Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO9160

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-12-2010
Datum publicatie
29-12-2010
Zaaknummer
201003274/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2010 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Meerlo-Wanssum bij besluit van 6 juli 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Zone Industrielawaai bedrijventerreinen Haven Wanssum en Tienray".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/40 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Gst. 2011/33 met annotatie van A.A.J. de Gier
TBR 2011/123 met annotatie van H.J. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003274/1/R3.

Datum uitspraak: 29 december 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2010 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Meerlo-Wanssum bij besluit van 6 juli 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Zone Industrielawaai bedrijventerreinen Haven Wanssum en Tienray".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 april 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de raad van de gemeente Venray (als rechtsopvolger van de raad van de gemeente Meerlo-Wanssum; hierna: de raad) en [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2010, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. S.D. van Reenen, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, is verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Hendriks, werkzaam bij de gemeente, als partij en [belanghebbende], vertegenwoordigd door [directeur], en [technisch directeur], als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 2]

2.1. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.1.1. Het ontwerp van het bestreden besluit is op 26 juni 2008 ter inzage gelegd. Gelet op artikel 3:16, eerste en tweede lid, van de Awb is de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen geëindigd op 6 augustus 2008. [appellant sub 2] heeft zijn zienswijze op 7 augustus 2008 per aangetekende post verzonden aan de gemeente Meerlo-Wanssum, waar deze op 8 augustus 2008 is ingekomen. De zienswijze is derhalve buiten de daarvoor geldende termijn naar voren gebracht.

2.1.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2010, zaak nr. 200906784/1, die betrekking heeft op het beroep van [appellant sub 2] tegen een met het bestemmingsplan samenhangend besluit tot vaststelling van een hogere waarde als bedoeld in de Wet geluidhinder, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het niet tijdig naar voren brengen van een zienswijze [appellant sub 2] redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het beroep van [appellant sub 2] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2. Met het bestemmingsplan wordt, voor zover hier van belang, beoogd op een perceel van [belanghebbende] aan de Geijsterseweg te Wanssum (hierna: het perceel) opslag van betonelementen door [belanghebbende] mogelijk te maken. Het plan voorziet daartoe, voor zover hier van belang, in de wijziging van de bestemming van het opslagperceel van "Agrarische doeleinden A" naar "Bedrijventerrein BT". Voorts voorziet het plan in een gewijzigde vaststelling van de bestaande geluidzone rond het bedrijventerrein waar het bedrijf van [belanghebbende] deel van uitmaakt.

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4. [appellant sub 1] betoogt dat het perceel, dat is gelegen ten noorden van zijn woning, al jarenlang illegaal door [belanghebbende] wordt gebruikt als opslagterrein en dat dit illegale gebruik door het plan niet mag worden gelegaliseerd. In plaats daarvan zou handhavend opgetreden moeten worden.

2.4.1. Volgens de toelichting bij het plan en het verhandelde ter zitting is het perceel reeds sinds 2000 bij [belanghebbende] in gebruik als opslagterrein en houdt dit verband met de omstandigheid dat [belanghebbende] indertijd op verzoek van de gemeente een deel van haar toenmalige opslagterrein heeft afgestaan om containeroverslagactiviteiten in Wanssum mogelijk te maken, die een fikse economische impuls aan de regio zouden geven. Een van de voorwaarden waarop [belanghebbende] destijds een deel van haar bedrijfsterrein heeft verkocht was dat de gemeente Wanssum-Meerlo mee zou werken aan compensatie van het verlies aan opslagcapaciteit door opslag op het bij [belanghebbende] in eigendom zijnde perceel mogelijk te maken. Tot 2005 vond het gebruik van een deel van het perceel als opslagterrein plaats op grond van een tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO. Enkele jaren later is het onderhavige bestemmingsplan voorbereid en in procedure gebracht teneinde de situatie definitief te legaliseren. Daarbij is het perceel waarop het plan betrekking heeft groter dan de thans door [belanghebbende] ter plaatse reeds voor opslag gebruikte gronden omdat de behoefte van [belanghebbende] aan opslagruimte is gegroeid. Ter zitting heeft [belanghebbende] toegelicht dat de toegenomen behoefte aan opslagruimte verband houdt met de toename van het aantal projecten waarbij het productietempo van [belanghebbende] hoger ligt dan het bouwtempo, zodat meer ruimte nodig is voor het opslaan van reeds geproduceerde maar nog niet afgeleverde betonelementen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat [belanghebbende] voor Wansum een belangrijk bedrijf is dat voor veel werkgelegenheid zorgt. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad er bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen het gebruik van het perceel als opslagterrein planologisch mogelijk te maken. Het enkele feit dat een deel van het perceel de afgelopen jaren illegaal als opslagterrein is gebruikt, vormt geen grond voor een ander oordeel. Het betoog faalt.

2.5. [appellant sub 1] voert aan dat het plan de vergroting van de opslagcapaciteit van [belanghebbende] van 1000 naar 1500 vrachten mogelijk maakt. Als gevolg van deze uitbreiding zal hij zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde van zijn woning veel geluidoverlast ondervinden. Hij betwijfelt of het akoestisch onderzoek wel een juist beeld geeft van de situatie en vreest dat de voor zijn woning toegestane grenswaarde van 55 dB(A) na de bedrijfsuitbreiding zal worden overschreden.

