Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0544

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201003937/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeskalverenhouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 10 maart 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2011/5608
JOM 2011/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003937/1/M2.

Datum uitspraak: 12 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeskalverenhouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 10 maart 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 juni 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2010, waar het college, vertegenwoordigd door M. Dijkstra en J. Slagman, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door mr. D. Pool, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Intrekken beroepsgrond

2.2. Bij brief van 19 oktober 2010 heeft [appellant] zijn beroepsgrond over geurhinder ingetrokken.

Vergunningsituatie

2.3. Voor de inrichting is eerder, bij besluit van 20 februari 2007, krachtens de Wet milieubeheer een oprichtingsvergunning verleend voor het houden van 1.125 vleeskalveren in een traditionele stal. De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning ziet op uitbreiding van de inrichting met een tweede stal - van hetzelfde type - voor eveneens 1.125 vleeskalveren, en op in beide stallen te plaatsen houtkachels.

Eén inrichting

2.4. [appellant] betoogt dat het college heeft miskend dat de bij het bestreden besluit vergunde veehouderij tezamen met de veehouderij op het perceel aan de [locatie 2] te [plaats] één inrichting vormt. Hij voert hierbij aan dat [vergunninghouder] eigenaar is van beide veehouderijen. Verder zou de afstand tussen beide veehouderijen volgens [appellant] wijzen op functionele en organisatorische bindingen.

2.4.1. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.4.2. De aan het bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag ziet uitsluitend op de veehouderij aan de [locatie 1]. Uit de aanvraag kan niet worden afgeleid dat bindingen bestaan tussen deze veehouderij en de veehouderij aan de [locatie 2]. [vergunninghouder] heeft weliswaar over beide veehouderijen feitelijke zeggenschap, maar uit het bestreden besluit, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat tussen beide veehouderijen zodanige technische, organisatorische of functionele bindingen bestaan dat het om één inrichting gaat. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat de afstand tussen de veehouderijen hemelsbreed circa 200 meter en over de openbare weg circa 1.700 meter bedraagt. De veehouderijen zijn dan ook niet in elkaars onmiddellijke nabijheid gelegen.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de veehouderij waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend niet één inrichting vormt met de veehouderij op het perceel [locatie 2].

De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Beste beschikbare technieken

2.6. [appellant] voert aan dat het college zich er onvoldoende van heeft vergewist of in de inrichting de daarvoor in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Volgens hem is niet voldaan aan enkele aspecten uit de oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij (hierna: de Oplegnotitie).

2.6.1. Bij het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, vergunning verleend voor het houden van vleeskalveren. Het college stelt zich op het standpunt dat voor deze diercategorieën geen emissiearm stalsysteem bestaat of maximale emissiewaarde geldt, zodat de toegepaste stalsystemen voldoen aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken dienen te worden toegepast.

2.6.2. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 1 juli 2009 in zaak nr. 200804185/1, moet er ten aanzien van een huisvestingssysteem dat voldoet aan de daaraan in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit huisvesting) gestelde eisen, van worden uitgegaan dat dit huisvestingssysteem een van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken is.

2.6.3. In artikel 2, eerste lid, van het Besluit huisvesting, voor zover thans van belang, is bepaald dat, indien in een veehouderij dieren worden gehuisvest van een diercategorie waarvoor in bijlage 1 een maximale emissiewaarde is aangegeven, voor die dieren geen huisvestingssystemen worden toegepast met een emissiefactor die hoger is dan deze maximale emissiewaarde.

2.6.4. De Oplegnotitie waar [appellant] naar verwijst, heeft geen betrekking op het houden van vleeskalveren. Voor vleeskalveren is in het Besluit huisvesting geen maximale emissiewaarde gesteld. In de nota van toelichting bij het Besluit huisvesting is vermeld dat een maximale emissiewaarde is gesteld voor alle diercategorieën waar dit mogelijk is. Het stellen van een maximale emissiewaarde is mogelijk geacht indien meerdere emissiearme technieken beschikbaar zijn, die technieken op lange termijn breed toepasbaar zijn en die technieken economisch en technisch haalbaar zijn in de desbetreffende veehouderijsector (Stb. 2005, 675, blz. 7 en 15-17). Nu in bijlage 1 bij het Besluit huisvesting geen maximale emissiewaarde is opgenomen voor vleeskalveren, moet uit de aangehaalde passage uit de nota van toelichting worden afgeleid dat dit niet mogelijk is geweest omdat voor het houden van deze diercategorie niet meerdere emissiearme, op lange termijn breed toepasbare en economisch en technisch haalbare technieken beschikbaar zijn. Hieruit volgt dat wat betreft vleeskalveren vooralsnog elk huisvestingssysteem moet worden aangemerkt als de beste beschikbare techniek. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat niet wordt voldaan aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken dienen te worden toegepast.

De beroepsgrond faalt.

Natura 2000-gebieden

2.7. [appellant] voert aan dat ten onrechte niet is onderzocht of verlening van de vergunning wat ammoniakemissie betreft significante effecten veroorzaakt op het in de omgeving van de inrichting gelegen Vogel- en Habitatrichtlijngebied Sallandse Heuvelrug.

De gevolgen voor Natura 2000-gebieden worden vanaf 1 februari 2009 uitsluitend beoordeeld in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. Het bezwaar met betrekking tot de effecten op dit gebied is slechts aan de orde in het kader van de beoordeling van de vraag of een vergunning ingevolge die wet is vereist en zo ja, of die vergunning kan worden verleend en onder welke voorwaarden.

De beroepsgrond faalt.

