Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0513

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201009576/1/R1 en 201009576/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het dagelijks bestuur het uitwerkingsplan "16e Uitwerking van het bestemmingsplan Nesselande" (hierna: het uitwerkingsplan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2011/44 met annotatie van P.M.J. de Haan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009576/1/R1 en 201009576/2/R1.

Datum uitspraak: 5 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], en anderen,

appellanten,

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins Alexander,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het dagelijks bestuur het uitwerkingsplan "16e Uitwerking van het bestemmingsplan Nesselande" (hierna: het uitwerkingsplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de maatschap en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2010, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben de maatschap en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen in enkelvoud: [belanghebbende]) en [belanghebbende C] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 december 2010, waar de maatschap en anderen, vertegenwoordigd door [maat B], bijgestaan door mr. J.C.M. Damming, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman en E. Pot, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord [belanghebbende], in de persoon van [belanghebbende A], bijgestaan door mr. J.M. Smits, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand.

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting een nader stuk in het geding gebracht.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het uitwerkingsplan vormt een deeluitwerking van het op 14 januari 1999 vastgestelde en op 10 augustus 1999 goedgekeurde bestemmingsplan "Nesselande" (hierna: het bestemmingsplan) en heeft betrekking op, voor zover thans van belang, gronden aan het Zuideinde met de bestemming "Lintbebouwing, uit te werken (L)". Het uitwerkingsplan voorziet, voor zover thans van belang, in de bouw van woningen.

2.3. Het beroep van de maatschap en anderen is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Woningen (W)", voor zover deze bestemming is toegekend aan gronden die op minder dan 50 meter liggen van de percelen waarop de melkveehouderij respectievelijk het akkerbouwbedrijf van de maatschap en anderen gevestigd is.

De maatschap en anderen betogen dat zij in hun bedrijfsvoering worden belemmerd doordat op minder dan 50 meter afstand van hun bedrijven woningen mogelijk worden gemaakt. Zij achten dit in strijd met artikel 5, vierde lid, onder f, van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan, waarin is neergelegd dat bij de uitwerking van de bestemming "Wonen aan het water, uit te werken (WW)" rekening dient te worden gehouden met eventuele beperkingen die de te handhaven bedrijven genoemd in bijlage A met zich brengen. Zij wijzen hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2009, zaak nr. 200804800/1/R2 (www.raadvanstate.nl).

2.3.1. Het dagelijks bestuur stelt dat uit voornoemde uitspraak van de Afdeling niet volgt dat gronden gelegen binnen 50 meter van de bedrijven van de maatschap en anderen vrij zouden moeten blijven van bebouwing. Verder stelt het dagelijks bestuur zich op het standpunt dat uit deze uitspraak van de Afdeling volgt dat de maatschap en anderen milieuvergunningen moeten aanvragen voor hun bedrijven en dat bij de beoordeling van die aanvragen de verwezenlijking van de in de uitwerking voorziene woningen een belangrijke rol speelt.

2.3.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan, zijn gronden met de bestemming "Lintbebouwing, uit te werken (L)" onder meer bestemd voor woningen en bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten behorende bij de voorschriften alsmede daarmee, naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen bedrijven.

Ingevolge het tweede lid zijn in afwijking van het bepaalde in het eerste lid ten aanzien van de functie bedrijven tevens toegestaan de op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan "Nesselande" bestaande bedrijven, die in bijlage A, onderdeel uitmakend van de voorschriften, zijn genoemd. Deze bestaande bedrijven mogen worden vergroot met maximaal 10% van het bedrijfsvloeroppervlak dat aanwezig is op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

Ingevolge het vijfde lid, onder e, dient bij de uitwerking onder meer rekening te worden gehouden met eventuele beperkingen die de te handhaven bedrijven (zie bijlage A, onderdeel uitmakend van deze voorschriften) met zich brengen, zoals stankcirkels.

Ingevolge bijlage A behorende bij het bestemmingsplan zijn ter plaatse van [locatie 1] een melkrundveebedrijf in categorie 3 met een bebouwd bedrijfsvloeroppervlak van 765 m² en een akkerbouwbedrijf in milieucategorie 3 met een bebouwd bedrijfsvloeroppervlak van 1.350 m² toegestaan.

