Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201000804/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2009, nr. 09-84 heeft de raad het bestemmingsplan "Harselaar West-West" en het exploitatieplan "Harselaar West-West" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000804/1/R2.

Datum uitspraak: 12 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1] en anderen (hierna in enkelvoud: [appellante sub 1]), gevestigd te [plaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2009, nr. 09-84 heeft de raad het bestemmingsplan "Harselaar West-West" en het exploitatieplan "Harselaar West-West" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 februari 2010, beroep ingesteld. [appellante sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 12 maart 2010. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 16 maart 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2010, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. de Goeij en H. van den Akker, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [belanghebbenden], ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de uitbreiding van het bedrijventerrein Harselaar-West te Barneveld. Het plangebied is ongeveer 20 hectare groot.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.2. Het beroep van [appellante sub 1] steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders, voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Niet is gebleken dat [appellante sub 1] redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Uit het vaststellingsbesluit blijkt evenwel dat het plan op verschillende punten gewijzigd is vastgesteld. Dit betekent dat het beroep van [appellante sub 1] alleen ontvankelijk is voor zover dit is gericht tegen plandelen die gewijzigd zijn vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan.

2.2.1. In de staat van wijzigingen bij het vaststellingsbesluit is, voor zover hier van belang, vermeld dat het plan gewijzigd is vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan op de volgende punten: de aanduiding "reclamemast" is toegevoegd aan gronden in het westen van het plangebied en de aanduiding "bedrijfswoning" is toegevoegd aan gronden in het noordoosten van het plangebied. Daarnaast blijkt uit de verbeelding in samenhang bezien met de verbeelding van het ontwerpplan dat de aanduiding "milieuzone - geurzone" aan een gedeelte van de gronden in de zuidwestelijke hoek van het plangebied in afwijking van het ontwerpplan niet is toegekend. Het beroep van [appellante sub 1], voor zover dit geen betrekking heeft op de hier genoemde gewijzigd vastgestelde plandelen, is gelet op het voorgaande, niet-ontvankelijk. De stelling van [appellante sub 1] dat de wijziging ten aanzien van de aanduiding "milieuzone - geurzone"geacht moet worden betrekking te hebben op alle gronden waaraan deze aanduiding is toegekend volgt de Afdeling niet nu niet valt in te zien om welke reden de gronden in de zuidwestelijke hoek van het plangebied niet kunnen worden aangemerkt als afzonderlijk planonderdeel.

Ten aanzien van het beroep van [appellante sub 1]

2.3. [appellante sub 1] heeft het gestelde in haar beroepschrift, dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:11 van de Awb en dat het exploitatieplan in strijd is met diverse artikelen uit de Wro, ter zitting ingetrokken.

2.4. [appellante sub 1] exploiteert een vleeskalverenhouderij op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het bedrijf). Zij stelt dat zij ontoelaatbaar wordt beperkt in haar bedrijfsvoering doordat de aanduiding "milieuzone - geurzone" gewijzigd is vastgesteld en doordat een extra bedrijfswoning is toegestaan in het plangebied. Hiertoe betoogt zij dat het plangebied een concentratiegebied betreft als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) en dat het plangebied binnen de bebouwde kom ligt, zodat hier een maximale geurbelasting van 3,0 odour units per kubieke meter lucht (hierna: OU/m3) voor is toegestaan. Ter plaatse van de gewijzigde vaststelling van het plan wordt hieraan volgens [appellante sub 1] niet voldaan. Hieruit concludeert [appellante sub 1] dat de aanduiding "milieuzone - geurzone" ten onrechte niet meer is toegekend en de aanduiding "bedrijfswoning" ten onrechte is toegevoegd. [appellante sub 1] stelt tevens dat het verspreidingsmodel V-stacks vergunning had moeten worden gebruikt in plaats van het verspreidingsmodel V-stacks gebied. Daarnaast stelt [appellante sub 1] dat geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd ter plaatse van de gewijzigde vaststelling van het plan. Volgens [appellante sub 1] heeft de raad ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de achtergrondbelasting.