2.5.1. De woning van [appellant sub 1] ligt binnen de geluidzone van het bedrijventerrein waarop het bedrijf van [belanghebbende] is gelegen en het plan brengt daarin geen wijziging. Vanwege de bedrijfsuitbreiding die het plan mogelijk maakt is akoestisch onderzoek verricht door Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. Volgens de notitie van 10 december 2007 waarin van dit onderzoek verslag wordt gedaan is er bij het onderzoek, voor zover hier van belang, vanuit gegaan dat zich nabij de linker- en rechtergrens van het perceel aarden wallen bevinden van - naar de Afdeling begrijpt - 2 meter hoogte. In het bij het plan behorende rapport "Landschappelijke inpassing opslagterrein [belanghebbende] Wanssum" van advies- en ontwerpbureau BRO van 23 juni 2008 wordt echter geadviseerd de landschappelijke inpassing van het perceel niet te realiseren middels de aanleg van grondwallen - die zouden het beeld van een bedrijventerrein juist versterken - maar middels de aanplant van een haag van bomen en struiken. Nu in de toelichting bij het plan en door de raad ter zitting voor de landschappelijke inpassing van het opslagperceel naar dit advies is verwezen, gaat de Afdeling ervan uit dat het niet de bedoeling is de in het akoestisch onderzoek bedoelde aarden wallen te realiseren. Daaruit volgt dat het akoestisch onderzoek is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten zodat de raad zijn standpunt over de akoestische gevolgen van het plan voor de woning van [appellant sub 1] niet op het onderzoek heeft kunnen baseren. Het betoog slaagt.

2.6. Voor zover [appellant sub 1] heeft beoogd te betogen dat het plan zal leiden tot onaanvaardbare stankoverlast ter plaatse van zijn woning, slaagt dat betoog niet omdat [appellant sub 1] dit betoog niet heeft onderbouwd.

2.7. [appellant sub 1] voert aan dat zijn uitzicht en leefomgeving door de uitbreiding van [belanghebbende] zullen worden aangetast. De aanleg van een groenzone rondom het perceel zal dit bezwaar niet wegnemen omdat de hoogte van de opgeslagen containers en goederen vaak hoger is dan 2 meter. Bovendien betwijfelt [appellant sub 1] of [belanghebbende] wel tot de aanleg van de groenzone zal overgaan.

2.7.1. Zoals hiervoor is overwogen wordt volgens de toelichting bij het plan en het verhandelde ter zitting beoogd het perceel landschappelijk in te passen overeenkomstig het advies van BRO van 23 juni 2008. Volgens dat advies zal het perceel worden omzoomd door hoog opgaande populieren met een stevige ondergroei van meidoorn, sleedoorn en gele kornoelje, en bereiken meidoorn- en sleedoornstruiken een hoogte van vier tot vijf meter. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 1] dat de aanleg van een groenzone als hier bedoeld zijn bezwaren niet zal wegnemen omdat de opslag vaak hoger is dan 2 meter.

Met het oog op de realisatie van de landschappelijke inpassing heeft de gemeente een planrealisatieovereenkomst gesloten met [belanghebbende] waarin, aldus de toelichting van [belanghebbende] ter zitting, een inspanningsverplichting is opgenomen om deze te realiseren. De aanleg van de beoogde beplantingshaag is echter niet in (de voorschriften van) het plan geregeld. Nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad de aanleg van de beplantingshaag wel noodzakelijk acht met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, heeft de raad de aanleg daarvan ten onrechte niet in het plan geregeld. Niet valt in te zien dat de raad geen voorschrift in het plan heeft kunnen opnemen, inhoudende dat het gebruik van het perceel conform de bestemming alleen dan planologisch is toegestaan indien een beplantingshaag als hiervoor bedoeld wordt aangelegd en instandgehouden. Het betoog van [appellant sub 1] dat de landschappelijke inpassing onvoldoende in het plan is gewaarborgd, slaagt. Het college heeft ten onrechte goedkeuring verleend aan het bestreden plandeel.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein BT" ter plaatse van het perceel van [belanghebbende] aan de Geijsterseweg te Wanssum is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Tevens geeft het aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 in samenhang met artikel 10:27 van de Awb en in strijd met artikel 28 van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding om goedkeuring aan genoemd plandeel te onthouden.

In het belang van een finale beslechting van het geschil en gelet op het feit dat de gebreken in het besluit naar valt aan te nemen herstelbaar zijn zal de Afdeling de raad opdragen om binnen vier maanden na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voor het perceel van [belanghebbende] aan de Geijsterseweg te Wanssum te nemen en dit besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen.

De Afdeling ziet in dit geval tevens aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de voorbereiding van het nieuwe besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voor genoemd perceel niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht behoeft te geschieden. Dit betekent in dit geval dat de raad een besluit tot vaststelling kan nemen zonder dat hieraan voorafgaand een ontwerpbestemmingsplan ter inzage behoeft te worden gelegd.

2.9. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 9 februari 2010, kenmerk 2010/828, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein BT" ter plaatse van het perceel van [belanghebbende] aan de Geijsterseweg te Wanssum;

IV. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein BT" ter plaatse van het perceel van [belanghebbende] aan de Geijsterseweg te Wanssum;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. draagt de raad van de gemeente Venray op om binnen vier maanden na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor het onder IV genoemde plandeel en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,55 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro en vijfenvijftig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2010

413.