Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BO9779

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
05-01-2011
Zaaknummer
200906022/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-484538, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Rijnwoude bij besluit van 11 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bentwoud".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906022/1/R1.

Datum uitspraak: 5 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], wonend te [woonplaats], onderscheidenlijk te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-484538, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Rijnwoude bij besluit van 11 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bentwoud".

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 8 september 2009, beroep ingesteld. Het beroep is aangevuld bij brief van 5 oktober 2009.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en [vennoot B], en het college, vertegenwoordigd door ing. J.A. Looij, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door A.J.W. Bazen, werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.2. Het plan voorziet in de transformatie van het bestaande akkerbouwgebied naar een natuurgebied met bos-recreatieve bestemmingen, het zogenoemde Bentwoud. Het gehele Bentwoud zal een oppervlakte van ongeveer 1.300 hectare beslaan en voor een deel zijn gelegen in de gemeente Waddinxveen.

Aantasting woon- en leefklimaat en verkeersveiligheid

2.3. [appellante] betoogt dat het plan zal leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen aan de [locatie 1 en locatie 2]. In dit verband wijst zij erop dat het plan 10% meer verkeer zal genereren en dat dit, mede gelet op de autonome verkeersgroei van 30%, niet als een beperkte toename kan worden aangemerkt. Ook is uitgegaan van een te hoge autonome verkeersgroei. De grotere hoeveelheid verkeer langs de woningen leidt tot een onaanvaardbare geluidsbelasting op de woningen. [appellante] wenst in dit verband dat zij de woningen elders op haar percelen kan herbouwen zonder daarbij aan beperkingen van de Wet geluidhinder of het bestemmingsplan gebonden te zijn. Voorts zal de via een wijzigingsplan te realiseren parkeerplaats naast haar woning op het perceel [locatie 1] leiden tot onveilige situaties en is ten onrechte de uitrit van haar woning op het perceel [locatie 1] niet als zodanig bestemd.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het verkeersonderzoek aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet en dat er geen reden is om aan te nemen dat het onderzoek niet als basis kan dienen voor dit bestemmingsplan.

Het college stelt zich voorts op het standpunt dat het effect van de eventuele parkeerplaats naast de woning van [appellante] op de verkeersveiligheid zeer gering is. Op dit moment ziet het college geen aanleiding om te veronderstellen dat zich ten aanzien van de verkeersveiligheid een risicovolle situatie zal voordoen.

2.3.2. De woningen zijn gelegen aan de N455. In het milieueffectrapport "MER Bentwoud 2007, actualisatie milieueffectrapportage", opgesteld door Grontmij B.V. en gedateerd 20 december 2007 (hierna: het MER), is onder meer aangegeven wat de effecten van de aanleg van het Bentwoud zijn op het verkeer in de omgeving en de daarbij behorende geluidbelasting. In bijlage 2 bij het MER zijn de berekende verkeersintensiteiten in 2020 weergegeven met en zonder het realiseren van het Bentwoud. Hieruit volgt dat, zoals ook in de plantoelichting is vermeld, de verkeersaantrekkende werking van het gehele Bentwoud ongeveer 10% is. In dit verband wijst de Afdeling erop dat ongeveer ééntiende deel hiervan uit oostelijke richting komt via de N455, langs de woningen van [appellante]. Met betrekking tot de autonome groei van het verkeer van 30% staat in de plantoelichting dat in de berekeningen rekening is gehouden met de woningbouwlocatie Oosterheem en het bedrijvenpark Prisma. In het niet nader onderbouwde betoog van [appellante] ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het MER op dit punt zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont, dat het college zich hierop niet heeft kunnen baseren bij de goedkeuring van het plan.

2.4. Voorts staat in het MER dat de autonome verkeersgroei van 30% leidt tot een toename van de geluidsbelasting met ongeveer 1 dB ten opzichte van de huidige situatie. Nu het Bentwoud leidt tot een 10% extra groei van het verkeer, is het effect daarvan op de geluidsbelasting een toename van ongeveer 0,3 dB. Aan deze geringe toename van de geluidsbelasting heeft het college in redelijkheid geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen.

