Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BO9800

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
05-01-2011
Zaaknummer
201002329/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2009, kenmerk 09.12.09, heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebieden Asten" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4943
JBO 2011/1 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002329/1/R3.

Datum uitspraak: 5 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Asten,

2. de vereniging Heemkundekring "De Vonder" Asten-Someren (hierna: De Vonder), gevestigd te Asten,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Asten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2009, kenmerk 09.12.09, heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebieden Asten" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2010, en De Vonder bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2010, waar De Vonder, vertegenwoordigd door mr. J.J. Franken en dr. A. van de Rijdt-van de Ven, en de raad, vertegenwoordigd door ing. J.C.M. Reumkens-Spanjer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het plan is een zogenoemd gedetailleerd bestemmingsplan met een beheerskarakter, om te komen tot een actuele regeling voor het plangebied.

2.2. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen", ter plaatse van de percelen [locaties a en b], waarvan hij de eigenaar is. [appellant sub 1] voert aan dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn verzoek om hier een bouwvlak op te nemen voor een nieuw te bouwen woning. Hierbij stelt hij dat zich op het perceel [locatie b] in het voorheen geldende plan "Uitbreidingsplan gemeente Asten, plan in onderdelen" (hierna: het uitbreidingsplan) een gedeelte van een bouwstrook bevond, die ruimte bood aan de realisering van een woonblok van in totaal zes woningen. De raad heeft volgens [appellant sub 1] ten onrechte de in het uitbreidingsplan geboden mogelijkheid om op het perceel [locatie b] een zesde woning te realiseren niet opgenomen in het voorliggende plan.

2.2.1. De raad stelt dat in de bestaande situatie de bouw van een zesde woning aan het einde van het betreffende woningbouwblok geen reƫle optie is, nu dit woningbouwblok aan de zuidzijde eindigt met een bijgebouw behorende bij de woning [locatie c]. Nu de bouw van een zesde woning aan het bestaande woningbouwblok niet meer mogelijk is, kan het verzoek van [appellant sub 1] volgens de raad uitsluitend gericht zijn op de realisering van een vrijstaande woning. In verband met het ontbreken van de hiervoor vereiste ruimtelijke verantwoording is het gewenste bouwvlak niet opgenomen in het plan, aldus de raad.

2.2.2. Aan de percelen van [appellant sub 1] is de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 15.2.2, onder a, van de planregels mag op gronden met deze bestemming slechts een hoofdgebouw worden gerealiseerd binnen een op de verbeelding aangegeven bouwvlak. De bestaande woningen van [appellant sub 1] op beide percelen zijn gesitueerd in een bouwvlak. Op de grond hierachter is geen bouwvlak opgenomen. Aan deze grond is de aanduiding "bijgebouw" toegekend, waardoor hier ingevolge 15.2.3, onder a, van de planregels geen woningen zijn toegestaan.

2.2.3. Het plan heeft een actualiserend karakter en legt de feitelijk bestaande situatie vast. Voor zover het uitbreidingsplan de bouw van een extra woning op de percelen van [appellant sub 1] mogelijk maakte, geldt dat hij de mogelijkheid hiertoe onder het uitbreidingsplan niet heeft benut. Het opnemen van een bouwvlak voor een nieuwe woning op de percelen maakt dus een nieuwe ontwikkeling mogelijk ten opzichte van de feitelijk bestaande situatie op de percelen. Het standpunt van de raad dat hij niet aan deze nieuwe ontwikkeling wenst mee te werken zonder nadere ruimtelijke onderbouwing is niet onredelijk. [appellant sub 1] heeft zijn verzoek om in het plan de mogelijkheid in te ruimen om een extra woning te realiseren op zijn percelen niet nader onderbouwd met concrete plannen voor een dergelijke woning, voorzien van een ruimtelijke onderbouwing. Mede gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de mogelijkheid van een nieuwe woning ter plaatse van de percelen [locaties a en b] niet in het plan opgenomen hoefde te worden.

2.2.4. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.3. Het beroep van De Vonder is gericht tegen het vrijwaren van archeologisch onderzoek van grote delen van de woongebieden van Asten. Volgens haar dient voor het gehele plangebied, met uitzondering van de reeds verstoorde gebieden, een archeologische onderzoeksplicht te gelden, door toekenning van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie". Voor zover deze dubbelbestemming aan delen van het plangebied niet is toegekend, is dat volgens De Vonder ten onrechte niet gebeurd. Ook in die gebieden zijn volgens haar te beschermen waarden aanwezig. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst zij naar de aanwijzing van Asten tot archeologisch monument en als terrein van hoge archeologische waarde op de Archeologische Monumentenkaart van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed in 2007 en naar de in 2005 door bureau Ekert in opdracht van De Vonder opgestelde archeologische verwachtingskaart. De raad had hiernaar onderzoek moeten doen voor de vaststelling van het plan, aldus De Vonder.

2.3.1. De raad stelt dat het gemeentebestuur op het gebied van archeologie nog geen eigen beleid heeft en dat daarom in het plan is aangesloten bij het provinciale en rijksbeleid. In het plan heeft hij daarom rekening gehouden met bekende archeologische waarden en met verwachte archeologische waarden in overeenstemming met de Cultuurhistorische Waardenkaart (hierna: de CHW) van de provincie Noord-Brabant.