Visuele hinder

2.8. [appellant] betoogt dat de nieuw op te richten stal visuele hinder veroorzaakt. Hij voert aan dat het college ten onrechte heeft geweigerd een voorschrift aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een beplantingsplan.

2.8.1. De vraag of zich visuele hinder voordoet, komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van het krachtens de Wet milieubeheer verlenen van een vergunning ruimte voor een aanvullende toets. Uit het bestreden besluit, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting blijkt dat [vergunninghouder] na de oprichting van de inrichting, maar voor het nemen van het bestreden besluit, beukenhagen, meerdere hoge bomen en bosplantsoen - waaronder wilgen, krenten en hazelaars - heeft geplant. Ter zitting heeft [vergunninghouder] onweersproken gesteld dat hij die beplanting zodanig heeft aangebracht dat daarbij rekening is gehouden met het realiseren van een tweede stal. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

De beroepsgrond faalt.

Aanduiding perceel

2.9. [appellant] voert aan dat het perceel waarop de inrichting is gevestigd ten onrechte wordt aangeduid als [locatie 1].

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen.

Geluidhinder

2.10. [appellant] stelt, onder verwijzing naar het in zijn opdracht opgestelde rapport van Grontmij Nederland B.V. van 16 augustus 2010 (hierna: het rapport van Grontmij), dat de gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau in vergunningvoorschrift 2.2 ten onrechte worden vermeerderd met 10 dB(A).

2.10.1. Voorschrift 2.2 bepaalt dat onverminderd het gestelde in voorschrift 2.1. de maximale geluidniveaus (LAmax), voor zover deze een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, niet meer bedragen dan de in tabel 8 van het bij de aanvraag behorend akoestisch onderzoek vermelde waarden vermeerderd met 10 dB(A) (Akoestisch onderzoek Alcedo, rapportnummer 20092859.3 d.d. 15 februari 2010).

2.10.2. Het college heeft bij brief van 10 november 2010 en ter zitting erkend dat vergunningvoorschrift 2.2 onjuist is voor zover daarin is opgenomen "vermeerderd met 10 dB(A)". Het bestreden besluit is, wat voorschrift 2.2 betreft, in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

De beroepsgrond slaagt.

2.11. [appellant] betoogt dat het college er ten onrechte zonder meer op basis van het geluidrapport van 15 februari 2010, opgesteld door Alcedo B.V. (hierna: het geluidrapport), van is uitgegaan dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. Hiertoe voert hij aan, onder verwijzing naar het rapport van Grontmij, aan dat het geluidrapport niet representatief is. [appellant] stelt dat is uitgegaan van een onjuist bronvermogen van de ventilatoren in de avond- en nachtperiode. Verder stelt hij dat voor onder meer tractoren en vrachtwagens te lage bronhoogtes zijn gehanteerd. Voorts vreest [appellant] een onderschatting van de geluidbelasting voor afwijkende bedrijfssituaties met meer vervoersbewegingen.

2.11.1. Naar aanleiding van het rapport van Grontmij heeft het college Alcedo verzocht nader onderzoek te doen. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de notitie van 8 november 2010 (hierna: de notitie van Alcedo). In deze notitie is ingegaan op hetgeen door [appellant] is gesteld. Op grond van de notitie van Alcedo moet worden geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomsten in het geluidrapport.

De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

2.12. [appellant] betoogt, onder verwijzing naar het rapport van Grontmij, dat het onderzoek van het college met betrekking tot de gevolgen voor de luchtkwaliteit onjuist is uitgevoerd. Daardoor kan niet worden vastgesteld of aan de kwaliteitseisen van titel 5.2 van de Wet milieubeheer kan worden voldaan. Wat zwevende deeltjes (PM10) betreft, stelt hij dat in het onderzoek ten onrechte is gerekend met slechts drie stalbronnen, terwijl het gaat om vijf stalbronnen. Verder zijn volgens [appellant] bij de berekeningen voor zwevende deeltjes (PM10) ten onrechte de vergunde houtkachels niet meegenomen. [appellant] stelt verder dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de emissies van PM2,5, stikstofdioxide, zwaveldioxide, lood, benzeen, koolmonoxide, ozon, cadmium en nikkel.

2.12.1. Naar aanleiding van het rapport van Grontmij is in opdracht van het college door Geurts Technisch Adviseurs een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 9 november 2010. In dat rapport wordt ingegaan op hetgeen door [appellant] is gesteld. Het college heeft op grond van dat rapport geconcludeerd dat aan de in titel 5.2 gestelde kwaliteitseisen van de Wet milieubeheer kan worden voldaan. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die conclusie onjuist is.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

2.13. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 2 maart 2010 dient, voor zover het voorschrift 2.2 betreft, te worden vernietigd wegens strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen. De Afdeling zal, mede gezien het verzoek daartoe van het college, ten aanzien van dit voorschrift op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.14. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten van 2 maart 2010, kenmerk WMV 09-20119 voor zover het voorschrift 2.2 betreft;

III. bepaalt dat aan de bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten van 2 maart 2010 verleende vergunning een nieuw voorschrift 2.2 wordt verbonden dat als volgt luidt:

"Onverminderd het gestelde in voorschrift 2.1 mogen de maximale geluidsniveaus (LAmax), voor zover deze een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, niet meer bedragen dan de in tabel 8 van het bij de aanvraag behorend akoestisch onderzoek vermelde waarden (Akoestisch onderzoek Alcedo, rapportnummer 20092859.3. d.d. 15 februari 2010)";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 2 maart 2010 voor zover dat is vernietigd;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011

431-632.