2.5. Ten aanzien van het betoog dat [appellante] de woningen elders op haar percelen wil herbouwen zonder daarbij aan beperkingen te zijn gebonden, overweegt de Afdeling dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat woningen alleen binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd en dat vergroting van de bouwvlakken, zo is ter zitting uiteengezet, niet wenselijk is, omdat deze dan meer in het Bentwoud zullen steken.

2.6. De aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid I' is toegekend aan de gronden met de bestemming "Recreatiebos (RB)" gelegen naast de woning aan de [locatie 1].

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van artikel 11 van de WRO de bestemming van de gronden, ter plaatse van de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid I', te wijzigen ten behoeve van de realisatie van een parkeerplaats, met inachtneming van onder meer de volgende voorwaarde:

a. het parkeerterrein dient binnen een afstand van ten hoogste 150 meter van de rotonde Hogeveenseweg-N455 te worden gerealiseerd, waarbij de oppervlakte (exclusief dagrecreatieve voorzieningen) ten hoogste 1,1 hectare mag bedragen.

2.6.1. Blijkens de plantoelichting zijn thans geen parkeervoorzieningen aanwezig. Met de ontwikkeling van het Bentwoud, inclusief een golfbaan ten oosten van de N209 en recreatieve sportvoorzieningen ten westen van de N209, zal de parkeerbehoefte van bezoekers en werknemers bij de voorzieningen, sterk toenemen. Hiertoe zullen nabij de entrees van het gebied grote geconcentreerde parkeervoorzieningen worden gerealiseerd waarop bezoekers worden opgevangen. Zo zullen nabij de golfbaan en het recreatieconcentratiepunt grote parkeerterreinen worden aangelegd en zullen ter hoogte van de entree nabij de rotonde N209-N455 aanvullende parkeerfaciliteiten worden gerealiseerd.

2.6.2. Gelet op de omstandigheid dat de bereikbaarheid van de via de wijzigingsbevoegdheid voorziene parkeerplaats mogelijk zal worden gemaakt via een afslag op de reeds bestaande rotonde, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid zal leiden tot verkeersonveilige situaties. Voorts is ter zitting van de zijde van de raad uiteengezet dat het gebied waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend groter is dan de in de planvoorschriften opgenomen maximale oppervlakte van de parkeerplaats, zodat bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid en het bepalen van de exacte locatie van de parkeerplaats rekening kan worden gehouden met de belangen van [appellante]. Voorts heeft [appellante] niet onderbouwd waarom het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid zal leiden tot een sociaal onveilige omgeving, zodat reeds hierom dit betoog niet kan slagen.

2.7. Ten aanzien van de uitrit stelt de Afdeling vast dat de uitrit van [appellante] op het perceel Hogeveensweg 57 niet als zodanig is bestemd. In dit verband overweegt de Afdeling dat de enkele omstandigheid dat de bestaande uitrit niet als zodanig is bestemd er niet toe leidt dat het woonperceel [locatie 1] niet op de openbare weg kan worden ontsloten. Ter zitting is door het college toegezegd dat bij de uitvoering van het plan zorg zal worden gedragen voor een goede ontsluiting van het perceel.

2.8. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en de verkeersveiligheid voor de woningen gelegen aan de [locatie 1 en locatie 2].

Belemmering bedrijfsvoering

2.9. [appellante] betoogt dat het plan leidt tot een belemmering in de bedrijfsvoering in die zin dat de bedrijfsonderdelen ter plaatse van de percelen [locatie 1 en locatie 2] niet meer kunnen voortbestaan. In dit verband voert zij aan dat het toekennen van de bestemming "Recreatiebos (RB)" en de bestemming "Natuurbos (NB)" aan haar gronden niet noodzakelijk is, omdat een agrarische bestemming ook kan dienen als groene buffer. Verder hebben toeristen voorkeur voor zicht op het open polderlandschap.