2.4.1. De raad stelt dat gelet op de inrichting van het gebied er geen sprake is van een aaneengesloten bebouwing met een overwegende woon- en verblijffunctie waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid wonen of verblijven, zodat het plangebied niet kan worden aangemerkt als bebouwde kom. De raad stelt dan ook dat voor het bedrijf een maximale geurbelasting van 14 OU/m3 geldt op geurgevoelige objecten. Volgens de raad blijkt uit de toepassing van verspreidingsmodel V-stacks vergunning dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten in het plangebied (receptorpunten) minder dan 14 OU/m3 bedraagt. Het plan leidt volgens de raad dan ook niet tot een beperking van de bedrijfsvoering van [appellante sub 1]. Verder stelt de raad, onder verwijzing naar de Gebiedsvisie van de gemeente waarin de achtergrondbelasting voor het gebied in kaart is gebracht, dat een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd in het plangebied.

2.4.2. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a, van de Wgv wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom, meer bedraagt dan 3 OU/m3.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, van de Wgv wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom, meer bedraagt dan 14 OU/m3.

2.4.3. Niet in geschil is dat het plangebied binnen een concentratiegebied ligt als bedoeld in artikel 1 van de Wgv. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 1] met betrekking tot de bebouwde kom, overweegt de Afdeling dat hoewel uit de verbeelding blijkt dat op het bedrijventerrein geconcentreerde bebouwing is toegestaan met een samenhangende structuur dit evenwel geen omstandigheid is op grond waarvan kan worden geoordeeld dat reeds hierom sprake is van een bebouwde kom. Daarbij is immers van belang of het gebied zich naar de aard van de omgeving kenmerkt door aaneengesloten bebouwing met een overwegend woon- en verblijffunctie waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid daadwerkelijk wonen of verblijven. Hiervan is geen sprake nu in zeer geringe mate woningen zijn toegestaan en niet is gebleken dat in het plangebied veel mensen per oppervlakte-eenheid verblijven. Daar komt bij dat het plangebied op een grote afstand van de kern van Barneveld ligt en in de huidige situatie bestaat uit agrarische gronden. Gelet op het voorgaande heeft de raad terecht gesteld dat het plangebied niet binnen de bebouwde kom ligt.

Zoals hiervoor onder 2.4.2. is overwogen, betekent dit dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten ten gevolge van het bedrijf niet meer mag bedragen dan 14 OU/m3. Hiervan is bij gemeentelijke verordening niet afgeweken. De geurbelasting ter plaatse van de gewijzigde vaststelling van het plan bedraagt volgens de raad minder dan 14 OU/m3. Niet is gebleken dat de berekening van de raad onjuist is. Anders dan [appellante sub 1] stelt heeft de raad immers het verspreidingsmodel "V-stacks vergunning" toegepast, zoals in de Regeling geurhinder en veehouderij is voorgeschreven. Nu de geurbelasting op de bedrijfsbebouwing en de bedrijfswoning minder dan 14 OU/m3 bedraagt, heeft de raad terecht gesteld dat het verwijderen van de aanduiding "milieuzone - geurzone" en de toevoeging van de aanduiding "bedrijfswoning" niet leiden tot een beperking van de bedrijfsvoering van [appellante sub 1].

2.4.4. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 7 oktober 2009, zaaknr. 200900801/1/R3, heeft overwogen volgt uit de overschrijding van de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm uit de Wgv niet zonder meer dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en betekent het niet overschrijden van deze norm evenmin dat zonder meer ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.

Uit de plantoelichting volgt dat de raad, gebruik makend van de bevoegdheid op grond van de Wgv, op 7 oktober 2008 een eigen geurbeleid heeft vastgesteld in de vorm van de Gebiedsvisie en de "Verordening geurhinder en veehouderij". Uit deze Gebiedsvisie volgt dat de raad een achtergrondbelasting van tussen de 10 en 20 OU/m3 op een industrieterrein aanvaardbaar acht. Verder volgt uit de Gebiedsvisie dat onderzoek is gedaan naar de achtergrondbelasting in het plangebied. De achtergrondbelasting is voor het grootste deel ongeveer 10 OU/m3. Aan de randen van het industrieterrein zijn de belastingen hoger als gevolg van nabij gelegen veehouderijen en kan de achtergrondbelasting 18 OU/m3 bedragen. Volgens de raad wordt hiermee gemiddeld genomen een goed leefklimaat gegarandeerd. In hetgeen door [appellante sub 1] is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich hierop niet heeft kunnen baseren bij de vaststelling van het plan. Gelet hierop heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de gewijzigde vaststelling van het plan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd.

