Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BO9794

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
05-01-2011
Zaaknummer
201004406/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2007 heeft het Faunafonds de bij [wederpartij] opgekomen door spechten aan bomen toegebrachte schade gedeeltelijk vergoed tot een bedrag van € 81.301,20.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004406/1/H3.

Datum uitspraak: 5 januari 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van [X],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 maart 2010 in zaak nr. 09/745 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

[X].

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2007 heeft [X] de bij [wederpartij] opgekomen door spechten aan bomen toegebrachte schade gedeeltelijk vergoed tot een bedrag van € 81.301,20.

Bij besluit van 5 oktober 2007 heeft [X] dit besluit herroepen en de schade gedeeltelijk vergoed tot een bedrag van € 35.605,44.

Bij besluit van 2 maart 2009 heeft [X] het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 maart 2010, verzonden op 26 maart 2010, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 maart 2009 vernietigd, het besluit van 5 oktober 2007 herroepen, het bezwaar tegen het besluit van 26 februari 2007 ongegrond verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 2 maart 2009. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [X] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 juni 2010.

[wederpartij] heeft hierop een reactie gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2010, waar [X], vertegenwoordigd door mr. drs. W. van Dijk en H.G. Engberink, is verschenen. Voorts zijn aan de zijde van [X] als deskundigen verschenen M. van der Bijl, werkzaam bij Taxatiebureau 2000, en G. Schalk. Namens [wederpartij] is verschenen als gemachtigde mr. M.H.C. Peters, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, en is verschenen [vennoot]. Aan de zijde van [wederpartij] is als deskundige verschenen ing. P.H. Schalk, werkzaam bij Schalk Linde10.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet is er een [X] dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, in samenhang met artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, wordt door [X] een tegemoetkoming slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

2.2. Op 18 juli 2005 heeft [wederpartij] geconstateerd dat spechten schade hebben veroorzaakt aan bomen op haar kwekerij. Op 5 augustus 2005 heeft [wederpartij] een verzoekschrift faunaschade ingediend. [X] heeft Taxatiebureau 2000 opdracht gegeven de schade te onderzoeken. Dit bureau heeft de schade, over de periode van 18 juli 2005 tot 29 mei 2006, getaxeerd op € 108.401,60. [X] heeft in zijn vergadering van 1 februari 2007 besloten onder voorwaarden een tegemoetkoming in de schade te verlenen en dit bij brief van 26 februari 2007 aan [wederpartij] medegedeeld. Bij de vaststelling van deze tegemoetkoming dient volgens [X] rekening te worden gehouden met de opbrengst van de eventuele verkoop van de beschadigde bomen. [X] heeft [wederpartij] de keuze gegeven tussen een tegemoetkoming van 75% van het getaxeerde bedrag, onder de voorwaarde dat de bomen in overleg met [X] onverkoopbaar worden gemaakt, of een tegemoetkoming van 50% van het getaxeerde bedrag met de mogelijkheid voor [wederpartij] om de bomen alsnog te verkopen. Bij brief van 7 maart 2007 heeft [wederpartij] haar voorkeur voor de eerste optie kenbaar gemaakt. Tevens heeft zij hierbij bezwaar gemaakt tegen het besluit van [X] om de schade niet volledig te vergoeden.

Bij brief van 6 oktober 2006 heeft [wederpartij] een tweede verzoekschrift faunaschade ingediend. Dit verzoek heeft betrekking op schade veroorzaakt door spechten in de periode 29 mei 2006 tot eind december 2006. De schade is vervolgens getaxeerd door Taxatiebureau 2000. Bij brief van 29 maart 2007 heeft [X] [wederpartij] verzocht om nadere informatie in verband met haar verzoek. Vervolgens heeft de Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (hierna: NAK Tuinbouw) op verzoek van [X] een onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de bomen. Dit onderzoek heeft plaats gevonden op 13 juli 2007. Bij brief van 17 juli 2007 heeft [X] [wederpartij] laten weten dat bij dit onderzoek mogelijk nieuwe feiten naar voren zijn gekomen die gevolgen kunnen hebben voor de taxatie van de schade in het jaar 2005. Bij besluit van 5 oktober 2007 heeft [X] zijn besluit van 26 februari 2007 herzien en de tegemoetkoming in de schade vastgesteld op € 35.605,44.

