Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO8317

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-12-2010
Datum publicatie
22-12-2010
Zaaknummer
200906437/1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college besloten het door de raad van de gemeente Moerdijk bij besluit van 18 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bosselaar Zuid" goed te keuren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4653
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/1718
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906437/1/M3.

Datum uitspraak: 22 december 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2] (hierna: [appellant sub 2]), gevestigd te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college besloten het door de raad van de gemeente Moerdijk bij besluit van 18 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bosselaar Zuid" goed te keuren.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2010, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], in persoon, en [gemachtigde], en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. T.V.M. ten Berge, advocaat te Breda, en [gemachtigde], zijn verschenen. Het college van gedeputeerde staten is met kennisgeving niet verschenen.

Tevens zijn de raad, vertegenwoordigd door mr. drs. J.L. Damen, ing. J.A.G. van Venrooij en drs. J.P.M. Frijters, allen werkzaam bij de gemeente, en de Ontwikkelingscombinatie Bosselaar-Zuid, vertegenwoordigd door mr. M.P. Wolf, advocaat te Breda, C.H.J.M. van den Berk en M.J.P. Broks, ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

Belanghebbendheid

2.1. De Ontwikkelingscombinatie Bosselaar-Zuid betoogt dat de appellanten [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B], [appellant sub 1 C] en [appellant sub 1 D], namens wie het beroep van [appellant sub 1] en anderen mede is ingesteld, op een dusdanige afstand van het plangebied wonen dat zij hier geen enkel zicht op hebben. Ook voor het overige is volgens de Ontwikkelingscombinatie niet in te zien hoe zij door het plan geraakt zouden kunnen worden. Gelet daarop zijn zij volgens de Ontwikkelingscombinatie niet belanghebbend, en dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. De in het plangebied te realiseren woonwijk zal onder meer worden ontsloten door de Kuringen, aan welke weg enkele appellanten wonen, en die voorts de ontsluitingsweg is voor de wijk waarin alle appellanten wonen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling het aannemelijk dat zij gevolgen kunnen ondervinden van de te verwachten verkeerstoename op deze weg, waardoor zij belanghebbend zijn. Er is geen aanleiding om het beroep voor zover ingesteld namens [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B], [appellant sub 1 C] en [appellant sub 1 D] niet-ontvankelijk te verklaren.

Toetsingskader

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.4. Het bestemmingsplan "Bosselaar-Zuid" heeft betrekking op het circa 30 hectare grote gebied ten zuiden van de woonwijk Bosselaar in Zevenbergen, gelegen tussen de Roode Vaart en de spoorlijn Roosendaal-Dordrecht. Het plan voorziet in de ontwikkeling van maximaal 575 woningen en een brede school. Tevens voorziet het plan in een wijzigingsbevoegdheid waarmee de ontwikkeling van 30 woningen in de zone langs de Roode Vaart mogelijk kan worden gemaakt.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen

2.5. [appellant sub 1] en anderen betogen dat een adequate ontsluiting van het plangebied niet volledig is gewaarborgd. Volgens hen is daarvoor een nieuwe ontsluiting aan zowel de westzijde (via een brug over de Roode Vaart) als aan de oostzijde (de overgang over het spoor) noodzakelijk. Het plan voorziet niet in een oostelijke ontsluiting. Wel voorziet het plan in de aanleg van een brug over de Roode Vaart. Volgens [appellant sub 1] en anderen is onvoldoende gewaarborgd dat deze wordt aangelegd, nu alleen in de plantoelichting en in privaatrechtelijke afspraken is vastgelegd dat de ontsluiting via een brug over de Roode Vaart in ieder geval gerealiseerd moet worden voordat fase 2 en 3 van de bouw van de nieuwe woningen een aanvang heeft genomen. Zij zijn van mening dat de realisatie van de brug als voorwaarde in de planvoorschriften moet worden opgenomen.