2.5. [appellante sub 1] stelt verder dat de met dit plan mogelijk gemaakte reclamemast leidt tot ernstige visuele hinder en lichthinder. Daarnaast ontbreekt de noodzaak voor een dergelijke mast, aldus [appellante sub 1].

2.5.1. De raad stelt dat de visuele hinder en lichthinder van de reclamemast voor [appellante sub 1] beperkt is. Daarbij wijst de raad erop dat de reclamemast op een afstand van ongeveer 145 meter wordt gerealiseerd van het bedrijf en dat hoge bomen aan weerszijden van de autosnelweg het zicht op de reclamemast grotendeels ontnemen. Daarnaast stelt de raad dat de gekozen locatie voor de reclamemast belangrijk is voor de zichtbaarheid van de bedrijven.

2.5.2. Uit de verbeelding blijkt dat de afstand van het bedrijf tot de reclamemast ongeveer 145 meter bedraagt. Daarnaast blijkt uit de verbeelding dat de reclamemast langs een autosnelweg is gesitueerd. Gelet hierop is niet aannemelijk dat de reclamemast zodanige lichthinder veroorzaakt in de woning van [appellante sub 1] dat dit onaanvaardbaar is. Voor zover [appellante sub 1] al visuele hinder ondervindt, acht de Afdeling van belang dat het zicht op de reclamemast in ieder geval deels wordt weggenomen door bomen. Voorts heeft de raad van belang kunnen achten dat de reclamemast een belangrijke functie vervult voor de zichtbaarheid van het terrein. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid meer belang kunnen toekennen aan het realiseren van een reclamemast dan aan het belang van [appellante sub 1] om hiervan verschoond te blijven.

2.6. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.7. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan. Hiertoe voert hij aan dat ten onrechte geen milieu-effectrapportage (hierna: m.e.r.) is uitgevoerd voor het plan. Het met dit plan mogelijk gemaakte bedrijventerrein kan volgens hem aanzienlijk nadelige milieueffecten veroorzaken, zodat, ook nu de drempelwaarde uit het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) niet wordt behaald, volgens hem een milieu-effectrapport (hierna: MER) moet worden opgesteld. Hij wijst in dit verband op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 2009, Commissie tegen Nederland, C-255/08 (www.curia.europa.eu).

2.7.1. De raad stelt dat de omvang van het project gering is en dat geen sprake is van cumulatie met andere projecten. Verder stelt de raad dat er geen bijzonderheden zijn wat betreft het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder dan wel het risico op ongevallen. Wat betreft de plaats van het project stelt de raad dat er in het plangebied en de omgeving geen bijzondere kwetsbaarheid van het milieu is. Hierbij merkt de raad op dat het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied op een afstand van 6,5 kilometer ligt. Wat betreft het geografisch gebied en de grootte van de bevolking wijst de raad erop dat de afstand tussen het plangebied en de kernen Barneveld en Voorthuizen ongeveer 1,5 kilometer bedraagt.

2.7.2. Niet in geschil is dat het plangebied minder dan 75 hectare bedraagt en derhalve de in de bijlage, onder 11.3 van onderdeel D, van het Besluit genoemde drempelwaarde niet overschrijdt.

Voorts heeft [appellant sub 2] niet gemotiveerd dat er andere factoren aanwezig zijn als bedoeld in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten - zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 - in verband waarmee, gelet op het arrest van het Hof, ondanks het feit dat de omvang van het project onder de drempelwaarde van onderdeel D blijft, ook bij het niet overschrijden van de drempelwaarde toch een mer-beoordeling had moeten worden gemaakt en derhalve evenmin dat er factoren zijn in verband waarmee toch een MER had moeten worden gemaakt. Het betoog faalt derhalve.

