Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0529

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201004855/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft het college [appellant] en [belanghebbende] op straffe van bestuursdwang gelast de zonder bouwvergunning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) opgerichte aanbouw te verwijderen en verwijderd te houden.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Woningwet 43
Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken
Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken 2
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4908
JOM 2011/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004855/1/H1.

Datum uitspraak: 12 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) van 1 april 2010 in zaak nr. 07/1528 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft het college [appellant] en [belanghebbende] op straffe van bestuursdwang gelast de zonder bouwvergunning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) opgerichte aanbouw te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het het door hen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 april 2010, verzonden op 7 april 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 juni 2010.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling naar een enkelvoudige verwezen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2010.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" de bestemming "Woondoeleinden met bebouwingsoppervlak B3". Niet in geschil is dat het gebouw erop (hierna: het gebouw) is opgericht als bijgebouw bij de woning op het perceel [locatie 2] en thans in gebruik is als woning. Evenmin is in geschil dat dit gebruik beschermd wordt door het overgangsrecht van het bestemmingsplan. Voor het oprichten van de aanbouw aan het gebouw is geen bouwvergunning verleend.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college krachtens artikel 40 van de Woningwet handhavend kon optreden, heeft miskend dat voor het oprichten van de aanbouw ingevolge artikel 2 van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb) geen bouwvergunning was vereist, nu het gebouw een bestaande woning is, het gebruik in overeenstemming is met het bestemmingsplan en voldaan wordt aan de in artikel 2, aanhef en onder a, van het Bblb gestelde eisen.

2.2.1. Ingevolge die bepaling, zoals zij luidde ten tijde van belang, wordt als bouwen van beperkte betekenis, als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet aangemerkt:

a. het bouwen van een op de grond staande aan- of uitbouw van één bouwlaag aan een bestaande woning of een bestaand woongebouw, die strekt tot vergroting van het woongenot, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1° gebouwd aan:

a) de oorspronkelijke achtergevel op meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen, of

b) een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerde oorspronkelijke zijgevel op meer dan 1 m van het voorerf en meer dan 1 m van het naburige erf,

2° niet hoger dan:

a) 4 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein,

b) 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van die woning of dat woongebouw, en

c) de woning of het woongebouw,

3° gebouwd binnen de breedte van de gevel waaraan de aan- of uitbouw wordt gebouwd,

4° minder dan 2,5 m diep,

5° zij- of achtererf door dat bouwen voor niet meer dan 50% bebouwd, en

6° niet gebouwd aan een woning of woongebouw als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet, aan een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet of aan een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is bestemd.

2.2.2. Zelfs indien het gebouw een 'bestaande woning of bestaand woongebouw' zou zijn in de zin van artikel 2, aanhef en onder a, van het Bblb, kan dat [appellant] niet baten, omdat in dat geval niet wordt voldaan aan de in die bepaling onder 1, onder a en b, vervatte eisen. De aanbouw is gebouwd op het voorerf, zodat het oprichten daarvan niet kan worden aangemerkt als bouwen van beperkte betekenis, als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet.

Het betoog faalt.

2.3. De conclusie is dat met de oprichting van de aanbouw in strijd met artikel 40 van de Woningwet is gehandeld, zodat het college daartegen handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om daartegen handhavend op te treden in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het dat niet doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat om die reden daarvan in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij ten onrechte als overtreder van het verbod van artikel 40 van de Woningwet is aangemerkt, omdat niet hij degene is geweest die de aanbouw heeft opgericht, maar zijn schoonvader.

2.4.1. Dit betoog slaagt evenmin. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 mei 2006 in zaak nr. 200506468/1), moet als overtreder worden aangemerkt degene die het te handhaven voorschrift heeft geschonden en het in zijn macht heeft om aan de overtreding een eind te maken.

Niet in geschil is dat [appellant] eigenaar is van het perceel en hij dat was, voordat de aanbouw werd opgericht. Voorts heeft de schoonvader van [appellant] ter zitting van de rechtbank desgevraagd bevestigd dat hij de aanbouw heeft gebouwd en [appellant] er geen bezwaar tegen had dat hij zijn woning groter en mooier maakte. Onder deze omstandigheden heeft het college [appellant] niet ten onrechte aangemerkt als degene die het te handhaven voorschrift heeft geschonden en het in zijn macht heeft om aan de overtreding een eind te maken.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college van handhavend optreden moest afzien, omdat concreet zicht op legalisering van de aanbouw bestaat. Bij besluit van 2 februari 2009 heeft de raad van de gemeente Heeze-Leende het bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" vastgesteld. Daarin is de woning op het perceel positief bestemd, aldus [appellant].

2.5.1. Ook dit betoog slaagt niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 februari 2009 in zaak nr. 200802786/1), moet voor het aannemen van concreet zicht op legalisering door herziening van het bestemmingsplan in de regel ten tijde van het besluit op bezwaar een ontwerp van de herziening ter inzage zijn gelegd. Dat is hier niet het geval. Het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" heeft van 14 augustus tot en met 24 september 2008 ter inzage gelegen. De rechtbank heeft dan ook terecht ten tijde van het besluit van 20 maart 2007 geen concreet zicht op legalisering aangenomen.

2.6. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat handhavend optreden in dit verband onevenredig is, gelet op de met het college gemaakte afspraken. Handhavend optreden maakt volgens hem niet alleen de gemaakte afspraken, maar ook de bestemmingsplanprocedure illusoir.

2.6.1. Dit betoog faalt, reeds omdat het bouwen van de aanbouw zonder bouwvergunning geen overtreding is van zo geringe aard en ernst, dat deswege van handhavend optreden mocht worden afgezien.

2.7. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank de last ten onrechte voldoende duidelijk heeft geacht.

2.7.1. Dit betoog slaagt evenmin. Bij de stukken bevinden zich foto's van 5 december 2001 waarop de aanbouw in oprichting te zien is. Voorts zijn er rapportages van ambtenaren van 2 maart en 31 augustus 2006, waarin is vermeld dat de aanbouw niet is afgebroken, waarbij foto's zijn gevoegd waarop is te zien dat de aanbouw gereed is. Ook is tijdens de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie van 12 december 2006 namens [appellant] door M. Davits, architect, verklaard dat de aanbouw een oppervlakte heeft van 12 m² en volgens hem dient te worden aangemerkt als bijgebouw dat vergunningsvrij mag worden opgericht. Onder deze omstandigheden is voor [appellant] duidelijk, welk deel van het gebouw wordt bedoeld met "de zonder bouwvergunning opgerichte aanbouw op het perceel [locatie 1]" die hij dient te verwijderen en verwijderd te houden, als vermeld in de besluiten van 4 oktober 2006 en 20 maart 2007.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011

488.