Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BO9793

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
05-01-2011
Zaaknummer
201005159/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2009 heeft het CBR vastgesteld dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen en zijn rijbewijs ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005159/1/H3.

Datum uitspraak: 5 januari 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 april 2010 in zaak nr. 09/7135 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2009 heeft het CBR vastgesteld dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen en zijn rijbewijs ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 27 augustus 2009 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het CBR het besluit van 27 augustus 2009 ingetrokken en opnieuw beslissend het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 februari 2009 (lees: 2010) vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 juni 2010.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. L.P. Kabel, advocaat te Eindhoven, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) doen, indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, eerste volzin, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, tweede lid, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge het derde lid, eerste volzin, deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid van 18 mei 2000 besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de WVW 1994, indien de uitslag van het onderzoek, onderscheidenlijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen voldoet.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 van 18 mei 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In paragraaf 8.8 van de bijlage van de Regeling staat dat voor de beoordeling of sprake is van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2. Na een mededeling in de zin van artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 heeft het CBR [appellant] verplicht zich te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994. Dit onderzoek is verricht door M.M. Tóth, psychiater (hierna: de psychiater). In zijn verslag van bevindingen (hierna: het verslag) heeft hij de diagnose alcoholmisbruik gesteld volgens de DSM-IV-(TR)-classificatie en de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik op basis van alle relevante gegevens. Op verzoek van [appellant] heeft een tweede onderzoek plaatsgevonden, uitgevoerd door N. van Loenen, psychiater.

Bij besluit van 11 februari 2009, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 27 augustus 2009, heeft het CBR op grond van beide verslagen van bevindingen het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard voor alle categorieën. Bij brief van 28 april 2009 heeft [appellant] ten aanzien van het tweede verslag van bevindingen het blokkeringsrecht ingeroepen. Daarop heeft het CBR bij besluit van 3 februari 2010 het besluit van 27 augustus 2009 ingetrokken, het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 11 februari 2009 gehandhaafd met dien verstande dat het besluit enkel op grond van het eerste onderzoek wordt gebaseerd.

2.3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 3 februari 2010 vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat het CBR heeft nagelaten [appellant] inzage te verlenen in het verslag van het eerste onderzoek en de mogelijkheid om correcties daarin aan te brengen. In de omstandigheid dat het verslag op 3 oktober 2008 aan [appellant] alsnog ter beschikking is gesteld, heeft de rechtbank aanleiding gezien te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.

Nu het verslag naar inhoud of wijze van totstandkoming geen gebreken vertoont en inhoudelijk niet tegenstrijdig is of anderszins niet of niet voldoende concludent is, heeft het CBR het ten grondslag mogen leggen aan het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] , aldus de rechtbank.

2.4. [appellant] heeft daartegen aangevoerd dat de rechtbank zich had moeten beperken tot een vernietiging van het besluit op bezwaar.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 juni 2010 in zaak nr. 200909540/1) staat de omstandigheid dat de betrokkene ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld met betrekking tot het verslag zijn rechten ingevolge artikel 7:464, tweede lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek uit te oefenen, er niet aan in de weg dat het verslag wordt gebruikt bij de beoordeling of sprake is van alcoholmisbruik als hij zijn bezwaren tegen het verslag voldoende naar voren heeft kunnen brengen. Het verslag is op 3 oktober 2008 aan [appellant] ter beschikking gesteld. Hij heeft derhalve reeds voor het besluit van 11 februari 2009 zijn bezwaren kenbaar kunnen maken en de inhoud van het verslag ook in bezwaar en beroep kunnen betwisten. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat zij in de omstandigheid dat het verslag op 3 oktober 2008 aan [appellant] alsnog ter beschikking is gesteld, aanleiding heeft gezien te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.

Dit betoog faalt.

2.5. [appellant] heeft aangevoerd dat de overweging van de rechtbank, dat de omstandigheid dat met betrekking tot de vastgestelde Mean Corpuscular Volume (hierna: MCV-waarde) geen contra-expertise mogelijk zou zijn, niet met zich brengt dat de verhoging van deze waarde niet bij de beoordeling betrokken mocht worden, in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Voorts heeft hij aangevoerd dat de rechtbank bij de beoordeling van het in het verslag gestelde verminderde verantwoordelijkheidsgevoel ten onrechte waarde heeft gehecht aan de e-mail van de psychiater van 10 december 2009, waarin hij heeft bevestigd dat het onvoldoende verantwoordelijkheidsgevoel naast de verhoogde bloedwaarden is gebaseerd op het patroon in de aanhoudingsvoorgeschiedenis en de wijze waarop [appellant] tijdens het onderzoek communiceerde over de gebeurtenissen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van zijn verklaring in het verslag dat hij pas een duidelijk effect van alcohol ervaart na een gebruik van meer dan vijf eenheden alcohol. Ten slotte heeft [appellant] aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan het feit dat hij in de strafzaak voor de tweede aanhouding is vrijgesproken.

