Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BO9785

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
05-01-2011
Zaaknummer
201005023/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2009 heeft het college aan [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de aan haar vergunning verbonden voorschriften na te leven dan wel alle ADR geclassificeerde stoffen uit de inrichting te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005023/1/M1.

Datum uitspraak: 5 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Castricum,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2009 heeft het college aan [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de aan haar vergunning verbonden voorschriften na te leven dan wel alle ADR geclassificeerde stoffen uit de inrichting te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 30 november 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de rechtbank Alkmaar ingekomen op 11 januari 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 19 februari 2010. Op grond van artikel 6:15 Awb heeft de rechtbank het beroepschrift doorgezonden naar de Afdeling, waar het is binnengekomen op 20 mei 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. C.H.P. Groot-van Ederen, advocaat te Alkmaar, G. Top en ing. C.E. Haas, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M. Delstra en J.H. van Hoorn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in art. 1.6, eerste lid van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat het besluit tot handhaving voor de inwerkingtreding van de Wabo is genomen. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Op 1 juli 2009 is de wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) in werking getreden. Ingevolge artikel IV van deze wet blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. Dit betekent dat het nieuwe recht niet van toepassing is op het huidige geding.

2.3. Het college betoogt dat procesbelang bij [appellante] ontbreekt, omdat de inrichting is verkleind. De in het geding zijnde opslagruimten worden afgesloten en niet langer gebruikt. [appellante] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat er schade is geleden en dat deze schade veroorzaakt is door het bestreden besluit, aldus het college.

2.3.1. [appellante] heeft aan de aanzegging onder bestuursdwang voldaan door alle ADR geclassificeerde stoffen uit de inrichting te verwijderen. [appellante] heeft aannemelijk gemaakt dat zij voor het verwijderen van deze stoffen en het leveren van producten uit andere vestigingen om de bedrijfsvoering gaande te houden kosten heeft gemaakt. Gelet daarop is het mogelijk dat [appellante] door het bestreden besluit schade heeft geleden. Hieruit volgt dat [appellante] belang heeft bij een uitspraak op het beroep.

2.4. [appellante] voert aan dat de beslissing op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd omdat het college in de beslissing op bezwaar slechts verwijst naar het advies van de commissie bezwaarschriften Castricum. Voorts stelt [appellante] dat deze commissie in haar advies niet is ingegaan op de bezwaren van [appellante] omtrent het indienen van zienswijzen, het te laat toezenden van stukken en de bezwaren tegen het onthouden van goedkeuring aan het door [appellante] overgelegde programma van eisen.

2.4.1. Ingevolge artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht kan ter motivering van een besluit volstaan worden met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.

Het advies van de commissie bevat een motivering en is gehecht aan de beslissing op bezwaar. Het college mocht er in beginsel naar verwijzen. In het advies is summier ingegaan op de door [appellante] genoemde bezwaren, die reeds uitgebreid waren behandeld in de toelichting bij het primaire besluit, naar aanleiding van zienswijzen van [appellante]. Gelet op het vorenstaande geeft hetgeen [appellante] naar voren brengt geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Dit betoog faalt.

2.5. [appellante] stelt dat de last onder aanzegging van bestuursdwang onrechtmatig is, omdat aan deze last niet kan worden voldaan. Om aan de voorschriften te voldoen moet een goedgekeurd programma van eisen worden overgelegd. Nu deze goedkeuring alleen door het college verleend kan worden, ligt het buiten de macht van [appellante] om aan de last te voldoen.

2.5.1. Het college stelt dat de vergunning, die op 8 augustus 2006 in rechte onaantastbaar is geworden, [appellante] verplicht om een programma van eisen ter goedkeuring aan het college voor te leggen. Over de vereisten waaraan het programma van eisen dient te voldoen om goedgekeurd te worden, is volgens het college regelmatig overleg geweest met [appellante]. [appellante] heeft echter verzuimd om een programma van eisen in te dienen, dat aan deze vereisten voldeed. Daarom is het volgens het college aan [appellante] zelf te wijten dat zij niet beschikt over een goedgekeurd programma van eisen.

2.5.2. In vergunningvoorschrift 113 is bepaald dat de uitgangspunten voor ontwerp, aanleg, onderhoud, beheer, opleveringsinspectie en periodieke inspectie van de brandbeveiligingsinstallatie (hierna in navolging van partijen; programma van eisen) moeten zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag. De voorschriften 114 tot en met 117 zien op de toetsing van de uitgangspunten en op de beoordeling, certificatie en goedkeuring van de brandbeveiligingsinstallatie conform de uitgangspunten. Vaststaat dat [appellante], in strijd met de voorschriften 113 tot en met 117, niet beschikte over een goedgekeurd programma van eisen.

De toepassing van bestuursdwang kon worden voorkomen door de overtreding van deze voorschriften te beƫindigen, zonodig door alle ADR geclassificeerde stoffen uit de inrichting te verwijderen, zolang nog geen goedgekeurd programma van eisen bestond. Voor het oordeel dat [appellante] niet aan de last kon voldoen is gelet daarop geen grond. De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellante] voert aan dat het college bij de beslissing op bezwaar rekening had moeten houden met de vergunning verleend op 10 november 2009, ingevolge welke de brandbeveiligingsinstallatie en het bijbehorende programma van eisen niet langer verplicht zijn.

2.6.1. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.2. Op het moment van de beslissing op bezwaar was de veranderingsvergunning van 10 november 2009 weliswaar verleend, maar deze ziet op een wijziging van de inrichting, waardoor de opslag van brandbare stoffen op andere wijze zal plaatsvinden. De situatie zoals deze bestond ten tijde van het besluit tot het aanzeggen van de bestuursdwang, werd hierdoor niet gelegaliseerd. Reeds gelet daarop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat er ten tijde van het bestreden besluit geen concreet zicht op legalisatie bestond. De beroepsgrond faalt.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011

539-688.