Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0508

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201004483/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap Timpaan Projecten B.V. sloopvergunning verleend voor het slopen van een aanbouw, entree en fietsenstalling met asbesthoudende materialen behorend bij de kerk gelegen aan de Turfmarkt 58 te Gouda (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2011/3 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004483/1/H1.

Datum uitspraak: 12 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 maart 2010 in zaak nr. 09/4882 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap Timpaan Projecten B.V. sloopvergunning verleend voor het slopen van een aanbouw, entree en fietsenstalling met asbesthoudende materialen behorend bij de kerk gelegen aan de Turfmarkt 58 te Gouda (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 mei 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 mei 2009 vernietigd en het door [appellant] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij op 4 mei 2010 aangetekende verzonden brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Timpaan een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2010, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door F.A. Bottenberg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Timpaan, vertegenwoordigd door mr. L. Lobbes en H.J. van Klinken, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het perceel is gelegen in een gebied dat is aangewezen als een beschermd stadsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988.

Ingevolge artikel 37 van de Monumentenwet 1988, zoals dat luidde ten tijde van belang, is het in beschermde stads- of dorpsgezichten verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning). Paragraaf 3.4.2 van de Wet ruimtelijke ordening is op deze vergunning van toepassing.

Ingevolge artikel 3.20, tweede lid, zoals dat luidde ten tijde van belang, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) mag de sloopvergunning worden geweigerd indien een bouwvergunning kan worden verleend voor een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk doch deze vergunning nog niet is aangevraagd.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, doen burgemeester en wethouders, indien de vergunning een bouwwerk dat behoort tot een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988, tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking mededeling van de beslissing aan de inspecteur onderscheidenlijk de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college [appellant] ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen als bedoeld in artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.2.1. Ingevolge artikel 4:8, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

2.2.2. [appellant] heeft zijn zienswijze en bezwaren betreffende het besluit van 12 januari 2009 naar voren kunnen brengen op de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie Gouda van 21 april 2009. Daargelaten of het college [appellant] ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld in een eerder stadium zijn zienswijze naar voren te brengen, is hierdoor een eventuele schending van artikel 4:8 van de Awb genoegzaam hersteld. Gelet daarop kan het betoog van [appellant] niet leiden tot het ermee door hem beoogde doel.

2.3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 8.1.6, aanhef en onder c, van de bouwverordening 1993 van de gemeente Gouda (hierna: de bouwverordening), gelezen in samenhang met artikel 28, eerste lid, van de verordening inzake monumenten en archeologie van Gouda (hierna: de monumentenverordening). Hij voert daartoe aan dat voor de beoogde sloopwerkzaamheden geen archeologievergunning is verleend.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.1.6, aanhef en onder c, van de bouwverordening moet een sloopvergunning worden geweigerd indien een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de monumentenverordening is het verboden om zonder archeologievergunning werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die door het college is aangewezen als hoogwaardige locatie of als locatie met een hoge verwachting, tenzij voor deze werkzaamheden op grond van artikel 9 van deze verordening reeds een reguliere monumentenvergunning is vereist.

2.3.2. Het college heeft bij besluit van 3 april 2009 een vergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de monumentenverordening voor de voorgenomen sloopwerkzaamheden verleend. Het betoog faalt derhalve.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat aan de bij besluit van 29 mei 2009 verleende sloopvergunning het voorschrift is verbonden dat bij de uitvoering van de beoogde sloopwerkzaamheden het werkterrein van een deugdelijke afzetting moet zijn voorzien, maar dat de voor de oprichting daarvan vereiste bouwvergunning nog niet is verleend.

2.4.1. Dit betoog faalt. Het door [appellant] bedoelde voorschrift betreft geen vereiste voor het verlenen van een sloopvergunning. Dat voor de oprichting van voormelde afzetting geen daartoe vereiste bouwvergunning is verleend, kan, wat verder van de juistheid van deze stelling zij, daarom niet aan de verlening van de gevraagde sloopvergunning in de weg staan.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 3.20, tweede lid, van de Wro neergelegde bevoegdheid om de gevraagde sloopvergunning te weigeren. Hij voert daartoe aan dat door het slopen van de aanbouw, die de fysieke scheiding vormt tussen het perceel en het naastgelegen perceel van [appellant], de tuin van [appellant] direct wordt verbonden met het op het perceel gelegen terrein van de kerk.

2.5.1. Het college heeft zich ter zitting in beroep op het standpunt gesteld dat door het slopen van de aanbouw, entree en fietsenstalling op het perceel geen sprake zal zijn van een zodanige kaalslag dat het in redelijkheid de gevraagde sloopvergunning niet had kunnen verlenen voordat bouwvergunning zou zijn aangevraagd voor een in plaats van de te slopen bouwwerken op te richten bouwwerk. In het door [appellant] aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich in redelijkheid niet op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Het betoog faalt derhalve.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college van de beslissing om de gevraagde sloopvergunning te verlenen geen mededeling heeft gedaan aan de inspecteur onderscheidenlijk de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten als bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, van de Wro.

2.6.1. Dit betoog faalt. De omstandigheid dat het college voormelde mededeling niet heeft gedaan staat niet aan de rechtmatigheid van het besluit van 29 mei 2009 in de weg.

2.7. Ten slotte faalt het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college fouten heeft gemaakt bij het laten slopen van een asbesthoudende dakbedekking van een fietsenstalling aan de linkerzijde van de kerk op het perceel. In deze procedure wordt de rechtmatigheid beoordeeld van het besluit van 29 mei 2009 en dat besluit ziet niet op de sloop van voormelde fietsenstalling.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2010

543.