Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0543

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201002566/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het college op verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Scheepswerf Koning William B.V. met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer - voor zover hier van belang - geluidvoorschrift B3 gewijzigd van de op 30 juli 1997 voor de inrichting voor reparatie en onderhoud aan schepen aan de Hoogte Kadijk 145B te Amsterdam krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning. Dit besluit is op 5 februari 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002566/1/M2.

Datum uitspraak: 12 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het college op verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Scheepswerf Koning William B.V. met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer - voor zover hier van belang - geluidvoorschrift B3 gewijzigd van de op 30 juli 1997 voor de inrichting voor reparatie en onderhoud aan schepen aan de Hoogte Kadijk 145B te Amsterdam krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning. Dit besluit is op 5 februari 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] en anderen en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2010, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door A.J. van der Veen en A. Flapper, en het college, vertegenwoordigd door A. Speekenbrink, H.J. Jansen en ing. G.J. Kruijs, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Scheepswerf Koning William B.V., vertegenwoordigd door C.C.J. Kerkelaan en bijgestaan door ing. R.P.M. Jansen, als partij gehoord

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het in de Invoeringswet Wabo opgenomen overgangsrecht volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Ingevolge artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag op aanvraag van de vergunninghouder beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden.

Ingevolge het tweede lid is met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de beperkingen en voorschriften, voor zover hier van belang, artikel 8.11 van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepaling komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3. Bij besluit van 30 juli 1997 is voor de inrichting krachtens de Wet milieubeheer een oprichtingsvergunning verleend. De inrichting is gelegen op het krachtens de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterrein 'Kadijken-Oost'.

De bij het bestreden besluit vastgestelde gewijzigde geluidvoorschriften zien - voor zover van belang - op een verhoging van de grenswaarden voor het maximale geluidniveau voor de dagperiode in de representatieve bedrijfssituatie, en op een ontheffing van de gestelde geluidgrenswaarden voor een incidentele bedrijfssituatie.

2.4. In deze procedure is uitsluitend de rechtmatigheid van het bestreden besluit - inhoudende de gewijzigde grenswaarden voor het maximale geluidniveau voor de dagperiode en de daarbij voorziene ontheffing voor incidentele gevallen - aan de orde. In deze procedure kunnen dan ook uitsluitend beroepsgronden die daarop zien aan de orde komen. Beroepsgronden van [appellant] en anderen die geen betrekking hebben op de gewijzigde geluidvoorschriften, zoals gronden over maatregelen die bij verlening van de vergunning in 1997 zouden worden getroffen, over de vraag of op 8 november 2000 bevoegdelijk een veranderingsvergunning is verleend, over vervuiling van het oppervlaktewater en over overtreding van eerder gestelde geluidvoorschriften, moeten in deze uitspraak onbesproken blijven.

Geluidhinder - toereikendheid

2.5. [appellant] en anderen voeren aan dat de bij het bestreden besluit gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau voor de dagperiode - met name op de beoordelingspunten 5 en 7 - ontoereikend zijn ter voorkoming van geluidhinder. In dat kader voeren zij aan dat het college onvoldoende heeft onderzocht welke maatregelen, zoals een verbod op naaldenbikhamers, zouden kunnen worden toegepast om de geluidhinder te beperken. Het gebruik van naaldenbikhamers is volgens hen de oorzaak van de hoogste geluidbelasting, en langdurig gebruik zou een effect hebben op het equivalente geluidniveau. Verder heeft het college zich er volgens [appellant] en anderen onvoldoende van vergewist of in de inrichting de beste beschikbare technieken - zoals het in een gesloten hal uitvoeren van de werkzaamheden - worden toegepast.

2.5.1. De Afdeling overweegt allereerst dat hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren over het langdurig gebruik van naaldenbikhamers, en het effect daarvan op het equivalente geluidniveau, in de huidige procedure geen rol speelt. Dit betoog heeft geen betrekking op de bij het bestreden besluit gewijzigde geluidvoorschriften voor het maximale geluidniveau, en blijft daarom onbesproken.

2.5.2. In het bij het bestreden besluit gestelde voorschrift 1.2.1 is, kort weergegeven, bepaald dat het maximale geluidniveau veroorzaakt door de inrichting niet meer mag bedragen dan de in figuur 1 aangegeven waarden voor de desbetreffende beoordelingspunten gedurende de dagperiode. Dat betekent concreet dat de maximale geluidniveaus op de beoordelingspunten die zijn gesteld op de gevels van woningen met de hoogste geluidbelasting - de beoordelingspunten 5 en 7 - gedurende de dagperiode niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 75 dB(A) en 71 dB(A).

2.5.3. Bij de beoordeling van het maximale geluidniveau heeft het college gebruik gemaakt van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking). Volgens de Handreiking, voor zover hier van belang, is gedurende de dagperiode bij de representatieve bedrijfssituatie een maximaal geluidniveau van ten hoogste 70 dB(A) aanvaardbaar. In de Handreiking is echter vervolgens opgemerkt dat wanneer sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie, waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidniveau te beperken, in de dagperiode de grenswaarde van 70 dB(A) met ten hoogste 5 dB(A) mag worden overschreden.