Voorts voert zij aan dat het geen goede ruimtelijke ordening is om de bedrijfsgebouwen wel als zodanig te bestemmen, maar het gebruik voor het grootste deel van de gronden niet. In dit verband betoogt zij dat vervangende gronden niet of van mindere kwaliteit aanwezig zijn. Ook zijn ten onrechte de drogerij-activiteiten niet als zodanig bestemd.

Ten slotte betoogt [appellante] dat haar ten onrechte geen ontwikkelingsmogelijkheden in de vorm van neven- en vervolgfuncties wordt geboden.

2.9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat elke bestemmingsplanwijziging ten behoeve van herbestemming van de aanwezige bebouwing moet passen binnen de doelstellingen van het Bentwoud en daarmee behoort een eventuele nieuwe bestemming een meerwaarde op te leveren voor het Bentwoud als geheel. Ook een agrarische bestemming van de gronden past niet binnen de doelstellingen van het Bentwoud.

De raad stelt zich op het standpunt dat de realisatie van het Bentwoud een onomkeerbare ruimtelijke ontwikkeling is met als belangrijkste redenen het vergroten van toeristische mogelijkheden in de Zuidvleugel van de Randstad, het realiseren van een bufferfunctie tussen stedelijke gebieden en het realiseren van een beperkte houtproductie.

2.9.2. [appellante] is een bedrijf met een vestiging in [plaats] en twee vestigingen in [plaats]. De locaties in Benthuizen betreffen [locatie 1], de drogerij met 40 hectare land, en de [locatie 2] met 44 hectare land. Op de gronden, gelegen ten zuiden van het perceel [locatie 2], worden voornamelijk aardappels verbouwd. Naast deze activiteit heeft [appellante] ter plaatse van het perceel [locatie 1] een drogerij waar diverse afvalstoffen worden gerecycled, met als hoofdactiviteit het drogen van paprikaplanten voor biomassa.

De drogerij is de laatste jaren volledig aangepast aan de huidige eisen en is in het bezit van een milieuvergunning afgegeven op 8 november 2006 voor het drogen van (afgedragen tuinbouw)gewassen.

2.9.3. De gronden gelegen aan de [locatie 1 en locatie 2] hebben in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Recreatiebos (RB)", "Natuurbos (NB)" en "Agrarische doeleinden (A)" met de aanduiding "bouwvlak (b)" gekregen. Aan het perceel gelegen aan de [locatie 1] is eveneens de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" toegekend.

Ingevolge de artikelen 2 en 3 van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Natuurbos (NB)" en "Recreatiebos (RB)" bestemd voor het gebruik als bosgebied en recreatief gebruik. Het uitoefenen van een agrarisch bedrijf is ter plaatse niet toegestaan.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" bestemd voor agrarische bedrijven als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, onder a en c, van de planvoorschriften.

Ingevolge artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder a en c, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is een agrarisch bedrijf een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren en waarbij de bedrijfsvoering aanbod gericht is, nader te onderscheiden in

a. grondgebonden veehouderij;

c. akker- en vollegrondstuinbouw.

Ingevolge artikel 5, derde lid, onder 2, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, met toepassing van artikel 11 van de WRO, indien sprake is van een algehele bedrijfsbeëindiging van een ter plaatse gevestigd bedrijf, de bestemming te wijzigen in een van de aldaar genoemde vervolgfuncties en met inachtneming van de aldaar genoemde voorwaarden.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn, voor zover hier van belang, de op de plankaart aangewezen gronden voor "Bedrijfsdoeleinden (B)" - onder verwijzing naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten - bestemd voor bedrijven in ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

Ingevolge het eerste lid, onder f, zijn de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" ter plaatse van de aanduiding "grasdrogerij (Bg)" bestemd voor een grasdrogerij behorende tot ten hoogste categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

