Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201011297/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2010 heeft het college aan [vergunninghouders] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een manege en pensionstalling op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 18 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2011/33 met annotatie van Bokelaar
JOM 2011/147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011297/2/M2.

Datum uitspraak: 7 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], wonende te [woonplaats], alsmede [vennoot A] en [vennoot B], wonende te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2010 heeft het college aan [vergunninghouders] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een manege en pensionstalling op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 18 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2010, beroep ingesteld.

Voorts heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 december 2010, waar [verzoeker], van wie [vennoot A] in persoon, bijgestaan door mr. M.J. Smaling, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Geilswijk, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord [vergunninghouders], vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een oprichtingsvergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.3. Bij het bestreden besluit heeft het college een oprichtingsvergunning verleend ten behoeve van een manege, waar rijlessen, theorielessen en cursussen op het gebied van paardengezondheid en -verzorging, EHBO en therapie met paarden worden gegeven, en een kleinschalige pensionstalling. Binnen de inrichting mogen maximaal 2 paarden en 10 pony’s worden gehouden. Daarnaast ziet de oprichtingsvergunning op dagrecreatie in de vorm van onder meer spel- en themadagen en kinderfeestjes.

2.4. [verzoeker] betoogt dat de milieuvergunning is verleend voor activiteiten waar deze volgens het bestemmingsplan niet zijn toegestaan, nu het bestemmingsplan ter plaatse slechts één manege toestaat. Daartoe voert [verzoeker] aan dat op de plankaart slechts één bouwblok is weergegeven waarop een deel waarvan [verzoeker] reeds zijn manege drijft.

2.4.1. Volgens het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Binnenmaas’ uit 2004 en de ‘Correctieve Herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied Binnenmaas’ uit 2008 is de bestemming ter plaatse: terrein voor dagrecreatie, met als subbestemming ‘manege, tevens handboogschietbaan’. De planvoorschriften stellen geen beperkingen voor het aantal te vestigen maneges binnen de bestemming. Dat volgens de plankaart ter plaatse slechts één bouwblok is opgenomen, maakt op zichzelf niet dat het bestemmingspan aldaar slechts één manege toestaat.

De voorzitter gaat er voorshands van uit dat het college zich op goed gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunde activiteiten niet strijdig zijn met het bestemmingsplan en derhalve geen reden vormen om de vergunning wegens strijdigheid met het bestemmingsplan met toepassing van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer te weigeren. In zoverre bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.5. [verzoeker] stelt dat de woning aan de [locatie 2], die behoort tot de inrichting van [verzoeker], ten onrechte niet is meegenomen in de beoordeling van de geurbelasting vanwege de inrichting. Daartoe voert [verzoeker] aan dat het een burgerwoning is die niet tot de inrichting van [vergunninghouders] behoort.

2.5.1. Het college stelt zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009 in zaak nr. 200806627/1/H1 op het standpunt dat de onzelfstandige bedrijfswoning aan de [locatie 2] terecht buiten beschouwing is gelaten bij de toetsing aan de Wet geurhinder en veehouderij. De eigendommen van [verzoeker] van [vergunninghouders] zijn volgens het college juridisch planologisch één geheel. Er is sprake van één bouwperceel ten behoeve van de subbestemming ‘Manege, tevens handboogschieten’, waar de inrichtingen van [verzoeker] en [vergunninghouders] beide onderdeel van uitmaken. Dat nadien het desbetreffende perceel feitelijk is gesplitst, brengt geen verandering in de juridisch planologisch situatie ter plekke. Dit betekent dat de onzelfstandige bedrijfswoning aan de [locatie 2] geen bescherming toekomt, aldus het college.

2.5.2. In de uitspraak van 8 juli 2009 heeft de Afdeling - kort weergegeven en voor zover hier van belang - geoordeeld dat een woning die is afgesplitst van een veehouderij en als burgerwoning wordt gebruikt, terwijl deze woning op basis van het geldende bestemmingsplan slechts mag worden gebruikt als bedrijfswoning bij de veehouderij, voor de toepassing van de Wet geurhinder en veehouderij moet worden aangemerkt als een bedrijfswoning bij de veehouderij die ten opzichte van die veehouderij geen bescherming toekomt tegen geurhinder.

2.5.3. [verzoeker] drijft een inrichting gelegen op het perceel [locatie 2]. Tot 1992 behoorde het terrein waar de inrichting van [vergunninghouders] thans is gelegen met de daartoe behorende bedrijfswoning tot de inrichting van [verzoeker]. In 1992 is dat deel van het perceel - het huidige perceel [locatie 1] - feitelijk afgesplitst van het perceel van [verzoeker].

Op het perceel [locatie 2] is nadien een woning gerealiseerd. Deze woning maakt onderdeel uit van de inrichting van [verzoeker]. Deze woning betreft een onzelfstandige woning aan de bedrijfswoning [locatie 1].

2.5.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat op 10 juli 1992 een vrijstelling is verleend voor het gebruik van de woning [locatie 2] in aanvulling op en in samenhang met de bedrijfswoning [locatie 1]. Het gebruik van de onzelfstandige bedrijfswoning is wegbestemd in het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Binnenmaas’ uit 2004 en de ‘Correctieve Herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied Binnenmaas’ uit 2008. De aanwezigheid en het gebruik van deze woning als onzelfstandige bedrijfswoning moeten op grond van de verleende vrijstelling voor die woning worden geacht krachtens overgangsrecht te zijn toegestaan.

2.5.5. Beide inrichtingen en de daartoe behorende woningen vormen in juridisch planologische zin nog immer één geheel. Het gebruik van de woning [locatie 2] als burgerwoning is planologisch niet toegestaan. In dit licht bezien komt naar het voorlopig oordeel van de voorzitter de woning [locatie 2] in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij geen bescherming toe tegen geuremissie afkomstig van de naastgelegen inrichting. In zoverre bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Ten aanzien van de beroepsgronden over lichthinder, stofhinder en hinder van de opslag van vaste mest overweegt de voorzitter dat [verzoeker] heeft volstaan met te stellen dat hij deze hinder ondervindt zonder dit nader te onderbouwen. In zoverre is niet gebleken dat [verzoeker] een spoedeisend belang is gediend bij het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van de behandeling van de hoofdzaak.

2.7. De Voorzitter wijst, na afweging van de betrokken belangen, het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2011

375.