[appellant sub 1] en anderen betogen voorts dat in de ontsluiting van het plangebied een belangrijke rol is toegekend aan de Kuringen. Deze weg is gecategoriseerd als een erftoegangsweg (ETW)-2 weg, waarvoor volgens het beleid van de gemeente Moerdijk een maximale verkeersintensiteit van 2000 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal) aanvaardbaar wordt geacht. In 2007 heeft het gemeentebestuur besloten dat deze tijdelijk verhoogd mag worden tot 3000 mvt/etmaal, totdat de nieuwe oostelijke ontsluiting over het spoor richting Hazeldonkse Zandweg is gerealiseerd. Deze tijdelijke ontheffing is niet gekoppeld aan een eindtermijn en nog onzeker is of de genoemde ontsluiting er komt. Indien deze er niet komt zal de Kuringen blijvend een hogere verkeersintensiteit hebben dan volgens het gemeentelijk beleid is gewenst, aldus [appellant sub 1] en anderen. Volgens [appellant sub 1] en anderen is het plan gelet daarop in strijd met de rechtszekerheid.

2.5.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat de aanleg van een brug over de Roode Vaart voldoende is gewaarborgd. De brug is, met de andere elementen die nodig zijn voor een goed functionerende woonwijk, integraal onderdeel van het bestemmingsplan. De benodigde gronden zijn in eigendom van de ontwikkelende partijen. In de grondexploitatie is ook rekening gehouden met de ontwikkeling van de brug. In de ontwikkelingsovereenkomst tussen de gemeente Moerdijk en de ontwikkelingscombinatie is vastgelegd dat alleen fase 1 kan worden ontwikkeld zonder dat de brug is gerealiseerd. Inmiddels is op 9 februari 2009 aanvullend overeengekomen dat de brug wordt aangelegd bij het bouwrijp maken van de eerste fase, aldus het college.

Het college stelt zich voorts met de raad op het standpunt dat de Kuringen als een van de twee ontsluitingsroutes verantwoord is en voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Volgens het college en de raad is de Kuringen vanaf de aanleg in 1970 gedimensioneerd om als ontsluiting voor de toekomstige woonwijk te dienen, en is de theoretische capaciteit hoger dan 3000 mvt/etmaal. De oostelijke ontsluiting, door middel van het doortrekken van de Zuidrand naar het oosten, onder de spoorlijn door naar de Hazeldonkse Zandweg, is nog in een voorbereidende fase. Deze ontsluiting is volgens het college en de raad niet nodig voor Bosselaar Zuid, maar komt pas aan de orde bij de gebiedsontwikkeling ten oosten van Bosselaar Zuid.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat de brug over de Roode Vaart integraal onderdeel van het bestemmingsplan is en is betrokken in de onderzoeken, onder meer het onderzoek naar de economische haalbaarheid van het plan. Er is geen aanleiding om de realisatie van de bestemming "Brug" in twijfel te trekken. Gelet daarop is er geen aanleiding voor het oordeel dat het nodig was de realisatie van de brug als voorwaarde in de voorschriften op te nemen.

Ten behoeve van het bestemmingsplan zijn de gevolgen voor het verkeer berekend. Daarbij is uitgegaan van de ontsluiting van het gebied via de Kuringen en via de aan te leggen brug over de Roode Vaart. Een eventuele oostelijke ontsluiting is niet in de berekeningen betrokken. Er is geen aanleiding de berekeningen onjuist te achten. Gelet op de berekeningen konden de raad en het college zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de verkeersgevolgen van de aanleg van Bosselaar-Zuid bij ontsluiting via de Kuringen en de nieuwe ontsluiting via de brug aanvaardbaar zijn. Dit betoog faalt.

