersituatie in het centrum van Hoogeveen. Hierin is eveneens vermeld dat Hoogeveen beschikt over voldoende parkeerplaatsen en op welke manier ervoor wordt gezorgd dat voldoende parkeerplaatsen beschikbaar blijven.

In het kader van de woningbehoefte is door de raad verwezen naar de Nota Wonen 2005-2015 waaruit volgt dat vraag bestaat naar 2690 woningen voor de kern van Hoogeveen. Er is voor gekozen om een deel van deze woningen buiten de kern van Hoogeveen te realiseren. Tot 2015 dienen er nog 950 woningen in de kern van Hoogeveen te worden gerealiseerd.

Met betrekking tot het aspect milieuzonering heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het stadscentrum bestaat uit een mengeling van woonfuncties en bedrijvigheid. De woonfunctie die met de wijzigingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt is nog niet zodanig geconcretiseerd dat een exacte afstand tussen het bedrijf van [belanghebbende] en de dichtstbijzijnde woning kan worden aangegeven. Bij een wijzigingsprocedure om woningbouw op het Beukemaplein mogelijk te maken zal de geplande woningbouw volgens de raad zodanig worden gesitueerd dat kan worden voldaan aan de in de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" aanbevolen afstand.

Ten aanzien van de financiële uitvoerbaarheid van het plan heeft de raad verwezen naar de plantoelichting, waar is ingegaan op de economische uitvoerbaarheid. Daarin is tevens een exploitatieopzet opgenomen waaruit blijkt wat de kosten zijn, welke opbrengsten daar tegenover staan en dat een tekort zal worden gedekt vanuit de algemene middelen.

Gelet op het voorgaande is met de plantoelichting en de toelichting van de raad ter zitting voldoende inzicht geboden in de uitvoerbaarheid van het plan. [appellante] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek naar de uitvoerbaarheid onvoldoende is geweest.

2.6. Voor zover [appellante] en anderen betogen dat niet valt te verwachten dat de woningbouw op het Beukemaplein binnen tien jaar zal zijn gerealiseerd, faalt dit betoog reeds omdat zij hun verwachtingen hieromtrent niet aannemelijk hebben gemaakt. In dit verband is voorts van belang dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat in de Ontwikkelingsvisie Stadscentrum uitsluitend ontwikkellocaties zijn opgenomen die voldoende zijn uitgewerkt en waarvan wordt verwacht dat deze binnen tien jaar worden gerealiseerd. Voor de locaties die met een wijzigingsbevoegdheid zijn opgenomen geldt dat bekend is welke functies aldaar worden toegestaan en welke typologie woningen worden toegestaan. De zuidoosthoek waar het Beukemaplein onderdeel van uitmaakt, heeft hierbij de hoogste prioriteit.

2.7. [appellante] en anderen betogen verder dat de aantrekkende werking van het plein zal komen te vervallen en dat potentiële klanten van de automaterialenhandel van [belanghebbende] niet meer bekend raken met het bedrijf. Voorts verwachten [appellante] en anderen dat de auto- en onderdelenmarkt de komende jaren drastisch zal veranderen. De onderneming zal steeds meer op detailhandel zijn aangewezen en kostenbewust ondernemen op de huidige locatie zal een belangrijke rol gaan spelen in verband met het voortbestaan van de onderneming, hetgeen wordt bemoeilijkt door de komst van de woonwijk, aldus [appellante] en anderen.

2.7.1. Ingevolge artikel 12, lid 12.1 en onder a en f, van de regels behorende bij het bestemmingsplan, zijn de voor "Gemengd-1" aangewezen gronden bestemd voor detailhandel, met inbegrip van supermarkten en woningen.

2.7.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de wijzigingsbevoegdheid de voorwaarde is verbonden dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Voor bewoners en bezoekers van de bedrijven aan het Beukemaplein zal de mogelijkheid blijven bestaan om kort te parkeren. Voorts mag de wijzigingsbevoegdheid eerst worden toegepast indien de bestemming voor het plangebied De Kaap, met de aanduiding 'Wro-zone Wijzigingsgebied-2', is gewijzigd. Aan de wijzigingsbevoegdheid voor dat plangebied is de voorwaarde verbonden dat wordt voorzien in een parkeervoorziening van 500 parkeerplaatsen. De raad heeft er in het verweerschrift verder op gewezen dat voor de percelen van [appellante] en anderen de bestemming "Gemengd-1" geldt, zodat voor die percelen onder meer de functies detailhandel en wonen zijn toegestaan.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende mogelijkheden bestaan voor voortzetting van de bestaande bedrijfsvoering en eventuele herontwikkeling van de automaterialenhandel. Het betoog van [appellante] en anderen dat kostenbewust ondernemen zal worden bemoeilijkt ten gevolge van de komst van een woonwijk, faalt reeds omdat dit niet nader is gestaafd.

2.8. [appellante] en anderen voeren verder aan dat zij vrezen dat de beleggingswaarde van hun panden aan [4 locaties] bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid aanzienlijk zal dalen.

2.8.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de panden aan [4 locaties] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.9. Hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd ten aanzien het vaststellen van hogere grenswaarden in het kader van de Wet Geluidhinder is niet eerder naar voren gebracht. [appellante] en anderen hebben geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan van hen redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij dit eerder hadden gedaan, zodat deze beroepsgrond wegens strijd een goede procesorde buiten beschouwing dient te worden gelaten.

2.10. Ten slotte betogen [appellante] en anderen dat de raad niet op zorgvuldige wijze met hun belangen is omgegaan. De verwijzing van de raad naar de planschadeprocedure is niet voldoende en onbegrijpelijk. Verder is de raad volgens [appellante] en anderen ten onrechte niet ingegaan op hun in de zienswijze gedane verzoeken.

2.10.1. [appellante] en anderen hebben in hun zienswijzen verzocht om financiële compensatie voor de schade die zij zullen lijden wanneer de bestemming van het Beukemaplein wordt gewijzigd. De raad heeft in de reactienota naar aanleiding van voormelde zienswijzen terecht verwezen naar artikel 6.1 van de Wro. Dit artikel biedt de mogelijkheid om een aanvraag om tegemoetkoming in de planschade in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders. De beslissing hieromtrent valt echter buiten het kader van de onderhavige procedure.

Voorts kan uit de reactienota naar aanleiding van de zienswijzen worden afgeleid dat de raad uitdrukkelijk is ingegaan op het verzoek van [appellante] en anderen om te worden geïnformeerd omtrent een onderzoek naar de parkeerdruk en het effect op de parkeerdruk ten gevolge van de transformatie van het Beukemaplein naar een woongebied en het verzoek om extra parkeer- of ontwikkelruimte, grenzend aan de percelen [4 locaties] te verkrijgen, zodat private herontwikkeling van de huidige locatie tot de mogelijkheden behoort.

Voor het oordeel dat de raad de zienswijzen van [appellante] en anderen niet op zorgvuldige wijze heeft behandeld, is gelet op het vorenstaande geen plaats.

2.11. In hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011

490.