2.3.3. De voorzitter stelt voorop dat het uitwerkingsplan strekt tot uitwerking van de bestemming "Lintbebouwing, uit te werken (L)", zodat gelet daarop niet artikel 5, maar artikel 6 van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan van toepassing is. Ter zitting is door het dagelijks bestuur toegelicht dat aan artikel 6 dezelfde uitleg moet worden gegeven als aan artikel 5. Dit houdt in dat de maatschap en anderen in de voortzetting van hun huidige bedrijfsvoering zouden kunnen worden belemmerd indien zij na verwezenlijking van de in de uitwerking voorziene woningen een milieuvergunning moeten aanvragen, hetgeen niet in overeenstemming is met artikel 6, vijfde lid, onder e, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan.

2.3.4. Ter zitting is gebleken dat vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend voor de bouw van een woning op perceel [locatie 2]. Deze woning is inmiddels gerealiseerd en ligt op een afstand van ongeveer 45 meter van de bedrijfsbebouwing van de maatschap en anderen. Deze vrijstelling en bouwvergunning zijn inmiddels in rechte onaantastbaar. Voor zover het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft gesteld dat de bedrijven van de maatschap en anderen reeds daarom milieuvergunningplichtig zijn geworden en derhalve niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd vanwege de in het uitwerkingsplan voorziene woning nabij hun bedrijven, stelt de voorzitter op grond van de verbeelding vast dat in het uitwerkingsplan een woning mogelijk wordt gemaakt op een afstand van ongeveer 18 meter van de bedrijven van de maatschap en anderen. De voorzitter acht het aannemelijk dat die woning een verdere belemmering van de bedrijfsvoering van de maatschap en anderen met zich brengt nu deze woning aanzienlijk dichter bij die bedrijven is voorzien dan de bestaande woning die op perceel 30L is gelegen. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft het dagelijks bestuur dit niet onderkend. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat in het uitwerkingsplan onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen die de bedrijven van de maatschap en anderen met zich brengen voor de voorziene woning. Gelet hierop is niet voldaan aan de uitwerkingsregel van artikel 6, vijfde lid, onder e, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan.

2.4. De maatschap en anderen betogen voorts dat ter plaatse van de voorziene woning geen goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd, omdat het akkerbouwbedrijf van de maatschap en anderen dat op het perceel [locatie 1] is gevestigd, op een afstand van minder dan 50 meter van de woning ligt.

2.4.1. Blijkens de verbeelding wordt direct aangrenzend aan de perceelsgrens van het akkerbouwbedrijf woningbouw mogelijk gemaakt.

In de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) wordt een akkerbouwbedrijf aangemerkt als een bedrijf in milieucategorie 2 waarbij een richtafstand tot een rustige woonwijk van 30 meter wordt aanbevolen ter voorkoming van geluidsoverlast in nieuwe situaties. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat de in de VNG-brochure genoemde afstand van 30 meter een indicatieve afstand betreft die dient te worden aangehouden vanaf de bedrijfsbebouwing tot aan de woningen. In het gemeentelijk beleid "Bedrijven en milieuzonering Rotterdam" (hierna: het gemeentelijk beleid) zijn bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de VNG-brochure zonder meer toegestaan onder of naast woningen, tenzij het milieuaspect gevaar bepalend is voor de afstand tot de woningen, aldus het dagelijks bestuur. Dit is hier volgens het dagelijks bestuur niet aan de orde. Ter zitting is van de zijde van het dagelijks bestuur voorts toegelicht dat in de omstandigheid dat de bestaande woning op perceel Zuideinde 30L op minder dan 30 meter afstand van de perceelsgrens van het akkerbouwbedrijf staat aanleiding is gezien in het uitwerkingsplan af te wijken van de in de VNG-brochure aanbevolen aan te houden afstand van 30 meter.