2.8. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan, in het bijzonder voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor zijn perceel [locatie 2] te [plaats]. Hij betoogt dat ten onrechte geen woonbestemming is toegekend aan het perceel. [appellant sub 2] betwist de noodzaak voor dit plan, onder meer nu volgens hem niet zeker is dat het bedrijf BCA daadwerkelijk zal verhuizen naar het plangebied. Voorts stelt hij dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de omgeving, waaronder de flora en fauna in het plangebied. Verder zal volgens hem de geluidsoverlast en de verkeersintensiteit onevenredig toenemen en zal de luchtkwaliteit ter plaatse in onaanvaardbare mate verslechteren. Hij betoogt verder dat het plan in strijd is met het provinciaal beleid zoals verwoord in de ontwerpstructuurvisie "Bedrijventerreinen en werklocaties" (hierna: de structuurvisie) die is vastgesteld op 8 september 2009.

2.8.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen.

In de plantoelichting is omtrent de behoefte aan het bedrijventerrein vermeld dat de aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan ligt in de uitkomsten van het revitaliseringsonderzoek dat in 1998 voor het aangrenzende bedrijventerrein Harselaar-West is uitgevoerd. Naar aanleiding van dit onderzoek is een aantal knelpunten gesignaleerd waaronder de parkeerproblematiek en het ruimtegebrek op het bedrijventerrein Harselaar-West. Het plan, waarin ondermeer een collectieve parkeerplaats voor vrachtwagens wordt mogelijk gemaakt, is vastgesteld teneinde deze knelpunten weg te nemen. Daarnaast faciliteert het plan de verplaatsing van de autoveiling British Car Auction (hierna: BCA) zodat op Harselaar-West, nabij het station, een transferium kan worden ontwikkeld. Ook is de behoefte aan het bedrijventerrein onderbouwd in de Regionale Bedrijventerreinvisie De Vallei.

Daargelaten of BCA zich daadwerkelijk zal vestigen in het plangebied, heeft de raad de algehele behoefte aan het bedrijventerrein naar het oordeel van de Afdeling voldoende onderbouwd. Wat betreft de belangen van [appellant sub 2] als huurder van de thans nog aanwezige woning heeft de raad onweersproken gesteld dat naar vervangende woonruimte wordt gezocht en dat dit zich in de afrondende fase bevindt. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich bij de afweging van belangen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen bij vaststelling van het plan zwaarder wegen dan het belang van [appellant sub 2] bij behoud van de woonbestemming. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden van [appellant sub 2] met betrekking tot zijn woon- en leefklimaat geen bespreking.

2.8.2. In de plantoelichting staat dat een toets heeft plaatsgevonden aan de Flora- en faunawet. Volgens deze toets kan er in het plangebied een aantal beschermde soorten voorkomen. Uit nader verricht onderzoek blijkt dat geen beschermde plantensoorten zijn aangetroffen. Beschermde vaste verblijfplaatsen van vogels zijn evenmin aangetroffen. De das en de kamsalamander zijn ook niet aanwezig in het plangebied. Een negatief effect op de overige beschermde dieren is volgens dit onderzoek niet aan de orde. Gelet hierop is volgens de plantoelichting geen ontheffing nodig van de Flora- en faunawet.

In de plantoelichting staat verder dat onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. In dit onderzoek staat dat de realisatie van het plan niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer.

2.8.3. In hetgeen [appellant sub 2] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek naar de flora en fauna en het onderzoek naar de luchtkwaliteit zodanige tekortkomingen vertonen dat de raad zich daarop niet in redelijkheid heeft mogen baseren bij de vaststelling van het plan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 2] zijn standpunt niet heeft onderbouwd. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte heeft gesteld dat de vaststelling van het plan niet in strijd is met de grenswaarden voor de luchtkwaliteit zoals opgenomen in de Wet milieubeheer.

2.8.4. Vaststaat dat de ontwerpstructuurvisie door provinciale staten van Gelderland is vastgesteld op 8 september 2009. De definitieve versie van de structuurvisie is vastgesteld op 30 juni 2010. Het plan is derhalve vastgesteld voor de vaststelling van de structuurvisie. Reeds hierom behoefde de raad geen rekening te houden met de structuurvisie van provinciale staten.

2.9. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 1] en anderen, voor zover dit niet ziet op de gewijzigde vaststelling van het plan, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 1] en anderen voor het overige en het beroep van [appellant sub 2] geheel ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Langeveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011

317-647.