2.6. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het bestemmingsplan Bosselaar Zuid op het gebied van externe veiligheid leidt tot een stijging van het groepsrisico als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. Volgens hen is de berekening van het groepsrisico ten behoeve van het bestemmingsplan gebaseerd op verouderde gegevens uit 2003 en hadden de recentere gegevens uit 2007, die bij de vaststelling van het plan beschikbaar waren, gebruikt moeten worden. Voorts had volgens hen moeten worden gewacht totdat het basisnet Vervoer gevaarlijke stoffen van het ministerie van Verkeer en Waterstaat zou zijn vastgesteld. Zij wijzen op een brief van de minister van Verkeer en Waterstaat aan de Tweede Kamer van 4 december 2008, waaruit blijkt dat deze spoorbaan als een van de spoorbanen met het hoogste risicoprofiel zijn geïndiceerd.

Voorts betogen zij dat de CHAMP-methodiek, die is gebruikt voor de berekening van het groepsrisico, niet goed is toegepast omdat locatiealternatieven met een hoger of lager groepsrisico geen onderdeel zijn van de motivering.

[appellant sub 1] en anderen betogen in dit verband voorts dat in het bestemmingsplan geen aandacht is besteed aan de wijze waarop de adviezen van de brandweer, die bij de verantwoording van het groepsrisico zijn opgenomen, in het bestemmingsplan zijn verwerkt. In afwijking van het advies van de brandweer is ervoor gekozen een afstand van 65 meter aan te houden tussen de woonbebouwing en de spoorbaan, terwijl de door de brandweer geadviseerde afstand van 85 meter is gebaseerd op de letaliteitsgrens bij een warme BLEVE. Het standpunt van het college en de raad dat de aarden (geluids)wal die zal worden aangelegd de effecten van een warme BLEVE voldoende beperkt, achten zij niet voldoende onderbouwd. De brandweer heeft dit standpunt volgens hen ook niet onderschreven.

2.6.1. De raad stelt dat hij bij de planvorming rekening heeft gehouden met de ontwikkeling van het basisnet en daarbij gebruik heeft gemaakt van de toen beschikbare meest actuele prognoses. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de prognoses die in 2007 bekend zijn geworden, geen aanleiding gaven tot een herberekening. Weliswaar neemt het aantal wagens met gevaarlijke stoffen volgens die prognose toe, maar het aantal wagens waarin brandbare gassen wordt vervoerd neemt juist af. Deze wagens zijn maatgevend, in verband met het risico van een BLEVE.

De raad betoogt voorts dat de gebruikte CHAMP-methode voor de verantwoording van het groepsrisico niet zover gaat dat locatiealternatieven moeten worden onderzocht. Een in het project doorgevoerd alternatief betreft het verplaatsen van de geprojecteerde school op een grotere afstand van de spoorlijn.

Volgens de raad heeft de brandweer ingestemd met een bebouwingsafstand van 65 meter tot de spoorbaan in combinatie met een aarden wal tussen de spoorbaan en de bebouwing. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat niet de kansen op letsel en overlijden als gevolg van warmtestraling relevant zijn voor de aan te houden afstand tussen de bebouwing en het spoor. Deze effecten doen zich op een veel grotere afstand dan 85 meter nog voor. Bepalend voor de aan te houden afstand is de drukgolf als gevolg van een BLEVE, die voornamelijk binnen 85 meter effect heeft. Door de drukgolf kunnen gebouwen bezwijken, hetgeen de reden is waarom een afstand van 85 meter wordt aanbevolen. Door een massieve aarden wal wordt de drukgolf afgebogen. Gelet op het doel is een aarden wal in combinatie met een afstand van 65 meter, volgens brandweerkundige inzichten, een gelijkwaardige maatregel, aldus de raad.

2.6.2. De raad heeft de "Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen" (hierna: de circulaire) toegepast, zoals, in afwachting van de wettelijke verankering van het basisnet spoor, wordt aanbevolen door de minister van Infrastructuur en Milieu (www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/vervoer-gevaarlijke-stoffen/basisnet-vervoer-gevaarlijke-stoffen/basisnet-spoor/regels-tot-2012). Voor de opvatting dat de raad had moeten wachten tot het basisnet is vastgesteld, is gelet daarop geen grond.