2.4.2. De voorzitter overweegt dat de in de VNG-brochure aanbevolen afstand in principe geldt tussen enerzijds de perceelsgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van een woning. Het dagelijks bestuur heeft zich aldus ten onrechte op het standpunt gesteld dat de richtafstand van 30 meter dient te worden gemeten vanaf de bedrijfsbebouwing tot aan de gevel van de voorziene woningen, nu ook buiten de bedrijfsbebouwing op het perceel hinderveroorzakende activiteiten kunnen plaatsvinden. De in de VNG-brochure opgenomen afstanden zijn indicatief en afwijking hiervan in verband met de specifieke omstandigheden van het betrokken gebied is mogelijk, met dien verstande dat een afwijking zorgvuldig dient te worden gemotiveerd. Nu direct aangrenzend aan de perceelsgrens van het akkerbouwbedrijf woningbouw mogelijk wordt gemaakt, dient te worden vastgesteld dat in dit geval in aanzienlijke mate is afgeweken van de in de VNG-brochure aanbevolen afstand. Door te stellen dat reeds een woning op een afstand van minder dan 30 meter van de perceelsgrens van het akkerbouwbedrijf staat, heeft het dagelijks bestuur niet beoordeeld of ter plaatse van de direct aangrenzend aan de perceelsgrens van het akkerbouwbedrijf mogelijk gemaakte woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de afstand tussen de perceelsgrens van het akkerbouwbedrijf en de gevel van de woning op perceel [locatie 2] ongeveer 26 meter bedraagt, gemeten vanaf de verbeelding. Voor zover het dagelijks bestuur ter motivering van de afwijking van de in de VNG-brochure aanbevolen afstand heeft gesteld dat op grond van het gemeentelijk beleid een akkerbouwbedrijf zonder meer is toegestaan naast woningen, overweegt de voorzitter dat het dagelijks bestuur niet in dat standpunt kan worden gevolgd nu een akkerbouwbedrijf in het gemeentelijk beleid is aangemerkt als een bedrijf in milieucategorie 3 waarbij een richtafstand tot een rustige woonwijk van 100 meter wordt aanbevolen. Gelet op het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd dat ter plaatse van de direct aangrenzend aan de perceelsgrens van het akkerbouwbedrijf mogelijk gemaakte woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. De stelling van het dagelijks bestuur dat de feitelijke milieubelasting van het akkerbouwbedrijf gering is, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien ter zake dient te worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt.

2.5. Het beroep van de maatschap en anderen is voorts gericht tegen de aanduiding 'maximaal bebouwingspercentage 28%', welke is toegekend aan het perceel Zuideinde 28, en tegen de aanduiding 'maximaal bebouwingspercentage 23%', welke is toegekend aan het perceel Zuideinde 30. Zij betogen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de 10% uitbreidingsmogelijkheid zoals geboden in artikel 6, tweede lid, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan.

2.5.1. Ter zitting heeft het dagelijks bestuur erkend dat in het uitwerkingsplan geen rekening is gehouden met de in artikel 6, tweede lid, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan aan de bedrijven van de maatschap en anderen geboden uitbreidingsmogelijkheid van maximaal 10% van het bedrijfsvloeroppervlak. Voor zover het dagelijks bestuur ter zitting heeft betoogd dat in het bestemmingsplan aan de bedrijven van de maatschap en anderen een maatbestemming is toegekend en dat een uitbreiding van het bedrijfsvloeroppervlak zich niet verdraagt met een dergelijke beperkte bestemming, overweegt de voorzitter dat het dagelijks bestuur daarmee miskent dat die uitbreidingsmogelijkheid reeds is voorzien in datzelfde bestemmingsplan. De voorzitter is dan ook van oordeel dat het dagelijks bestuur het niet toekennen van een uitbreidingsmogelijkheid van maximaal 10% van het bedrijfsvloeroppervlak aan de bedrijven van de maatschap en anderen onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.6. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter in het door de maatschap en anderen aangevoerde aanleiding voor het oordeel dat het uitwerkingsplan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 6, tweede en vijfde lid, onder e, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met voornoemde artikelen en artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. In dat verband overweegt de voorzitter nog dat, indien met betrekking tot het bebouwingspercentage zou worden volstaan met vernietiging van de door de maatschap en anderen bestreden aanduidingen 'maximaal bebouwingspercentage 28%' en 'maximaal bebouwingspercentage 23%', voor zover toegekend aan de gronden van de maatschap en anderen, voor die gronden een maximumbebouwingspercentage van 30 per bouwperceel zou gelden, gelet op artikel 4, derde lid, onder b, eerste gedachtestreepje, van de planregels. Nu onduidelijk is of dat overeenkomt met het bestaande bedrijfsvloeroppervlak plus maximaal 10%, ziet de voorzitter aanleiding het plandeel met de bestemming "Gemengde bebouwing II (Gb II)", voor zover betrekking hebbend op de percelen [locatie 3] en [locatie 1], te vernietigen.

2.7. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins Alexander van 17 augustus 2010, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Woningen (W)" zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart en voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Gemengde bebouwing II (Gb II)", met betrekking tot de percelen [locatie 2] en [locatie 1];

III. gelast dat het dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins Alexander aan [appellante] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep en het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 596,00 (zegge: vijfhonderdzesennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011

472-634.

<HR>

plankaart