2.9.4. In het MER staat dat sinds begin jaren negentig de provincie Zuid-Holland en de gemeenten Waddinxveen en Rijnwoude actief bezig zijn met de ontwikkeling van plannen voor een groot bosgebied in het hart van Zuid-Holland. Dit bos, het Bentwoud, is bedoeld als grootschalig recreatie- en natuurgebied voor de inwoners van Zuid-Holland. Als recreatiegebied moet het Bentwoud een alternatief vormen voor de bossen verder naar het oosten en het duingebied. Als natuurgebied vormt het Bentwoud een belangrijke schakel in de ecologische verbindingszones die dwars door de provincies lopen. De omvang is hierdoor voldoende groot voor een zelfstandige natuurfunctie. Daarnaast zal een gedeelte van het Bentwoud moeten dienen voor houtwinning.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door [appellante] gewenste agrarische bestemming van haar gronden niet aan de doelstellingen van het Bentwoud, zoals hiervoor genoemd, kan voldoen. De stelling van [appellante] dat toeristen voorkeur hebben voor zicht op het open polderlandschap doet hier niet aan af. Het Bentwoud krijgt deels een ecologische bosfunctie en deels een functie voor houtwinning. Een polderlandschap draagt niet aan deze doelstellingen bij.

2.9.5. De agrarische bedrijfsvoering op de percelen [locatie 1 en locatie 2] was in het voorheen geldende plan "Benthuizen Landelijk gebied 1984" als zodanig bestemd. De raad en het college hebben echter, gelet op de in overweging 2.9.4. genoemde doelstellingen, bij de vaststelling van het plan en de goedkeuring daarvan in redelijkheid een groter belang kunnen toekennen aan het realiseren van het Bentwoud dan aan de bedrijfsbelangen van [appellante].

Een goede ruimtelijke ordening brengt met zich dat bij het toekennen van een bedrijfsbestemming alle belangen van het bedrijf in de afweging dienen te worden betrokken. In dit verband overweegt de Afdeling met betrekking tot de bedrijfsvoering op het perceel [locatie 2] dat het agrarische bouwperceel wel als zodanig is bestemd, maar dat de ten zuiden daarvan gelegen gronden zijn bestemd ten behoeve van het Bentwoud. Gelet op de omstandigheid dat [appellante] ter zitting onweersproken heeft gesteld dat deze gronden nodig zijn voor een rendabele bedrijfsvoering op het perceel [locatie 2] heeft de raad niet in redelijkheid slechts de gronden met daarop de bedrijfsgebouwen en de aanduiding "bouwvlak" voor agrarische doeleinden kunnen bestemmen. Voorts heeft de raad ter zitting aangegeven dat medio 2012 de niet langer voor agrarische doeleinden bestemde gronden onteigend zullen worden en dat derhalve het agrarische gebruik op die gronden binnen korte tijd zal worden beëindigd. In dit licht acht de Afdeling het niet redelijk dat de door [appellante] gewenste wijziging van de bedrijfsvoering slechts mogelijk wordt gemaakt via een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 5 van de planvoorschriften. Het college heeft het vorenstaande miskend.

Aan de gronden ter plaatse van het perceel [locatie 1] zijn de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met, voor zover thans van belang, de aanduiding 'grasdrogerij (Bg)' en de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" toegekend. [appellante] heeft ter zitting aangegeven dat in de drogerij voornamelijk gewassen worden gedroogd die afkomstig zijn van gronden die niet in het plangebied zijn gelegen. In zoverre is derhalve geen sprake van een directe relatie van de drogerij met de ten zuiden daarvan gelegen gronden die zijn bestemd ten behoeve van het Bentwoud. Voorts heeft de raad ter zitting aangegeven dat hij heeft beoogd de bedrijfsvoering van de drogerij als zodanig te bestemmen. Nu [appellante] ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de toegekende aanduiding niet volledig recht doet aan de bedrijfsvoering, omdat in de drogerij voornamelijk paprikaloof wordt gedroogd en derhalve de aanduiding grasdrogerij te beperkt is en dat de activiteiten van de drogerij plaatsvinden op een groter gebied dan de toegekende aanduiding, heeft de raad niet bereikt wat hij heeft beoogd. Binnen de bestemming "Agrarische doeleinden (A)", grenzend ten zuiden aan de gronden van de drogerij, is het immers niet toegestaan om de drogerijactiviteiten uit te voeren. Het college heeft dit miskend.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot de belemmering van de bedrijfsvoering geen bespreking.