Bij brief van 11 oktober 2007 heeft [wederpartij] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 februari 2007. Bij brief van 3 januari 2008 heeft zij een deskundigenrapport van 28 november 2007 van ing. P.H. Schalk, werkzaam bij Schalk Linde10, overgelegd (hierna: het deskundigenrapport).

2.3. Bij het besluit op bezwaar van 2 maart 2009 heeft [X] de bezwaren van [wederpartij] ongegrond verklaard. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het onderzoek van NAK Tuinbouw nieuwe feiten naar voren zijn gekomen die van invloed zijn op de kwaliteit en waarde van de bomen. Deze feiten wijken af van de eerder door [wederpartij] verstrekte informatie. Voor het berekenen van de hoogte van de schade heeft [X] voor de prijsbepaling van de laanbomen aansluiting gezocht bij een Franstalige catalogus 2006/2007 van de firma M. van de Oever uit Haren. Voor de juiste waardebepaling van de bomen is het aantal keer dat een boom is verplant, in relatie tot de omvang van de stam essentieel, aldus [X]. Uit het onderzoek van NAK Tuinbouw is gebleken dat de bomen zijn aangekocht toen ze twee- of driemaal verplant waren en vervolgens zijn opgeplant op het bedrijf van [wederpartij]. Daarna zijn de bomen volgens NAK Tuinbouw niet meer ondersneden of verplant. Bij het onderzoek zijn vijf bomen gerooid. Drie van deze bomen kunnen verplantproblemen geven. [X] heeft zich op het standpunt gesteld dat het door NAK Tuinbouw uitgevoerde onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het heeft in het door [wederpartij] overgelegde deskundigenrapport geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen.

2.4. Naar het oordeel van de rechtbank was [X] op zich bevoegd nader onderzoek door NAK Tuinbouw te laten verrichten en het besluit van 26 februari 2007 in te trekken. Zij is echter tot het oordeel gekomen dat [wederpartij] terecht heeft aangevoerd dat op grond van het onderzoek van NAK Tuinbouw niet de conclusie kan worden getrokken dat de kwaliteit van de bomen niet goed is. [wederpartij] heeft gesteld dat zij de bomen een jaar voor de verkoop ondersnijdt, zodat de bomen zonder problemen kunnen worden verplant en de kluit voldoende fijne wortels heeft. Deze stelling heeft [X] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betwist. Dat in de prijslijst van een andere kweker onderscheid wordt gemaakt in prijs naar het aantal verplantingen of ondersnijdingen is hier volgens de rechtbank onvoldoende voor. De door NAK Tuinbouw onderzochte bomen waren in 2006 door spechtschade onverkoopbaar geworden en om die reden niet recent verplant of ondersneden. Uit het onderzoek blijkt bovendien niet dat de bomen bedoeld waren voor verkoop in 2006. [X] heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de constatering dat de in het onderzoek gebruikte bomen ten tijde van dat onderzoek niet gereed waren voor verkoop, met zich brengt dat de kwaliteit van de bomen uit de kwekerij onvoldoende is. Het dient er derhalve voor te worden gehouden dat de kwaliteit van de bomen voldoende is, aldus de rechtbank.

De rechtbank heeft het besluit van [X] van 2 maart 2009 vernietigd en het besluit van 5 oktober 2007 herroepen. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het bezwaar tegen het besluit van 26 februari 2007 ongegrond verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 2 maart 2009.

