Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO9212

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-12-2010
Datum publicatie
29-12-2010
Zaaknummer
201005554/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2006 heeft de raad aan [appellanten]

€ 88.319,00 ter vergoeding van planschade, vermeerderd met wettelijke rente, toegekend.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/62 met annotatie van J.W. van Zundert
JG 2011/5 met annotatie van mw. mr. T. ten Have
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005554/1/H2.

Datum uitspraak: 29 december 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en [appellante B]. (hierna: [appellanten]), beide gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 april 2010 in zaak nr. 08/2734 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de raad van de gemeente Oirschot.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2006 heeft de raad aan [appellanten]

€ 88.319,00 ter vergoeding van planschade, vermeerderd met wettelijke rente, toegekend.

Bij besluit van 27 mei 2008 heeft de raad het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2010, verzonden op 27 april 2010, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 juli 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. E. Oomen, advocaat te Nijmegen, vergezeld van [directeur] van [appellante A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.S. Rotman, werkzaam bij de gemeente Oirschot, vergezeld van mr. drs. L.A. van Montfoort, werkzaam bij Adviesbureau Van Montfoort, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.3. [appellanten] hebben tot 23 april 2003 een benzinestation geëxploiteerd aan de Bestseweg te Oirschot. Zij hebben verzocht om vergoeding van planschade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Aansluitpunt A58/Kempenweg" (hierna: het bestemmingsplan), dat de aanleg van op- en afritten van de rijksweg A58 van en naar de Kempenweg in Oirschot, alsmede de oprichting van een verkooppunt voor motorbrandstoffen op de hoek van de Kempenweg en Slingerbos, mogelijk maakt. Zij hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat als gevolg van de feitelijke realisering van de aansluiting met de rijksweg A58 en het opheffen van de oude aansluiting, alsmede de vestiging en ingebruikname van het nieuwe benzinestation op de gunstige locatie nabij de nieuwe aansluiting met de rijksweg A58 de omzet van hun benzinestation is gedaald.

2.4. De raad heeft het verzoek om planschade ter advisering voorgelegd aan Adviesbureau Van Montfoort (hierna: Van Montfoort). In zijn advies van 31 oktober 2006 heeft Van Montfoort opgemerkt dat het onmogelijk is om met enige mate van zekerheid aan te geven in welke mate de omzetdaling van het door [appellanten] geëxploiteerde tankstation in de jaren na 1998 is te wijten aan ofwel de veranderde wegenstructuur ofwel de ingebruikname van een concurrerend tankstation op een strategisch gunstig gelegen plaats. Naar het oordeel van Van Montfoort staat wel in voldoende mate vast dat de verandering in de wegenstructuur slechts in zeer beperkte mate debet kan zijn geweest aan het omzetverlies. Daarbij neemt hij in aanmerking dat de invloed van onder meer snelheidsbeperkende maatregelen op de route via de Bestseweg naar de rijksweg A58 niet kan en mag worden meegewogen nu daar ook zonder de vaststelling van het bestemmingsplan rekening mee diende te worden gehouden. Gelet op de uitzonderlijk gunstige situatie van het nieuwe motorbrandstoffenverkooppunt op de hoek van de Kempenweg en Slingerbos, acht Van Montfoort een vergoeding voor omzetschade evenwel op zijn plaats. De omzetschade die voor vergoeding in aanmerking komt wordt door hem begroot op € 88.319,00.

De raad heeft dit advies aan het besluit van 19 december 2006, gehandhaafd bij besluit van 27 mei 2008, ten grondslag gelegd.