2.5.4. De activiteiten waarvoor hogere grenswaarden zijn gesteld met betrekking tot het maximale geluidniveau, bestaan uit slijpen, roestbikken, waterstralen en hameren. Het is mede gezien het deskundigenbericht aannemelijk dat al deze activiteiten, inclusief het roestbikken met de naaldenbikhamers, noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering.

Voor zover [appellant] en anderen stellen dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de geluidbelasting van deze activiteiten kan worden beperkt door deze inpandig te laten plaatsvinden, overweegt de Afdeling het volgende. Het college heeft bij het bestreden besluit in aanmerking genomen dat luidruchtige activiteiten zoveel mogelijk worden uitgevoerd in een werkplaats, maar dat de activiteiten bij een inrichting als hier aan de orde niet altijd in een gesloten hal kunnen worden uitgevoerd. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van het college onjuist is.

Verder is het college ervan uitgegaan dat naast de reeds in de inrichting getroffen en bij roestbikken nog te treffen maatregelen, zoals bijvoorbeeld het gebruik van een halfopen mobiele omkasting, het toepassen van geluidarme slijpschijven, het zoveel mogelijk toepassen van een "domme kracht" voor richtwerkzaamheden als alternatief voor luidruchtig hameren, geen andere maatregelen ter beperking van de geluidbelasting toepasbaar zijn. Dit wordt in het deskundigenbericht onderschreven, waarbij verder is geconcludeerd - kort weergegeven - dat de getroffen en te treffen maatregelen kunnen worden aangemerkt als beste beschikbare technieken. De Afdeling ziet in het beroep van [appellant] en anderen geen aanleiding om dit standpunt onjuist te achten.

Gezien het voorgaande heeft het college op goede gronden kunnen oordelen dat zich een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie voordoet, waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidniveau verder te beperken.

2.5.5. Aan het bestreden besluit liggen het akoestisch onderzoek van 12 maart 2009, uitgevoerd door Peutz, kenmerk FB 16954-1 (hierna: akoestisch onderzoek), en het aanvullend rapport van14 juli 2009 van Peutz, kenmerk FB 16954-2A-RA (hierna: aanvullend rapport) ten grondslag. Uit het aanvullend rapport blijkt dat het hoogste maximale geluidniveau van 75 en 71 dB(A) bij respectievelijk de beoordelingspunten 5 en 7, wordt veroorzaakt door het gewone hameren. Bij de andere activiteiten, te weten het slijpen, roestbikken en waterstralen, treden lagere geluidbelastingen op. [appellant] en anderen hebben geen concrete argumenten naar voren gebracht op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de uitkomsten van deze berekeningen.

2.5.6. Gelet op het voorgaande heeft het college op de beoordelingspunten 5 en 7, overeenkomstig de Handreiking, in redelijkheid grenswaarden van 75 dB(A) en 71 dB(A) voor het maximale geluidniveau voor de dagperiode aanvaardbaar kunnen achten.

De beroepsgronden falen.

Geluidhinder - incidentele bedrijfssituatie

2.6. [appellant] en anderen kunnen zich verder niet verenigen met de voor incidentele situaties gestelde voorschriften 1.3.1 en 1.3.2.

Voorschrift 1.3.1 bepaalt dat het maximale geluidniveau vanwege luidruchtig hameren bij extreme werkzaamheden niet meer mag bedragen dan 4 dB boven de in voorschrift 1.2.1 genoemde geluidniveaus.

Voorschrift 1.3.2 bepaalt, voor zover hier van belang, dat de in voorschrift 1.3.1 genoemde activiteit(en) per jaar maximaal twaalf keer mogen plaatsvinden.

[appellant] en anderen stellen dat onvoldoende is bezien in hoeverre de geluidhinder van luidruchtig hameren kan worden voorkomen. Zij achten de daarvoor gestelde geluidgrenswaarden te hoog. Verder is volgens hen niet duidelijk wat onder luidruchtig hameren in de zin van voorschrift 1.3.1 moet worden verstaan.

2.6.1. In de Handreiking is in paragraaf 5.3 vermeld dat een ontheffing kan worden verleend om maximaal 12 keer per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie. Het gaat dan om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties), die niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie. Het bevoegd gezag zal, zo vermeldt de Handreiking, in dit verband een afweging van belangen moeten maken.

2.6.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het luidruchtig hameren bij extreme werkzaamheden ziet op het gebruik van een moker voor het passend maken van stalen scheepswanden op de werf. In de werkplaats worden de scheepswanden zoveel mogelijk door het gebruik van hydraulische persen uit staalplaat voorgevormd. Wanneer een dergelijke scheepswand niet helemaal passend blijkt, moet deze in vorm worden geslagen met een moker. Naar het oordeel van de Afdeling is voldoende duidelijk wat moet worden verstaan onder 'luidruchtig hameren' in de zin van voorschrift 1.3.1 Het college acht het toelaatbaar dat deze activiteiten vanwege het zeer incidentele karakter en gegeven het feit dat er blijkens het geluidrapport voor deze activiteiten geen bruikbare alternatieven zijn, uitgezonderd worden van de gestelde geluidgrenswaarden voor de representatieve bedrijfssituatie. Het college heeft in redelijkheid geluidgrenswaarden van 79 dB(A) en 75 dB(A) op respectievelijk de beoordelingspunten 5 en 7 aanvaardbaar kunnen achten.

Deze beroepsgronden falen.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011

262-632 .