2.5. [X] betwist dat het besluit op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. Het stelt dat NAK Tuinbouw bij haar onderzoek vijf bomen heeft beoordeeld. Bij twee bomen van de soorten Tilia cordata 'Böhlje' en Fraxinus excelsior 'Westhof's Glorie' is geconstateerd dat zich bijna geen fijne wortels bevonden naast de zware wortels, zodat verplantproblemen kunnen ontstaan. Bij de boom van de soort Prunus serrulata 'Uminenko' is geconstateerd dat de beworteling erg grof is en dat de fijne wortels zo ver van de stam zitten, dat de meeste fijnere wortels niet meegaan bij het rooien van de boom, waardoor verplantproblemen kunnen ontstaan. Derhalve voldeden drie van de vijf bomen niet aan de kwaliteitsnormen die door de Sectie Kwaliteitsnormering zijn vastgesteld. NAK Tuinbouw heeft gesteld geen reden te hebben om eraan te twijfelen dat de bomen maximaal vier keer zijn verplant in plaats van zes keer of meer, te meer omdat [wederpartij] geen kweekgegevens heeft overgelegd. Dat de fijne wortels zouden zijn weggespoeld bij het uitspoelen van de kluiten is niet gebleken. Gelet hierop is volgens [X] de kwaliteit en daarmee de waarde van de bomen van [wederpartij] minder dan de cataloguswaarde van een soortgelijke boom met dezelfde stamomtrek van een vergelijkbare kweker. Dat de onderzochte bomen reeds onverkoopbaar zijn geworden doet hier niet aan af. [wederpartij] heeft zelf ingestemd met de soortkeuze en het aantal te onderzoeken bomen en aangegeven dat deze bomen representatief zijn, aldus [X].

2.5.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [X] in het besluit op bezwaar onvoldoende is ingegaan op het door [wederpartij] ingebrachte deskundigenrapport. De in dit rapport aangevoerde stelling, dat [wederpartij] haar bomen een jaar voor de verkoop ondersnijdt en dat deze werkwijze tot gevolg heeft dat de bomen zonder problemen kunnen worden verplant en de kluit voldoende fijne wortels heeft, is door [X] ten onrechte onbesproken gelaten. Het besluit op bezwaar is derhalve niet deugdelijk gemotiveerd en is terecht door de rechtbank vernietigd.

2.6. [X] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien en verzoekt de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Ter zitting bij de Afdeling heeft [X] in dit verband aangevoerd dat de tegemoetkoming wordt verstrekt voor de schade die wordt geleden op het moment dat de schade ontstaat en dat het derhalve gaat om de kwaliteit van de bomen op dat moment. Het argument dat de bomen een jaar voor de verkoop gereed worden gemaakt is juist een aanwijzing dat bomen die niet behandeld zijn op het moment van de schade minder waard zijn omdat de investering om ze gereed te maken voor de verkoop nog niet is gemaakt, aldus [X]. Wachten tot een jaar voor de verkoop met verplanten of ondersnijden van bomen is volgens [X] bovendien geen geschikt alternatief voor het regelmatig verplanten van de bomen omdat er nabij de stam van de bomen dan een grof wortelgestel is ontstaan. Voorts kan een deskundige beoordelen of een boom recent of regelmatig is verplant of ondersneden. Dat de kwaliteit van het wortelgestel van de onderzochte bomen eerst in 2007 is beoordeeld, is in zoverre dan ook niet van belang, aldus [X].

2.6.1. Anders dan de rechtbank is de Afdeling niet van oordeel dat het door de rechtbank vastgestelde gebrek in het besluit op bezwaar tot gevolg heeft dat er vanuit moet worden gegaan dat de kwaliteit van de bomen voldoende is. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de door NAK Tuinbouw in 2007 onderzochte bomen niet recent waren ondersneden of verplant en niet bedoeld waren voor verkoop in 2006, laat onverlet dat bij een aantal van deze bomen problemen met de beworteling zijn vastgesteld. Het valt niet op voorhand uit te sluiten dat dit gevolgen zal hebben voor de waarde van de bomen. [X] betoogt derhalve met recht dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien.

