Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BO9786

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
05-01-2011
Zaaknummer
201004928/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 26 januari 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van elf appartementen en vier grondgebonden patiowoningen met bijgebouwen, inclusief de inrichting van het bijbehorende openbaar gebied, op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004928/1/H1.

Datum uitspraak: 5 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 april 2010 in zaak nrs. 10/752 en 10/753 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Asten.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 26 januari 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van elf appartementen en vier grondgebonden patiowoningen met bijgebouwen, inclusief de inrichting van het bijbehorende openbaar gebied, op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 8 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.A. de Boer, en het college, vertegenwoordigd door drs. T.L. Wiersma-Reichert en mr. J.H.M. Vercammen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door P.J. van Eldonk, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Centrum 2e fase" (hierna: het bestemmingsplan), op grond waarvan op het perceel de bestemming "Komgebied" met de aanduiding "Centrumvoorzieningen B (CVB)" rust. Teneinde realisering ervan niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

2.2. Ingevolge dit artikel kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen. De noodzaak voor extra bebouwing is niet aangetoond en het bouwplan past niet binnen de aard, omvang en schaal van de bebouwing in de omgeving, aldus [appellant].

2.3.1. Ten tijde van het vrijstellingsbesluit van 26 januari 2010 gold de door gedeputeerde staten van Noord-Brabant bij besluit van 16 mei 2006 vastgestelde, en in het provinciaal blad van Noord-Brabant 2006, nr. 75, gepubliceerde, regeling "Categorieën van gevallen ex artikel 19, lid 2, WRO Provincie Noord-Brabant 2006" (hierna: de regeling).

Volgens categorie III van de regeling mag op gronden in de bebouwde kom, niet behorend tot een bedrijventerrein, met een bestemming gericht op intensieve bebouwing zoals woondoeleinden (inclusief tuin/erf), centrumdoeleinden, detailhandelsdoeleinden, horecadoeleinden, kantoordoeleinden, maatschappelijke doeleinden, bedrijfsdoeleinden en zakelijke dienstverleningsdoeleinden en met een bestemming verkeersdoeleinden of een bestemming groenvoorzieningen, voor zover niet structuurbepalend, in afwijking van die bestemmingen en/of bijbehorende voorschriften met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling worden verleend voor de volgende projecten, mits deze naar aard en omvang passen binnen de ruimtelijke (stedenbouwkundig en functioneel) uitgangspunten van het bestemmingsplan en de aard, schaal en functie van de kern:

(…)

b. het realiseren van een of meerdere woningen, met inbegrip van bijgebouwen, mits passend binnen de indicatie van de toename van de woningvoorraad per gemeente, die periodiek door de provincie wordt vastgesteld op basis van een actualisering van haar bevolkings- en woningbehoefteprognose, en passend binnen de afspraken die hierover zijn gemaakt in de uitwerkingsplannen voor de stedelijke en de landelijke regio's (Streekplan 2002).

(…).

2.3.2. [appellant] heeft het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college gemotiveerd heeft aangegeven dat het bouwplan deel uitmaakt van de woningbouwtaakstelling, niet inhoudelijk bestreden.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het bouwplan niet past binnen de aard, omvang en schaal van de bebouwing in de omgeving. Op grond van de stukken is gebleken dat de situering van het appartementencomplex aansluit op de lintstructuur van de Prins Bernhardstraat. De rooilijn van het appartementencomplex volgt de rooilijn van de omliggende bebouwing en de hoogte sluit aan op de hoogte van het naastgelegen appartementencomplex. Voorts ontstaat door de lagere hoogte van de patiowoningen een overgang naar de bebouwing op de aangrenzende percelen.

Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Zijns inziens is in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende ingegaan op de inbreuk van het bouwplan op het bestemmingsplan.

2.4.1. Dit betoog faalt. De ruimtelijke onderbouwing is neergelegd in het rapport van advies- en ontwerpbureau BRO van 12 december 2007. Daarin is een beschrijving gegeven van het bouwplan en het gebied waarin het perceel is gelegen. Voorts is een relatie gelegd met het bestemmingsplan door middel van een beschrijving van de inbreuk die het bouwplan daarop maakt. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat het college deze onderbouwing aan het vrijstellingsbesluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.5. Ter zitting heeft [appellant] het betoog dat het bouwplan leidt tot een toename van de verharding van het perceel en daarmee tot een toename van de druk op het rioolsysteem, ingetrokken.

2.6. [appellant] heeft het betoog dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen, niet nader toegelicht. Het faalt reeds om die reden.

2.7. [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat voor de wijziging van het bouwplan een nieuwe bouwaanvraag was vereist, omdat geen sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard.

2.7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 25 januari 2006 in zaak nr. 200501746/1), is voor een wijziging van ondergeschikte aard van een bouwplan geen nieuwe bouwaanvraag vereist. De wijziging heeft in dit geval betrekking op het vervallen van één grondgebonden patiowoning. Gelet op de nagenoeg ongewijzigde verschijningsvorm van het bouwplan is deze wijziging van ondergeschikte aard, zodat de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen dat daarvoor geen nieuwe aanvraag is vereist. Daarbij heeft de voorzieningenrechter voorts terecht in aanmerking genomen dat [appellant] door de wijziging niet in zijn belangen is geschaad, nu deze strekt tot een verkleining van het bebouwde oppervlak en de bebouwing voorts op een grotere afstand van zijn woning is gesitueerd.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant] betoogt ten slotte dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwpan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Volgens [appellant] had het college niet van de in het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan (hierna: GVVP) vastgestelde norm van twee parkeerplaatsen per woning mogen afwijken.

2.8.1. Volgens het tijde van het besluit van 26 januari 2010 geldende GVVP geldt een norm van twee parkeerplaatsen per woning. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, is deze norm een streefnorm en wordt bij ieder bouwplan gekeken naar het type woningen en de locatie. Gelet op de omstandigheid dat de beoogde doelgroep van de in het bouwplan voorziene patiowoningen en appartementen, te weten senioren en starters op de woningmarkt, een relatief laag autobezit heeft en er in de directe omgeving van het perceel, aan de Langstraat, voldoende openbare parkeerplaatsen op loopafstand aanwezig zijn om eventueel naar uit te wijken, heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval kan worden volstaan met een norm van 1,8 parkeerplaatsen per woning. Nu het bouwplan voorziet in 28 parkeerplaatsen, wordt voldaan aan deze norm en bestaat geen grond voor het oordeel dat niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

Het betoog faalt.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011

531.