Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP0504

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
201003023/5/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Wientjesvoort-Noord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003023/5/R2.

Datum uitspraak: 4 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C[ en [verzoeker D], wonend te [woonplaats] en [verzoeker E], wonend te [woonplaats], (hierna: [verzoekers])

en

de raad van de gemeente Bronckhorst,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Wientjesvoort-Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2010, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 december 2010, waar [verzoekers], in persoon en bijgestaan door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Deventer, en de raad, vertegenwoordigd door M. Jolink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting verschenen [belanghebbenden], bijgestaan door mr. S.P.M. Schaap, advocaat te Enschede, en R.W. Engbers, adviseur.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoekers] verzoeken om schorsing van het bestemmingsplan Wientjesvoort-Noord, opdat niet begonnen kan worden met de bouw van twee clusters van drie woningen en een appartementencomplex van 35 recreatiewoningen op het landgoed Wientjesvoort-Noord.

Zij voeren hiertoe aan dat de raad geen juiste belangenafweging heeft gemaakt, doordat geen correct beeld bestond met betrekking tot de natuurwaarden in het plangebied. Zij stellen dat dit onder meer blijkt uit de omstandigheid dat de raad er ten onrechte vanuit was gegaan dat geen bomen gekapt zouden hoeven worden ten behoeve van de bouw van de woningen.

Verder betogen [verzoekers] dat de raad ten onrechte uitgaat van hetgeen het vorige bestemmingsplan mogelijk maakte. Aangezien er feitelijk geen landschapscamping meer wordt geƫxploiteerd op het landgoed, had de raad, eventueel na het nemen van een voorbereidingsbesluit, een bestemming moeten toekennen die meer recht doet aan de natuurwaarden in het plangebied, aldus [verzoekers].

2.3. De voorzitter heeft ten aanzien van het voorliggende bestemmingsplan reeds twee inhoudelijke uitspraken gedaan. Op 20 juli 2010, in zaaknummer 201003023/2/R2, heeft de voorzitter uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening, ingediend door de Stichting Gelderse Milieufederatie. Dat verzoek is afgewezen. Op 9 september 2010, in zaaknummer 201003023/4/R2, heeft de voorzitter het verzoek van [verzoeker A] om een voorlopige voorziening afgewezen.

In deze uitspraken heeft de voorzitter onder meer overwogen dat uit verrichte ecologische onderzoeken volgt dat de staking van de kampeeractiviteiten op het landgoed Wientjesvoort-Noord gunstig is geweest voor de ecologische ontwikkeling op het landgoedterrein. In de uitspraak van 20 juli 2010 heeft de voorzitter verwezen naar de mededeling die ter zitting is gedaan door de raad en [belanghebbenden] dat de gekozen locaties van de woonclusters niet tot kap van bomen op het landgoed zullen leiden. Omdat er vervolgens voor is gekozen om de woonclusters anders te positioneren, waardoor kap van bomen noodzakelijk werd, heeft de voorzitter in de uitspraak van 9 september 2010 overwogen dat uit de plantoelichting en een Flora en fauna scan is gebleken dat bij de totstandkoming van het plan ervan is uitgegaan dat enige bomen zullen moeten worden gekapt. De voorzitter zag in de uitspraak van 9 september 2010 geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen ten aanzien van hetgeen is aangevoerd over strijd met het provinciale beleid dan in de uitspraak van 20 juli 2010.

2.3.1. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat bij de besluitvorming inzake de vaststelling van het bestemmingsplan is betrokken dat bomen gekapt zullen moeten worden ten behoeve van bouw van de woningen in het plangebied. Uit het rapport van Engbers Bosbeheer van 2 oktober 2005 volgt dat bij de bouw van de meest noordelijk gelegen wooncluster de grootste hoeveelheid bos zal verdwijnen. Nu reeds bekend was dat bomen gekapt zullen moeten worden en dit in de uitspraak van 9 september 2010 is onderkend, geeft hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd de voorzitter geen aanleiding om in zoverre tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraak van 9 september 2010.

2.3.2. De raad heeft er ter zitting voorts op gewezen dat [belanghebbenden] als eigenaren van het landgoed hun voornemen kenbaar hadden gemaakt zo nodig gebruik te zullen maken van de mogelijkheden die het vorige bestemmingsplan bood. Onder meer op basis van de ecologische rapporten van Engbers Bosbeheer van 20 mei 2005 en 2 oktober 2005, mocht de raad de gerechtvaardigde vrees hebben dat een intensief gebruik van kampeermiddelen, zoals dit onder het voorgaande plan mogelijk was, zou leiden tot een grotere aantasting van de natuurwaarden op het landgoed, dan wanneer het thans voorliggende plan wordt gerealiseerd. De voorzitter overweegt daarom dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet leidt tot een verslechtering van de natuurwaarden ten opzichte van de planologische mogelijkheden onder het vorige plan.

De voorzitter acht thans geen redenen aanwezig om aan te nemen dat de Afdeling in de bodemprocedure het bestemmingsplan niet in stand zal laten.

2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011

218-677.