Zoals voorgeschreven in de circulaire heeft de raad de invloed van het plan op het groepsrisico binnen de afstand van 200 meter van het spoor berekend. Daarbij is het optreden van een BLEVE als maatgevend scenario beschouwd. Er is geen aanleiding om dit uitgangspunt onjuist te achten. Nu het vervoer van brandbare gassen die een BLEVE kunnen veroorzaken, volgens deze prognose afgenomen is ten opzichte van de gebruikte prognose uit 2003 mocht de raad zich op het standpunt stellen dat de in 2007 bekendgemaakte prognoses geen aanleiding gaven tot een nieuwe berekening van het groepsrisico. Geconcludeerd is dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico in het plangebied niet wordt overschreden. De realisatie van het plan heeft geen invloed op het groepsrisico in geheel Zevenbergen, aangezien het centrum van Zevenbergen daarvoor maatgevend is. Er is geen aanleiding om deze conclusies onjuist te achten.

Gelet op de stukken, waaronder de email van de brandweer van 17 december 2008, en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling het aannemelijk dat een aarden wal in combinatie met een afstand van 65 meter van de bebouwing tot het spoor een gelijkwaardige bescherming biedt tegen de gevolgen van een BLEVE als een afstand van 85 meter van de bebouwing tot het spoor.

Gelet op vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de berekening van het groepsrisico op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden, noch voor het oordeel dat de gevolgen van het plan voor het groepsrisico onaanvaardbaar zijn.

2.7. [appellant sub 1] en anderen hebben zienswijzen en bedenkingen naar voren gebracht met betrekking tot wegverkeerslawaai, die zij door middel van een verwijzing in het beroepschrift hebben herhaald en ingelast, zonder deze grond expliciet te vermelden. Ter zitting hebben [appellant sub 1] en anderen ten aanzien van het wegverkeerslawaai naar voren gebracht dat de geluidbelasting rondom de Kuringen niet bij twee woningen, zoals het college volgens [appellant sub 1] en anderen stelt, maar bij 8 woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) overstijgt.

Voorts hebben zij ter zitting gesteld dat 10 tot 15 % meer verkeer zal worden gegenereerd dan in het bestemmingsplan als uitgangspunt is genomen. Daarbij is uitgegaan van de huidige gangbare verkeerskengetallen zoals gepubliceerd door CROW en van 575 woningen in plaats van de 550 woningen waar in het bestemmingsplan van is uitgegaan.

Ten slotte hebben zij gesteld dat de geluidbelasting op de woningen in de Kuringen nog hoger zal zijn dan is berekend, omdat deze weg feitelijk geen 30 kilometer weg is, maar een 50 kilometer weg.

2.7.1. De Kuringen is een 30 kilometerweg, waarop de Wet geluidhinder, ingevolge artikel 74, tweede lid, onder b van deze wet, niet van toepassing is. De raad heeft in het kader van een goede ruimtelijke ordening onderzocht of het te verwachten geluidniveau na realisatie van het plan aanvaardbaar is. Het rapport "Verkeerslawaai reconstructie en bestaande woningen" van adviesbureau RBOI is bij het bestemmingsplan gevoegd. Hetgeen [appellant sub 1] en anderen naar voren hebben gebracht, leidt niet tot het oordeel dat de raad niet had mogen uitgaan van het beeld dat dit rapport geeft van de te verwachten ontwikkeling van de geluidbelasting vanwege het wegverkeer.

