Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BO9799

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
05-01-2011
Zaaknummer
201002454/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Nieuw Carré" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4937
JOM 2011/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002454/1/R3.

Datum uitspraak: 5 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Landgraaf,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Nieuw Carré" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2010, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2010, beroep ingesteld. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 26 april 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2010, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.M. Smits, werkzaam bij SRK rechtsbijstand, en [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. S.L.G.M. Roebroek, advocaat te Heerlen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A. van de Schaaff en mr. F. Ringhs, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de realisatie van een multifunctioneel centrum, Nieuw Carré genaamd, aan de Markt te Schaesberg.

2.2. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] voeren aan dat het begrip 'bijzondere doeleinden' niet nader is omschreven in het plan. Aansluitend hierop is het volgens hen onduidelijk wat in de planregels wordt bedoeld met 'horecadoeleinden, ondergeschikt aan bijzondere doeleinden'. Deze begrippen zijn vanuit het oogpunt van rechtszekerheid te globaal van karakter.

2.2.1. De raad betoogt dat het begrip 'bijzondere doeleinden' een gebruikelijke omschrijving is van sociaal-culturele doeleinden. Voor zover er onduidelijkheid zou bestaan over het begrip 'bijzondere doeleinden' in de planregels, blijkt uit de plantoelichting duidelijk wat wordt beoogd met het plan, aldus de raad.

2.2.2. Aan de gronden in het plangebied is de bestemming "Centrum" toegekend. Ingevolge artikel 3.1.1, voor zover van belang, van de planregels, zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven tot ten hoogste categorie 2 zoals opgenomen in 'Bijlage 2 bij de regels: toegesneden lijst van bedrijfstypen';

b. horecadoeleinden, zijnde een (eet)café, mits ondergeschikt aan de bijzondere doeleinden;

c. bijzondere doeleinden;

[…].

2.2.3. De planregels bevatten geen nadere omschrijving van het begrip 'bijzondere doeleinden'. Daardoor zijn de door het plan mogelijk gemaakte gebruiksmogelijkheden niet voldoende begrensd. Aan hetgeen in de plantoelichting staat over de betekenis van het begrip 'bijzondere doeleinden' en de door de gemeente beoogde activiteiten in het multifunctionele centrum komt immers geen bindende betekenis toe. Dat de gemeente eigenaar is van de grond waarop het multifunctionele centrum moet komen te staan en in die hoedanigheid invloed zou kunnen uitoefenen op de activiteiten die hier worden uitgeoefend, doet hieraan niet af. Voor de ruimtelijke uitstraling en de gevolgen van de activiteiten voor omwonenden zijn de maximale mogelijkheden van het plan bepalend. Dat het plan meer mogelijk maakt dan de raad heeft beoogd, is in strijd met de rechtszekerheid.

Omdat de raad in de toelichting op het plan en in de verrichte onderzoeken steeds is uitgegaan van het beoogde multifunctioneel centrum met een specifieke invulling aan activiteiten, heeft hij voorts in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid nagelaten om de gevolgen van de maximale mogelijkheden van het plan te onderzoeken. Het betoog slaagt.

2.3. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met voornoemd beginsel en met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.4. Gelet hierop behoeft hetgeen overigens is aangevoerd geen bespreking.

2.5. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Landgraaf van 15 december 2009;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Landgraaf tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 922,55 (zegge: negenhonderdtweeëntwintig euro en vijfenvijftig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Landgraaf tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Landgraaf aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, als volgt:

€ 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1];

€ 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 2], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van der Heijden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011

350-656.