2.5.1. Beoordeeld dient te worden of het verslag, in aanmerking genomen wat [appellant] dienaangaande heeft aangevoerd, voldoende grondslag biedt voor het oordeel dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 april 2007 in zaak nr. 200606675/1) bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik is gesteld, slechts aanleiding om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

Het verslag bevat de resultaten van de anamnese en een lichamelijk, psychiatrisch en bloedonderzoek. Op grond van deze resultaten heeft de psychiater de DSM-IV-TR diagnose misbruik van alcohol en de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik op basis van alle relevante gegevens gesteld. De diagnose is gebaseerd op een verhoogde tolerantie voor alcoholgebruik, onvoldoende verantwoordelijkheidsgevoel met betrekking tot alcoholgebruik en een verhoogde MCV-waarde.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen brengt het feit dat met betrekking tot de vastgestelde MCV-waarde geen contra-expertise mogelijk zou zijn, niet met zich dat de verhoging van deze waarde niet bij de beoordeling mocht worden betrokken. Niet kan worden ingezien waarom niet op andere wijze aannemelijk gemaakt zou kunnen worden dat een verhoging van de MCV-waarde niet door alcoholmisbruik is veroorzaakt. Van een andere medische reden voor die verhoging is niet gebleken. [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat in het laboratorium een menselijke fout is gemaakt of een analytische variatie zich heeft voorgedaan.

In het verslag staat dat [appellant] wel in- en overzicht van alcoholgebruik en de gevaren van alcohol in het verkeer heeft en het gebruik niet lijkt te bagatelliseren maar dat het verantwoordelijkheidsgevoel onvoldoende aanwezig is. De verhoogde MCV-waarde ondersteunt deze taxatie, aldus het verslag. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat hieruit niet kan worden geconcludeerd dat de psychiater zijn vaststelling, dat [appellant] onvoldoende verantwoordelijkheidsgevoel met betrekking tot alcoholgebruik heeft, uitsluitend heeft gebaseerd op de verhoogde MCV-waarde. In bedoelde e-mail van 10 december 2009 heeft de psychiater nader verklaard dat zijn bevindingen zijn gebaseerd op de wijze waarop [appellant] tijdens het onderzoek communiceerde over de drie aanhoudingen onder invloed van alcohol, waarvan één na het volgen van een zogenoemde Educatieve Maatregel Alcohol (hierna: EMA). In hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat de psychiater zijn vaststelling over het verantwoordelijkheidsgevoel van [appellant] mede daarop heeft gebaseerd.

[appellant] heeft betwist dat hij heeft verklaard dat hij pas een duidelijk effect van alcohol ervaart na het gebruik van meer dan vijf eenheden alcohol. Naar het oordeel van de Afdeling heeft hij echter op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de psychiater deze verklaring niet juist heeft weergegeven in het verslag. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat onvoldoende reden bestaat om te twijfelen aan de verklaring zoals die in het verslag is opgeschreven. Dat in het verslag onder het kopje 'Omstandigheden laatste aanhouding' staat dat [appellant] heeft gezegd dat hij gemiddeld één keer per maand één eenheid wijn drinkt is daarvoor onvoldoende.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 augustus 2010 in zaak nr. 200909793/1) komt aan de vrijspraak ter zake van de bij de aanhouding op 19 september 2006 bij [appellant] geconstateerde feiten niet de betekenis toe die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien. Uit die vrijspraak valt niet af te leiden dat het vastgestelde alcoholpromillage niet juist is, louter dat het strafrechtelijk bewijs voor die feiten door het openbaar ministerie niet is geleverd. Het op ambtsbelofte of ambtseed opgemaakte proces-verbaal vormt voldoende grondslag voor het vermoeden, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994, nu geen tegenbewijs is geleverd. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat geen gronden aanwezig zijn voor het oordeel dat de aanhoudingsgeschiedenis van [appellant], in combinatie met het deelnemen aan een EMA in 2007, de conclusie in het rapport van misbruik van alcohol niet kan dragen.

Al het vorenstaande in achtnemende is de Afdeling van oordeel dat het CBR het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft mogen baseren op het verslag. Dit biedt voldoende steun voor de conclusie van alcoholmisbruik. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden worden gelaten.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011.

290.