Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0523

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201006394/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2008 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, de aanvragen van [wederpartij] voor ligplaatsvergunningen voor de bedrijfsvaartuigen "Bok", "Drijvende Dok" en "De Blauwe Werkboot" afgewezen en [wederpartij] onder aanzegging van bestuursdwang gelast binnen negen maanden na een nog te nemen besluit (lees: dit besluit) tot effectuering van de bestuursdwang de bedrijfsvaartuigen te verwijderen en verwijderd te houden uit het stadsdeel Amsterdam West.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4936
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006394/1/H3.

Datum uitspraak: 12 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel West,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2010 in zaak nr. 08/4939 in het geding tussen:

[wederpartij], wonende te [woonplaats]

en

het dagelijks bestuur.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2008 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, de aanvragen van [wederpartij] voor ligplaatsvergunningen voor de bedrijfsvaartuigen "Bok", "Drijvende Dok" en "De Blauwe Werkboot" afgewezen en [wederpartij] onder aanzegging van bestuursdwang gelast binnen negen maanden na een nog te nemen besluit (lees: dit besluit) tot effectuering van de bestuursdwang de bedrijfsvaartuigen te verwijderen en verwijderd te houden uit het stadsdeel Amsterdam West.

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het dagelijks bestuur het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en gelast dat, voor zover thans van belang, het bedrijfsvaartuig "Bok" uiterlijk 31 december 2008 en de bedrijfsvaartuigen "Drijvende Dok" en "De Blauwe Werkboot" uiterlijk 1 juli 2009 zijn verwijderd.

Bij uitspraak van 1 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 oktober 2008 vernietigd, het besluit van 31 januari 2008 herroepen en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag (lees: aanvragen) te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 juli 2010.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] en het dagelijks bestuur hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2010, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A. Weijenberg, P. van de Wiel en P. Eckoldt, allen werkzaam bij de dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. G.H. Schoorl, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts hebben W. Soesman en M.J. Luik een verklaring afgelegd.

2. Overwegingen

De ligplaatsvergunningen

2.1. Ingevolge artikel 1.2.7. van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (hierna: de Vhb) kan een vergunning of ontheffing worden geweigerd in geval van strijd met het bestemmingsplan, onverminderd de elders in deze verordening genoemde weigeringsgronden.

Ingevolge artikel 2.4.1, eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van vergunning van het college met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen.

Volgens de Nota Amsterdam te water 1995 (hierna: de Nota) bestaat er voor bedrijfsvaartuigen een strikt verbod om ligplaats in te nemen aangezien de schaarste van de openbare waterruimte en de wens om het water zoveel mogelijk open te houden dwingt tot het stellen van prioriteiten ten aanzien van het gebruik. Vergunning wordt alleen verleend als de aan boord ontplooide activiteit watergebonden is zoals onder andere een scheepsreparatiebedrijf.

Volgens het besluit Instelling beëindiging vergunningverlening bedrijfsvaartuigen binnenstad en Havenatlasgebied van 17 december 1996 (hierna: het Instellingsbesluit), dat op 20 december 1996 in werking is getreden, voor zover thans van belang, is door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloten:

I. te bepalen, dat de positie van slechts die bedrijfsvaartuigen die op 18 december 1996 ligplaats hebben in de binnenstad of het Havenatlasgebied, door hen zal worden beoordeeld op de vraag of er sprake kan zijn van vergunningverlening;

II. te bepalen, dat aanvragen voor een ligplaatsvergunning voor een nieuw neer te leggen bedrijfsvaartuig die zijn ingediend na 18 december 1996 worden afgewezen.

2.2. Het dagelijks bestuur heeft aan de in bezwaar gehandhaafde weigering tot verlening van de ligplaatsvergunningen ten grondslag gelegd dat [wederpartij] niet heeft aangetoond dat hij op 18 december 1996 met zijn bedrijfsvaartuigen ligplaats had in het Havenatlasgebied of de binnenstad en dat het, nu van bijzondere omstandigheden niet was gebleken, ingevolge de bepalingen uit de Vhb en het beleid, zoals dat is verwoord in het Instellingsbesluit, de gevraagde ligplaatsvergunningen niet mocht verlenen.

2.2.1. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde beginsel van zorgvuldige voorbereiding. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat alleen met officiële documenten, zoals jaarrekeningen en belastinggegevens, en niet op andere wijze kan worden aangetoond dat er drie bedrijfsvaartuigen op 18 december 1996 in het betreffende gebied lagen. Gelet op de door [wederpartij] overgelegde bewijsmiddelen en de verklaring van de ter zitting gehoorde [getuige], acht de rechtbank aannemelijk gemaakt dat met drie bedrijfsvaartuigen reeds op genoemde datum een scheepsreparatiebedrijf is uitgeoefend.

2.2.2. Het dagelijks bestuur heeft hiertegen aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte waarde heeft gehecht aan de overgelegde bewijsmiddelen en voormelde getuigenverklaring. [wederpartij] heeft zijn bedrijf pas op 15 december 1997 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en in 1998 voor het eerst aangifte gedaan bij de belastingdienst met terugwerkende kracht tot 15 december 1997, aldus het dagelijks bestuur.