2.3.2. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet), zoals die wet luidde ten tijde van de vaststelling van het plan, houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

2.3.3. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de planregels zijn de voor "Waarde-Archeologie" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden.

Ingevolge het tweede lid mag op of in de voor "Waarde-Archeologie" aangewezen gronden niet worden gebouwd, met uitzondering van verbouw of nieuwbouw van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte aan bestaande bebouwing met maximaal 100 m2 mag worden vergroot.

Ingevolge het derde lid, in samenhang met artikel 25.14 van de planregels, kan het college van burgemeester en wethouders onder bepaalde voorwaarden een ontheffing verlenen van het in het tweede lid genoemde bouwverbod.

Ingevolge het vierde lid is het uitvoeren van een aantal met name genoemde bodemingrepen verboden en is het uitvoeren van een aantal met name genoemde werken en werkzaamheden slechts mogelijk in overeenstemming met een hiervoor verkregen schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning).

2.3.4. De plantoelichting vermeldt dat het plan in beginsel gericht is op het vastleggen van de bestaande situatie.

Binnen het plangebied worden op een aantal locaties nieuwe woningen gebouwd of zijn recent nieuwe woningen gebouwd. Voor deze gebieden is reeds een planologische procedure gevolgd en het benodigde onderzoek gedaan en voor de betreffende woningen is reeds een bouwvergunning en vrijstelling verstrekt.

Daarnaast worden twee nieuwe ontwikkelingen door het plan mogelijk gemaakt: een project op de hoek Bergweg-Voordeldonk en een project aan de Moussaultstraat. De raad heeft onderzoek laten doen naar deze nieuwe ontwikkelingen. Op de hoek Bergweg-Voordeldonk zal een langgevel-boerderij worden gesplitst in twee woningen en zullen vier nieuwe vrijstaande woningen worden gebouwd. Uit het verrichte archeologisch onderzoek volgt dat de bodem grotendeels is verstoord en dat aan het gebied een lage verwachtingswaarde voor archeologische waarden kan worden toegekend, zodat in dit gebied geen beschermingsregeling voor archeologische waarden hoeft te gelden.

Uit het onderzoek naar het project aan de Moussaultstraat is gebleken dat binnen dit gebied vindplaatsen kunnen voorkomen uit het laat-plateolithicum tot en met de nieuwe tijd en aan het gebied een hoge verwachtingswaarde voor archeologische waarden moet worden toegekend. Aan het perceel is de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" toegekend om de bescherming en het behoud van archeologische waarden te waarborgen.

2.3.5. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad naar aanleiding van een zienswijze van de provincie Noord-Brabant aan negen gebieden in het plangebied de medebestemming "Waarde-Archeologie" toegekend, omdat deze gebieden op de CHW een middelhoge tot hoge verwachtingswaarde hebben. Hiermee geldt voor grote delen van het plangebied het hiervoor onder 2.3.3. weergegeven beschermingsregiem.

2.3.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 9 december 2009 in zaak nr. 200801932/1 en 29 september 2010 in zaak nr. 200809200/1/R1) rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in een gebied alvorens bij een plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 38a van de Monumentenwet (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. Het voldoen aan deze verplichting klemt temeer indien gebruik wordt gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om de kosten voor het archeologische vooronderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of -gebruikers. In voornoemde zaken was van deze mogelijkheid gebruik gemaakt ter bescherming van archeologische waarden in een gebied dat in het bestemmingsplan een agrarische bestemming had gekregen.

In de thans voorliggende zaak gaat het om een conserverend bestemmingsplan voor een bestaand stedelijk gebied. De raad heeft toegelicht dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de Archeologische Monumentenkaart van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, omdat deze kaart niet langer wordt geactualiseerd en slechts een globale aanwijzing van archeologisch waardevolle gebieden en monumenten bevat, die op provinciaal en lokaal niveau nader dient te worden geconcretiseerd. Daarom heeft de raad gebruik gemaakt van de provinciale CHW, die gedetailleerder is en nog wel wordt geactualiseerd.

Verder voorziet het plan slechts in beperkte mate in nieuwe ontwikkelingen in het plangebied. De locaties hiervoor zijn onderzocht en waar nodig beschermd door de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie". De Vonder heeft geen andere percelen kunnen aanwijzen waar verstoringen zijn te verwachten en dus bescherming nodig is. Dat de CHW een aantal zogenoemde witte vlekken laat zien als aanduiding voor gebieden die nog niet zijn onderzocht, leidt daarom niet tot de conclusie dat de raad deze gebieden had moeten onderzoeken. In verband hiermee heeft de raad geen gebruik hoeven maken van de door bureau Ekert opgestelde verwachtingskaart. Voor zover deze kaart zou voorzien in middelhoge tot hoge verwachtingswaarden in de zogenoemde witte vlekken, worden ook in deze gebieden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Ook overigens bestaat geen grondslag voor de conclusie dat de door bureau Ekert opgestelde kaart aanleiding geeft te twijfelen aan de juistheid van de CHW. De keuze van de raad voor het te gebruiken kaartmateriaal acht de Afdeling daarom niet onredelijk.

Onder deze omstandigheden heeft de raad in redelijkheid af kunnen zien van het van toepassing verklaren van het beschermingsregiem voor archeologische waarden voor het gehele plangebied en het doen van aanvullend archeologisch onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het gebied.

2.4. In hetgeen De Vonder heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van der Heijden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011

350-656.