Financiële uitvoerbaarheid

2.10. [appellante] betwist de financiële uitvoerbaarheid van het plan. In dit verband voert zij aan dat niet zeker is of de voor het Bentwoud benodigde gronden van haar kunnen worden aangekocht. Uit een door [appellante] overgelegd krantenartikel volgt dat er een tekort van 16 miljoen euro is en dat niet vaststaat dat het Bentwoud is gerealiseerd voor 2013, waardoor de benodigde subsidie niet zal worden verkregen. Voorts is de benodigde inbreng van private middelen nog niet zeker.

2.10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de provincie Zuid-Holland voldoende financiële middelen beschikbaar zal stellen voor de ontwikkeling van het Rijnwoudse gedeelte van het Bentwoud.

2.11. In de plantoelichting staat dat de verschillende projecten die met het voorliggende plan Bentwoud mogelijk worden gemaakt grotendeels gefinancierd worden door het rijk en de provincie Zuid-Holland en ten dele in publiekprivate samenwerkingsconstructies.

De verwerving en inrichting van de gronden wordt gefinancierd door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De provincie Zuid-Holland beschikt over deze financiering. Daarnaast wordt een deel van het Bentwoud gefinancierd door lagere overheden en met particuliere initiatieven, aldus de plantoelichting. Ter zitting is door het college verzekerd dat voor het Rijnwoudse gedeelte van het Bentwoud voldoende financiële middelen beschikbaar zijn en dat het in het door [appellante] overgelegde krantenartikel genoemde tekort ziet op het deel van het Bentwoud dat in Waddinxveen is gelegen. Dit leidt er volgens het college niet toe dat het deel van het Bentwoud in Rijnwoude niet zal worden aangelegd. Voorts heeft het college ter zitting onweersproken gesteld dat de subsidie zal worden verkregen nu voor 2013 met de aanleg van het Bentwoud zal worden begonnen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de voor het Bentwoud benodigde gronden niet van [appellante] kunnen worden aangekocht.

Conclusie

2.12. De conclusie is dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de aanduiding "bouwvlak (b)" ter plaatse van het perceel [locatie 2] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door dit plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De conclusie is voorts dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de aanduiding "grasdrogerij (Bg)" ter plaatse van het perceel [locatie 1] en het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de aanduiding "bouwvlak (b)" aan de zuidzijde grenzend aan de drogerij ter plaatse van het perceel [locatie 1], zijn vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door deze plandelen niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit ook op deze punten dient te worden vernietigd.

Tevens ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan voornoemde plandelen.

2.12.1. De conclusie is voorts dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemmingen "Recreatiebos (RB)", met deels de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid I", en "Natuurbos (NB)" ter plaatse van de percelen [locatie 1 en locatie 2] niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante] is in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.13. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-484538, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a) het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de aanduiding "bouwvlak (b)" ter plaatse van het perceel [locatie 2];

b) het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de aanduiding "grasdrogerij (Bg)" ter plaatse van het perceel [locatie 1];

c) het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de aanduiding "bouwvlak (b)", gelegen ten zuiden van de drogerij, ter plaatse van het perceel [locatie 1];

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II. genoemde plandelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 7 juli 2009, voor zover daarbij is besloten omtrent de goedkeuring van de onder II. bedoelde plandelen;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van haar beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 654,05 (zegge: zeshonderdvierenvijftig euro en vijf cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011

533-649.