2.2.3. [wederpartij] heeft een bedrijf in reparatie en onderhoud van tuindervletten, genaamd Bergingsbedrijf De Tuindersvlet en heeft daarvoor thans nog drie bedrijfsvaartuigen. Vanaf 15 december 1997 staat zijn bedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als eenmansbedrijf. In geschil is of [wederpartij] aannemelijk heeft gemaakt dat drie bedrijfsvaartuigen vóór 18 december 1996 ligplaats hadden in de binnenstad of het Havenatlasgebied en dat op die peildatum met die bedrijfsvaartuigen een reëel bedrijf werd uitgeoefend. Zoals ter zitting in hoger beroep door het dagelijks bestuur is bevestigd, is immers niet vereist dat het bedrijfsvaartuig hetzelfde vaartuig is als waarvoor de aanvraag wordt gedaan en is evenmin vereist dat het bedrijf door dezelfde persoon wordt geëxploiteerd.

In het Instellingsbesluit en de Nota staat niet met welke bewijsmiddelen moet worden aangetoond dat aan de criteria met betrekking tot de verlening van ligplaatsvergunningen wordt voldaan. Het dagelijks bestuur heeft ook geen beleidsregels opgesteld waarin dat is vastgelegd. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het standpunt van het dagelijks bestuur, dat alleen met officiële documenten kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden is voldaan, te beperkend is en dat een redelijke uitleg van het Instellingsbesluit en de Nota met zich brengt dat [wederpartij] in beginsel met alle mogelijke bewijsmiddelen aannemelijk mag maken dat hij aan de criteria voldoet. Daarbij acht de Afdeling van belang dat bewijs moet worden geleverd omtrent een periode van ruim elf jaar geleden en dat, zoals niet is bestreden, voor een eenmansbedrijf destijds niet een verplichting gold tot inschrijving bij de Kamer van Koophandel of tot het opstellen van jaarrekeningen.

[wederpartij] heeft gesteld dat hij sinds ongeveer 1987 gebruik maakt van een of meerdere bedrijfsvaartuigen en dat hij sinds begin jaren 90 is gevestigd op de huidige locatie; in eerste instantie samen met [belanghebbende], maar geleidelijk is hij volledig eigenaar geworden van het Bergingsbedrijf De Tuindersvlet. [wederpartij] heeft in bezwaar overgelegd een kwitantie van de Sluis-, Brug- en Havengelddienst van 14 maart 1995, waarop staat dat hij op 1 januari 1995 met een voertuig van zeven meter lengte ligplaats had, brieven van Binnenwaterbeheer Amsterdam van 18 maart 1996, 27 februari 1996 en 18 november 1996, waaruit blijkt dat hij een ligplaats in gebruik had in het Entrepotdok, een luchtfoto uit 1984, een verklaring van H. van Broekhuijze dat hij in de winter/het voorjaar van 1994/1995 het bergingsschip "Drijvende Dok" heeft verkocht aan het bedrijf van [belanghebbende] en [wederpartij], een verklaring van de oprichter/secretaris van de op 10 december 1995 opgerichte vereniging TuindersVletvereniging Amsterdam van 11 september 2007 en enkele publicaties van die vereniging uit 1996, waarin advertenties staan van [belanghebbende] en [wederpartij] en hun Bergingsbedrijf De Tuindersvlet. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [wederpartij], in het bijzonder gelet op de verklaring betreffende de koop van het drijvende Dok, de verklaring van de oprichter/secretaris van de TuindersVletvereniging Amsterdam, [getuige], waarvan de inhoud overeenkomt met de ter zitting in hoger beroep afgelegde verklaringen van Soesman en Luik, en de stukken van die vereniging, aannemelijk heeft gemaakt dat hij al dan niet samen met [belanghebbende] met drie bedrijfsvaartuigen ter plaatse vóór 18 december 1996 een reëel scheepsreparatiebedrijf uitoefende. Het dagelijks bestuur heeft geen bewijs bijgebracht dat doet twijfelen aan dit door [wederpartij] geleverde bewijs. De door het dagelijks bestuur overgelegde verklaringen van [voormalige medewerker] van het stadsdeel, die vanaf juli 1998 onder andere was belast met handhaving, controle en toezicht in de Houthavens, zijn daarvoor onvoldoende.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het besluit van 31 januari 2008 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De bestuursdwang

2.3. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit tot toepassing van bestuursdwang heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat nu [wederpartij] niet in aanmerking komt voor ligplaatsvergunningen, die vaartuigen illegaal in het stadsdeel liggen, en dat geen omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan van bestuursdwang moet worden afgezien.

2.3.1. Het dagelijks bestuur heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het besluit tot aanzegging van bestuursdwang heeft vernietigd.

2.3.2. Dit betoog slaagt niet. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de rechtbank terecht overwogen dat aan het dagelijks bestuur niet de bevoegdheid toekwam tot toepassing van bestuursdwang en heeft zij terecht het besluit van 28 oktober 2008 in zoverre vernietigd en het besluit van 31 januari 2008 in zoverre herroepen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel West tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het dagelijks bestuur van het stadsdeel West een griffierecht van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011

290.