2.6.2. Wat betreft het verzoek te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand blijven overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor is overwogen is [X] in het besluit op bezwaar onvoldoende ingegaan op het door [wederpartij] ingebrachte deskundigenrapport. Dit ziet echter niet alleen op de stelling in het deskundigenrapport dat [wederpartij] haar bomen een jaar voor de verkoop ondersnijdt. Zo wordt in het deskundigenrapport gesteld dat onduidelijk is wat de door [X] gehanteerde beoordelingsnormen voor de kwaliteit van de bomen zijn. [X] verwijst naar de normen die zijn vastgesteld en gepubliceerd door de Sectie Kwaliteitsnormering. [X] heeft echter niet inzichtelijk gemaakt dat uit deze normen, die ter zitting in hoger beroep zijn overgelegd, volgt dat aan de door NAK Tuinbouw onderzochte bomen de eis kan worden gesteld dat deze minimaal vier keer verplant moeten zijn geweest. Evenmin heeft [X] inzichtelijk gemaakt dat deze eis volgt uit de door [X] genoemde Franstalige catalogus 2006/2007 van de firma M. van de Oever. Voorts wordt de stelling van [X] dat de onderzochte bomen niet vaak genoeg zijn verplant in het door [wederpartij] overgelegde deskundigenrapport gemotiveerd betwist en heeft [wederpartij] in beroep verwezen naar een verklaring van een medewerker van NAK Tuinbouw dat de bomen van andere percelen afkomstig zijn. In het deskundigenrapport wordt daarnaast gesteld dat ook de grondsoort waarin de bomen zijn gegroeid van invloed is op de kwaliteit van het wortelstelsel. Op deze stelling is [X] niet ingegaan. Ook is [X] niet gemotiveerd ingegaan op de resultaten van het ten behoeve van het deskundigenrapport door P.H. Schalk uitgevoerde onderzoek, waarbij vergelijkbare bomen zijn onderzocht. Nu, zoals door [X] ter zitting is erkend, het hierbij ging om representatieve bomen die in dezelfde rijen stonden als de door NAK Tuinbouw onderzochte bomen, kon [X] niet volstaan met de overweging in het besluit op bezwaar dat het door NAK Tuinbouw uitgevoerde onderzoek zorgvuldig is geweest en derhalve geen reden bestond de bevindingen van het door [wederpartij] overgelegde deskundigenrapport over te nemen. Ten slotte heeft [X] ook niet inzichtelijk gemaakt hoe de door NAK Tuinbouw vastgestelde verminderde kwaliteit van drie van de vijf onderzochte bomen is doorberekend in de uiteindelijke getaxeerde waarde van de bomen.

Gelet op deze onduidelijkheden ziet de Afdeling geen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit op bezwaar in stand blijven.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank het besluit van 5 oktober 2007 heeft herroepen, het bezwaar tegen het besluit van [X] van 26 februari 2007 ongegrond heeft verklaard en heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 2 maart 2009. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor het overige. [X] dient alsnog op het bezwaar van [wederpartij] te beslissen en hierbij gemotiveerd in te gaan op het door [wederpartij] ingebrachte deskundigenrapport. Het staat [X] hierbij vrij om, al of niet in overleg met P.H. Schalk, opnieuw advies te vragen aan NAK Tuinbouw of een andere deskundige.

2.8. [X] dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 maart 2010 in zaak nr. 09/745, voor zover de rechtbank het besluit van [X] van 5 oktober 2007 heeft herroepen, het bezwaar tegen het besluit van [X] van 26 februari 2007 ongegrond heeft verklaard en heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van [X] van 2 maart 2009;

III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige, voor zover aangevallen;

IV. veroordeelt het bestuur van [X] tot vergoeding van bij de [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011.

512.