Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0533

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201005103/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005103/1/H2.

Datum uitspraak: 12 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) van 22 april 2010 in zaak nr. 08/35515 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie (thans: de minister voor Immigratie en Asiel).

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 5 september 2008 heeft hij het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 april 2010, verzonden op 23 april 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2010, hoger beroep ingesteld.

De minister van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. N. Akbalik, advocaat te Nijmegen, en de minister voor Immigratie en Asiel, vertegenwoordigd door mr. A.L. de Mik, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In het vervolg worden onder de minister voor Immigratie en Asiel tevens diens rechtsvoorgangers verstaan.

2.2. Op 2 december 1998 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende vergunning tot verblijf. Bij besluit van 26 juli 2002 heeft de minister deze aanvraag afgewezen en [appellant] tevens ongewenst verklaard. Op 28 december 2004 is [appellant] uitgezet. Bij besluit van 4 mei 2006 heeft de minister het door [appellant] tegen het besluit van 26 juli 2002 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de ongewenstverklaring opgeheven. Bij brief van 5 maart 2007 heeft de minister [appellant] medegedeeld dat hij wordt geacht over een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te beschikken.

2.3. Bij brief van 6 maart 2008 heeft [appellant] verzocht om vergoeding van de materiƫle en immateriƫle schade die hij door het besluit van 26 juli 2002 en de daaropvolgende uitzetting heeft geleden.

2.4. De minister heeft aan het besluit van 15 april 2008 ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan de gestelde vereisten om in aanmerking te komen voor schadevergoeding. Hij heeft dat standpunt in het besluit van 5 september 2008 gehandhaafd.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister de ongewenstverklaring niet heeft herroepen, buiten het geschil is getreden.

2.5.1. In het besluit van 5 september 2008 is uiteengezet dat het tegen de ongewenstverklaring gemaakte bezwaar op grond van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden gegrond is verklaard en de ongewenstverklaring weliswaar is herroepen, maar niet wegens aan de minister te wijten onrechtmatigheid daarvan, zodat geen grond voor schadevergoeding bestaat.

Aan het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de ongewenstverklaring niet onrechtmatig was, heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat uit het besluit van 4 mei 2006 valt af te leiden dat de ongewenstverklaring niet is herroepen, maar opgeheven. Met deze overweging is zij niet buiten het aan haar voorgelegde geschil getreden.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank, door te overwegen dat de ongewenstverklaring niet onrechtmatig was en het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet betekent dat de minister niet tot uitzetting bevoegd was, heeft miskend dat hij volgens de brief van 5 maart 2007 ten tijde van die ongewenstverklaring en die uitzetting hier te lande rechtmatig verblijf had en derhalve ten onrechte is uitgezet.

2.6.1. Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling, in afwijking van artikel 8, geen rechtmatig verblijf hebben.

Voor zover [appellant] ten tijde van zijn ongewenstverklaring en zijn uitzetting over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd beschikte, heeft de rechtbank daaruit terecht niet afgeleid dat hij hier te lande rechtmatig verblijf had en niet mocht worden uitgezet.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011

452.