2.5. De rechtbank heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte aansluiting van de Kempenweg op de A58, niet betekent dat voor [appellanten] sprake is van een planologische verslechtering, aangezien hun brandstoffenverkooppunt nog steeds op dezelfde locatie ligt en niet minder bereikbaar is geworden. Dat als gevolg van de realisering van het nieuwe aansluitpunt op de rijksweg A58 de verkeerscirculatie is gewijzigd, alsmede een gedeelte van de oude provinciale weg aan het verkeer is onttrokken, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders, nu het gedeelte van de provinciale weg dat aan het verkeer is onttrokken, niet dat gedeelte is waaraan het tankstation van [appellanten] is gelegen en voorts de gewijzigde verkeerscirculatie geen planologisch gevolg is van het nieuwe bestemmingsplan maar van een besluit dat zijn grondslag vindt in andere regelgeving dan de WRO. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de bouw van het nieuwe tankstation geen ruimtelijk relevant effect heeft op het door [appellanten] geëxploiteerde tankstation en dat de door hen gestelde concurrentieschade weliswaar kan worden aangemerkt als een gevolg van de planologische mutatie, maar geen ruimtelijk relevant gevolg daarvan is en derhalve niet vergoedbaar is op grond van artikel 49 van de WRO.

2.6. [appellanten] betogen dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, er een rechtstreeks verband is tussen het realiseren van een nieuwe aansluiting met de rijksweg A58 en de gewijzigde verkeerscirculatie en dat dit laatste derhalve wel degelijk een planologisch gevolg is van het nieuwe bestemmingsplan dat die aansluiting mogelijk maakt. Ter motivering voeren zij in de eerste plaats aan dat de onttrekking van een gedeelte van de provinciale weg aan het verkeer en het nemen van snelheidsbeperkende maatregelen op de Bestseweg niet los kunnen worden gezien van de realisering van het nieuwe aansluitpunt met de rijksweg A58, nu het doel van dit alles was het verkeersluw maken van de Bestseweg. Als gevolg van deze maatregelen wordt de Bestseweg minder gebruikt door zakelijk verkeer en vrijwel alleen nog door plaatselijk verkeer, waaruit minder omzet te halen valt. [appellanten] voeren verder aan dat eerst nadat de nieuwe aansluiting met de rijksweg A58 was gerealiseerd, een rendabele exploitatie van een benzinestation aan de Kempenweg mogelijk werd, zodat de schade die zij lijden als gevolg van dat nieuwe benzinestation ook het gevolg is van het verplaatsen van de aansluiting met de rijksweg A58. Zij wijzen tot slot op een brief van MPSI Systems Limited, waaruit volgens hen blijkt dat het omzetverlies mede het gevolg is van het verplaatsen van de aansluiting met de rijksweg A58.

2.6.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat wat betreft de bereikbaarheid van het benzinestation van [appellanten] als gevolg van de verplaatsing van de aansluiting met de rijksweg A58 feitelijk niet veel is veranderd. De verbinding tussen Best en de aansluiting met de A58 bij Oirschot blijft immers in stand en verkeer uit Best dat naar Oirschot of de aansluiting met de rijksweg A58 wil, kan gebruik blijven maken van de Bestseweg, en komt dan nog steeds langs het tankstation van [appellanten]. Daaraan doet niet af dat vervolgens vanaf de ten westen van het benzinestation van [appellanten] gelegen rotonde een andere route dan voorheen moet worden gevolgd om de nieuwe aansluiting met de rijksweg A58 te bereiken. Het vorenstaande betekent dat, voor zover het bestemmingsplan voorziet in de verplaatsing van de aansluiting op de rijksweg A58, van een planologische verslechtering geen sprake is.

Dat de raad bij de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan voor ogen heeft gehad verkeer tussen de gemeente Best en het aansluitpunt met de A58 bij Oirschot via de Bestseweg te ontmoedigen doet aan hetgeen hiervoor is overwogen niet af. Uit het bestemmingsplan volgt dat, om het gestelde doel te bereiken, aanvullende infrastructurele maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen, bestaande uit het afsluiten van een deel van de oude provinciale weg voor verkeer en het aanbrengen van snelheidsbeperkende maatregelen op de Bestseweg, zijn geen besluiten tot wijziging van het geldende planologische regime als bedoeld in artikel 49 van de WRO. In artikel 49 van de WRO zijn de besluiten tot wijziging van het planologische regime ten gevolge waarvan een belanghebbende planschade kan lijden, limitatief opgesomd, zodat deze maatregelen, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, bij de beoordeling van het planschadeverzoek buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

