Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BO9798

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
05-01-2011
Zaaknummer
201002664/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2010, nummer 11, heeft de raad het bestemmingsplan "De Zwette" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002664/1/R3.

Datum uitspraak: 5 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Sneek,

en

de raad van de gemeente Sneek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2010, nummer 11, heeft de raad het bestemmingsplan "De Zwette" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. P. Stehouwer, advocaat te Sneek, en de raad, vertegenwoordigd door S.G. Faber, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan is een actualisering van de voorheen voor het plangebied geldende plannen "De Zwette 1979" en "De Zwette II" en heeft een conserverend karakter.

2.2. Het beroep van [appellant] is allereerst gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd" ter plaatse van de Mr. C.P.M. Rommestraat 6. [appellant] voert aan dat het gebruik van het pand op het perceel Mr. C.P.M. Rommestraat 6 als kinderdagverblijf niet als zodanig bestemd had mogen worden. Het kinderdagverblijf was volgens hem in strijd met artikel 11 van het voorheen geldende plan "De Zwette 1979".

Verder stelt [appellant] dat de afstand tussen het kinderdagverblijf en zijn perceel [locatie] en de gebouwen hierop niet voldoet aan de aanbevolen afstandseisen uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" van 2009 (hierna: de VNG-brochure). In verband hiermee wijst [appellant] op de uitspraak van 16 februari 2005 in zaak nr. 200400042/1 en de uitspraak van 16 juli 2003 in zaak nr. 200301270/1, waarin de Afdeling overwoog dat het afwijken van de door de VNG-brochure aanbevolen afstanden tussen woningen en de grens van het perceel waarop een bepaalde instelling ligt deugdelijk dient te worden gemotiveerd, om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Het geluid van spelende kinderen bij het kinderdagverblijf veroorzaakt geluidhinder, waardoor de appartementen op zijn eigen perceel steeds minder geschikt worden voor recreatieve verblijfsdoeleinden, aldus [appellant].

2.2.1. De raad neemt het standpunt in dat het gebruik van het perceel Mr. C.P.M. Rommestraat 6 als kinderdagverblijf in overeenstemming is met het voorheen geldende plan en dus legaal.

Verder ligt het perceel Mr. C.P.M. Rommestraat 6 volgens hem in gemengd gebied. De raad stelt dat de afstand tussen het gebouw op het perceel van [appellant] en het gebouw van het kinderdagverblijf meer dan 30 meter is en hiermee voldoet aan de door de VNG-brochure aanbevolen afstand voor een gemengd gebied.

2.2.2. Het perceel Mr. C.P.M. Rommestraat 6 had in het voorheen geldende plan de bestemming "Bijzondere doeleinden, met bijbehorende erven (BD)". Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de voorschriften van dat plan, waren de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor doeleinden van bijzondere aard, waaronder begrepen medische, educatieve, religieuze, sociale en culturele doeleinden. Een kinderdagverblijf is hiermee niet in strijd. Gelet hierop mist het betoog dat het gebruik in strijd was met het voorgaande plan feitelijke grondslag.

Het perceel van [appellant] ligt in gemengd gebied, waar eveneens een basisschool en supermarkt staan. De in de VNG-brochure genoemde afstanden zijn bedoeld voor nieuwe situaties. Deze kunnen echter ook een indicatie zijn voor bestaande situaties met betrekking tot de aanvaardbaarheid van het plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Het kinderdagverblijf behoort tot milieucategorie 2. In de VNG-brochure wordt voor deze categorie in een gemengd gebied een afstand van 10 meter aanbevolen tussen de perceelgrens van een bedrijf enerzijds en de gevel van een woning anderzijds. De afstand tussen de gevel van het dichtstbij staande gebouw op het perceel van [appellant] en de grens van het plandeel met de bestemming "Gemengd" ter plaatse van de Mr. C.P.M. Rommestraat 6 bedraagt ruim 15 meter, waarmee de door de VNG-brochure aanbevolen afstand in acht wordt genomen, in tegenstelling tot de situaties in de door [appellant] aangevoerde uitspraken. De VNG-brochure geeft geen normen voor de aan te houden afstand tussen twee percelen.

Gelet op deze afstand heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het kinderdagverblijf geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] oplevert.

Overigens wijst de Afdeling erop dat op het zuidoostelijke deel van het perceel van [appellant] voldoende ruimte lijkt te zijn voor een terras voor de recreanten, op grotere afstand van het perceel Mr. C.P.M. Rommestraat 6 dan het huidige terras.