Volgens de toelichting bij het bestemmingsplan neemt de geluidbelasting als gevolg van het doortrekken van de Kuringen op een tweetal woningen met maximaal 1,87 dB toe, waarmee de belasting maximaal 49,87 dB bedraagt. Afgerond is dit 2 dB boven de voorkeursgrenswaarde. Blijkens tabel 2.8 in het rapport van RBOI is deze constatering juist; weliswaar wordt ook op andere woningen de voorkeursgrenswaarde overschreden, maar zowel de toename als overschrijding bedraagt op die woningen minder dan afgerond 2 dB(A). De raad kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat dit geluidniveau aanvaardbaar is.

De Afdeling constateert voorts dat op de Kuringen een maximum snelheid van 30 kilometer geldt. De vraag of deze snelheid in de praktijk wordt overschreden, is in deze procedure niet aan de orde.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant sub 1] en anderen hebben voorts zienswijzen en bedenkingen naar voren gebracht met betrekking tot bouwverkeer, waterhuishouding en luchtkwaliteit, die zij door een verwijzing in het beroepschrift hebben herhaald en ingelast. In de overwegingen van het bestreden besluit en het besluit tot vaststelling van het plan is ingegaan op de bedenkingen en de zienswijzen. [appellant sub 1] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen en bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.10. [appellant sub 2] betoogt dat de richtafstand tussen woningen en zijn bedrijf, een autoplaatwerkerij en autospuitinrichting, volgens de door de raad gehanteerde VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de brochure) 100 meter moet bedragen, en dat aan deze richtafstand niet wordt voldaan. Volgens [appellant sub 2] heeft het college met de raad miskend dat de afstand van 100 meter niet vanaf de gevel van het bedrijfspand, maar vanaf de grens van de bedrijfsbestemming moet worden berekend.

2.10.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat voor het bedrijf van [appellant sub 2] moet worden uitgegaan van een inrichting van categorie 3.1 als bedoeld in de brochure. Voor deze categorie geldt een richtafstand van 50 meter. Volgens het college en de raad wordt echter ook indien, met [appellant sub 2], wordt uitgegaan van een inrichting van categorie 3.2 voldaan aan de richtafstand, aangezien binnen de afstand van honderd meter geen directe woonbestemming is gelegd. Wel is binnen dat gebied een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Van deze bevoegdheid kan echter pas gebruik worden gemaakt als bedrijven aan de Huizersdijk worden verplaatst of als kan worden aangetoond dat op een kortere afstand sprake is van een goed woon- en leefklimaat en bedrijven niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering, aldus het college en de raad.

Het college en de raad stellen voorts dat de afstand gemeten is vanaf de grens van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden I" (BI) in het vigerende bestemmingsplan Molengors. Voor het bedrijf van [appellant sub 2] geldt deels ook de bestemming "Bedrijfsdoeleinden II" (BII). Percelen met bestemming BII zijn volgens hen alleen bestemd voor afrasteringen en dergelijke.

2.10.2. Gelet op het verhandelde ter zitting bestaan de werkzaamheden van het bedrijf van [appellant sub 2] voor een belangrijk deel uit het uitdeuken van beschadigde auto's. Naar het oordeel van de Afdeling is het bedrijf daarom een autoplaatwerkerij. Volgens de brochure is dat een inrichting van categorie 3.2, en dient tussen de inrichting en woonbebouwing een afstand van 100 meter in aanmerking te worden genomen.

Volgens het bestemmingsplan Molengors, artikel 8, eerste lid, voor zover hier van belang, zijn de gronden die zijn aangewezen voor bedrijfsdoeleinden I bestemd voor handels- en bedrijfsdoeleinden alsmede ambachtelijke bedrijven. Volgens artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn gronden die zijn aangewezen voor bedrijfsdoeleinden II bestemd voor doeleinden van handel en bedrijf zonder opslag, dienende voor ontsluitingsweg, parkeer- en groenvoorzieningen. Volgens het tweede lid van dit artikel zijn alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals afrasteringen en scheidingsmuren, ten dienste van de bestemming toegestaan. Naar het oordeel van de Afdeling is het gelet op deze voorschriften niet onjuist om de afstand te meten vanaf de grens van het perceel met bestemming BI, aangezien alleen die bestemming toelaat dat op het perceel de activiteiten van het bedrijf worden verricht. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan de richtafstand.