Tot slot kan aan de brief van MPSI, door de raad ontvangen op 8 februari 1997, niet de betekenis worden toegekend die [appellanten] daaraan gehecht willen zien. Weliswaar staat in die brief dat de veranderde wegenstructuur en de oprichting van een nieuw benzinestation ongeveer evenveel invloed hebben op de omzet van het benzinestation van [appellanten], doch dat die omzetdaling mede het gevolg is van de planologische wijziging bestaande uit de verplaatsing van de aansluiting met de rijksweg A58 kan daaruit niet worden afgeleid.

Gelet op het vorenstaande faalt het betoog.

2.7. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bouw van een tankstation aan de Kempenweg geen ruimtelijk relevant effect heeft op het door hen geëxploiteerde tankstation en dat de door hen gestelde concurrentieschade weliswaar kan worden aangemerkt als een gevolg van de planologische mutatie, maar geen ruimtelijk relevant gevolg daarvan is en derhalve niet voor vergoeding op grond van artikel 49 van de WRO in aanmerking komt. Zij voeren daartoe aan dat, samengevat weergegeven, toegenomen concurrentie als gevolg van een planologische wijziging in het geval van een benzinestation wel een ruimtelijk relevant gevolg is, aangezien de overheid de benzinemarkt sterk reguleert door middel van, onder meer, bestemmingsplannen.

2.7.1. Bij de beoordeling of sprake is van een planologisch nadeliger situatie ten gevolge van een planologische wijziging, zijn slechts ruimtelijke gevolgen relevant. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraken van 4 juli 2007 in zaak nr. 200609219/1, 8 augustus 2007 in zaak nr. 200700731/1 en 14 januari 2009 in zaak nr. 200802868/1) kan toegenomen concurrentie onder omstandigheden weliswaar worden aangemerkt als een gevolg van een planologische mutatie, maar is dit geen ruimtelijk relevant gevolg daarvan. Het betoog dat deze jurisprudentie hier niet van toepassing is, nu deze betrekking heeft op de vestiging van een hotel onderscheidenlijk detailhandel, terwijl het hier gaat om de vestiging van een concurrerend benzinestation, kan niet worden gevolgd. De bevoegdheid bestemmingsplannen vast te stellen is voor een gemeente een belangrijk instrument bij het reguleren van (openbare) ruimte. Dat daarbij, naar [appellanten] betogen, onder meer de benzinemarkt wordt gereguleerd, maakt op zichzelf niet dat toegenomen concurrentie als gevolg van de vestiging van een concurrerend benzinestation in de nabijheid van een bestaand benzinestation een ruimtelijk gevolg is van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan dat de vestiging daarvan mogelijk maakt. Dat, naar [appellanten] voorts betogen, anders dan bij een hotel of winkel het geval is, een bezoek aan een benzinestation doorgaans geen doel op zich is en benzinestations ook niet van elkaars nabijheid profiteren, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Tot slot noopt ook de door [appellanten] genoemde uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2009 in zaak nr. 200804978/1 niet tot een ander oordeel, reeds omdat de in die zaak aan de orde zijnde schade niet het gevolg was van de oprichting van een concurrerend benzinestation maar van een gewijzigde infrastructuur. De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande terecht overwogen dat de geleden omzetschade, voor zover deze het gevolg is van de toegenomen concurrentie, niet voor vergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO in aanmerking komt.

Het betoog faalt derhalve.

2.8. Tot slot betogen [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun betoog dat de door Van Montfoort gemaakte schadeberekening niet juist is.

2.8.1. Ook dit betoog faalt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank terecht tot de slotsom is gekomen dat voor vergoeding van schade op grond van artikel 49 van de WRO geen aanleiding bestaat. Gelet daarop heeft zij terecht geen aanleiding gezien hetgeen [appellanten] in beroep hebben aangevoerd met betrekking tot de hoogte van de schade te bespreken.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Wieland

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2010

502.