2.3. Het beroep van [appellant] richt zich voorts tegen de regeling voor het plandeel met de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie" ter plaatse van [locatie]. Op dit perceel bevindt zich een oude boerderijschuur met hierin appartementen die [appellant] verhuurt voor zowel recreatieve als kantoordoeleinden. [appellant] betoogt dat de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie" voor dit perceel te beperkt is. Artikel 8.1 van de planregels dient volgens hem in zoverre te worden aangepast, dat zijn perceel wordt bestemd voor recreatieve en kantoordoeleinden of althans zo te worden aangepast dat het mogelijk wordt om alle appartementen op zijn perceel als woning of kantoor in gebruik te nemen. Verder is volgens [appellant] de ontheffingsbevoegdheid van artikel 8.4 van de planregels, op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders ontheffing kan verlenen voor de vestiging van een zelfstandige kantoorfunctie met betrekking tot ten hoogste een derde deel van de bestaande bebouwing, te stringent geformuleerd. Deze ontheffingsbevoegdheid dient volgens [appellant] zo verruimd te worden dat het mogelijk wordt om het gehele voormalige schuurgedeelte als woning of kantoor te gebruiken. In verband hiermee betoogt [appellant] dat een gebruik als woning of kantoor geen wezenlijk andere ruimtelijke uitstraling heeft dan een gebruik voor recreatieve verblijfsdoeleinden.

2.3.1. De raad stelt dat op basis van het voorheen geldende plan de vestiging van het kantoor op het perceel gekoppeld was aan de woonfunctie. Het recreatieve gebruik van het perceel in combinatie met de bewoning hiervan door de eigenaar biedt volgens hem voldoende waarborg voor het behoud van de boerderij.

Voorts stelt de raad dat de vestiging van een woning of zelfstandig kantoor in het voormalige schuurgedeelte op basis van een ontheffing niet mogelijk is, omdat een ontheffing daarvoor niet het geëigende instrument is. Om een dergelijke vestiging te kunnen realiseren dient de bestemming van het perceel te worden gewijzigd, aldus de raad.

2.3.2. In het voorheen geldende plan was aan het perceel de bestemming "Woning en kantoor, met bijbehorende erven (W+K)" toegekend. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van dat plan waren de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor een woning met kantoor, met de daarbij behorende gebouwen, bijgebouwen, andere bouwwerken en erven, met dien verstande, dat als hoofdgebouw uitsluitend één woning met een kantoor mocht worden gebouwd. Het standpunt van de raad dat ingevolge het voorheen geldende plan op het perceel geen zelfstandig kantoor was toegestaan, is derhalve juist. Het kantoor was enkel toegestaan bij een woning.

Ingevolge artikel 8.1 van de planregels is in het voorliggende plan ter plaatse een kantoorfunctie ten behoeve van de verblijfsrecreatieve functie toegestaan. Het feitelijk bestaande gebruik van de voormalige schuur is hiermee als zodanig bestemd, hetgeen past bij het conserverende karakter van het plan. Verder heeft hij zijn verzoek om in het plan de mogelijkheid in te ruimen om een zelfstandig kantoor te realiseren op zijn perceel niet nader onderbouwd met concrete plannen voor een dergelijk kantoor. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gebruik van de boerderij als zelfstandige kantoorruimte niet als zodanig bestemd hoefde te worden.

Overigens heeft de raad ter zitting toegezegd de mogelijkheden om op het perceel zelfstandige kantoorruimte te vestigen opnieuw te zullen beoordelen, indien in de toekomst blijkt dat het aanbieden van recreatie en verblijfsrecreatie ter plaatse niet meer rendabel is vanwege de geluidhinder van het kinderdagverblijf.

Wat betreft de door [appellant] gewenste verruiming van de in artikel 8.4 van de planregels opgenomen ontheffingsbevoegdheid wordt overwogen dat de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen voor het gebruik van het gehele voormalige schuurgedeelte als woning of zelfstandig kantoor feitelijk een wijziging van de bestemming van het perceel zou inhouden. Het standpunt van de raad dat de mogelijkheid om in het plan te bepalen dat het college van bij het plan aan te geven regels ontheffing kan verlenen, hiervoor niet is bedoeld, is juist. Nu de ontheffingsbevoegdheid in artikel 8.4 van de planregels slechts de mogelijkheid biedt om bij ontheffing een zelfstandige kantoorfunctie toe te staan in ten hoogste een derde deel van de bestaande bebouwing, wijzigt de op dit perceel rustende bestemming niet, wanneer deze ontheffingsbevoegdheid wordt toegepast. Gelet hierop heeft de raad terecht de in artikel 8.4 van de planregels opgenomen ontheffingsbevoegdheid niet verruimd.