2.10.3. In artikel 9.3 van de planvoorschriften is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk bevoegd is ter plaatse van de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid I" de bestemming "Verkeer en Verblijf" te wijzigen in naar de bestemming "Wonen I" met inachtneming van, voor zover hier van belang, de volgende bepaling:

de milieubelasting van omliggende bedrijven, voor zover deze een milieuhygiënisch aanvaardbaar woonklimaat ter plaatse belemmert, moet zijn opgeheven met dien verstande dat de milieucategorie in ieder geval teruggebracht dient te worden van categorie 3 naar 2;

Gelet daarop kan de bevoegdheid niet worden gebruikt zolang de inrichting van [appellant sub 2] op de huidige wijze in werking is. De aan de wijzigingsbevoegdheid verbonden voorwaarde laat derhalve niet toe dat niet aan de richtafstand zal worden voldaan. Gelet daarop hoefde het college in zoverre geen aanleiding te zien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.11. [appellant sub 2] betoogt voorts dat er onvoldoende zekerheid bestaat dat zijn bedrijf binnen tien jaar kan worden aangepast van een categorie 3.2 naar een categorie 2 bedrijf. Het wijzigen van de milieucategorie moet worden geregeld in een ander bestemmingsplan. Met het voorbereiden daarvan is nog niet aangevangen en [appellant sub 2] betoogt dat hij zich tegen een dergelijk bestemmingsplan zal verzetten.

2.11.1. Om de wijzigingsbevoegdheid te kunnen gebruiken moet voldaan zijn aan voorwaarden waarvan niet zeker is of daaraan binnen tien jaar zal kunnen worden voldaan. Dit staat aan de uitvoering van het plan zoals het thans is vastgesteld echter niet in de weg. Gelet daarop geeft hetgeen [appellant sub 2] aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad het plan niet binnen tien jaar uitvoerbaar mochten achten.

2.12. [appellant sub 2] betoogt dat de voorwaarden voor het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende duidelijk zijn. In een verduidelijking zou moeten worden opgenomen dat in redelijkheid alleen van de wijzigingsbevoegdheid gebruik zou mogen worden gemaakt als alle bedrijven aan de Huizersdijk en de Allenweg worden verplaatst, en dat niet voldoende is als alleen Rotako (Huizersdijk 26 te Zevenbergen) en enkele bedrijven aan de Allenweg hun activiteiten ter plaatse beëindigen.

2.12.1. De voorwaarden voor het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid zijn naar het oordeel van de Afdeling duidelijk vastgelegd in artikel 9.3 van de planvoorschriften. De bezwaren die [appellant sub 2] naar voren brengt hebben betrekking op de toelichting bij het bestemmingsplan. Deze toelichting brengt echter op zichzelf geen rechtsgevolgen tot stand. Gelet daarop kan hetgeen [appellant sub 2] tegen het gestelde in de toelichting aanvoert niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.13. [appellant sub 2] betoogt dat hij door het bestemmingsplan niet meer ten volle gebruik kan maken van de aan hem verleende vergunning. Er bestaat geen ruimte meer voor enige uitbreiding. Volgens [appellant sub 2] heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de plannen voor bedrijfsuitbreiding niet erg concreet zijn. Het bedrijf haalt goede resultaten en een uitbreiding ligt op korte termijn in de rede.

2.13.1. [appellant sub 2] heeft geen concrete plannen voor een uitbreiding van de inrichting voorgelegd. De Afdeling ziet gelet daarop geen aanleiding voor het oordeel dat de raad en het college uitbreidingsmogelijkheden van [appellant sub 2] bij hun overwegingen inzake het plan hadden moeten betrekken.

2.14. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.15. De beroepen zijn ongegrond.

2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2010

539.