2.4. [appellant] voert aan dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden nu voor het perceel met de bestemming "Gemengd", waarop het kinderdagverblijf staat, meer gebruiksmogelijkheden in het plan zijn opgenomen dan alleen het bestaande gebruik, terwijl voor het perceel [locatie] in het plan slechts het feitelijk bestaande gebruik is opgenomen. Omdat op het perceel waarop het kinderdagverblijf staat, de kantoorfunctie weer terug kan komen, moet ook op zijn perceel de voormalige kantoorfunctie weer terug kunnen komen, aldus [appellant].

2.4.1. De raad stelt dat aangezien het voorheen geldende plan al meer bouw- en gebruiksmogelijkheden bevatte voor het perceel Mr. C.P.M. Rommestraat 6 dan voor het perceel van [locatie], het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.

2.4.2. Ten aanzien van de door [appellant] gemaakte vergelijking tussen de gebruiksmogelijkheden op beide percelen wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat de situatie op Mr. C.P.M. Rommestraat 6 verschilt van de aan de orde zijnde situatie op [locatie], omdat het perceel [locatie] in het voorheen geldende plan de bestemming "Woning en kantoor, met bijbehorende erven (W+K)" had en het perceel Mr. C.P.M. Rommestraat 6 de bestemming "Bijzondere doeleinden, met bijbehorende erven (BD)". Zoals onder 2.3.2. reeds overwogen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gebruik van de boerderij als zelfstandige kantoorruimte niet als zodanig bestemd hoefde te worden. Voor het perceel Mr. C.P.M. Rommestraat 6 heeft de raad de mogelijkheid open willen houden om hier weer een kantoor te vestigen, wanneer het gebruik als kinderdagverblijf wordt beëindigd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situatie op het perceel Mr. C.P.M. Rommestraat 6 niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.5. [appellant] betoogt dat, gelet op het conserverende karakter van het plan, hierin een ontheffingsmogelijkheid had dienen te worden opgenomen voor de bouw van ten hoogste twee woningen op het perceel [locatie]

2.5.1. De raad stelt dat in het plan de bestaande situatie is vastgelegd, zonder dat daarin wijzigingen van betekenis mogelijk zijn. Het niet opnemen van een ontheffingsbevoegdheid voor twee woningen met kantoor past dan ook in het conserverende karakter van het plan, aldus de raad.

2.5.2. Aan een bestemmingsplan kunnen geen blijvende rechten worden ontleend. Het uitgangspunt van de raad dat bij een conserverend plan de bestaande situatie van een nieuwe regeling wordt voorzien en dat hierin geen nieuwe ontwikkelingen van betekenis mogelijk zijn, is in beginsel niet onredelijk. Niet is gebleken dat [appellant] ten tijde van de vaststelling van het plan een concreet voornemen had om twee nieuwe woningen op zijn perceel te realiseren.

Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid om ontheffing te verlenen voor de bouw van twee nieuwe woningen op het perceel van [appellant] in strijd is met het conserverend karakter van het plan.

2.6. [appellant] stelt dat het ongewenst is dat overal binnen de bestemming "Groen" nutsgebouwen kunnen worden gerealiseerd, zonder dat de raad hiervoor nadere regelgeving heeft opgenomen in de planregels. In ieder geval dient nadere regelgeving in de planregels te worden opgenomen om te voorkomen dat het uitzicht op en vanaf zijn perceel wordt aangetast door nutsgebouwen, aldus [appellant].

2.6.1. De raad stelt dat een openbare nutsvoorziening binnen de bestemming "Groen" zonder toetsing aan het plan en zonder bouwvergunning (thans: een omgevingsvergunning voor bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo) gerealiseerd kan worden, mits deze voldoet aan het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. De openbare nutsvoorzieningen zullen volgens de raad beperkt van omvang zijn en geplaatst worden aansluitend aan overige bebouwing. Bovendien zal bij de locatiekeuze hiervan rekening worden gehouden met alle belangen en worden gekozen voor een locatie met de minst mogelijke hinder, aldus de raad.

2.6.2. Ingevolge artikel 6.2 onder a van de planregels bedraagt de maximale bouwhoogte van een nutsvoorziening drie meter en bedraagt de inhoud hiervan maximaal 50 m3. Gelet op de geringe maximale bouwhoogte en maximale inhoud van een nutsvoorziening binnen de bestemming "Groen" alsmede het feit dat deze nutsgebouwen slechts op enkele plaatsen binnen de bestemming "Groen" zullen worden gerealiseerd bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de mogelijke realisering van nutsvoorzieningen binnen de bestemming "Groen" zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht op en vanaf het terrein van [appellant] .

2.7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van der Heijden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011

350-656.