Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO8041

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2010
Datum publicatie
20-12-2010
Zaaknummer
201005144/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BM6114, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

RANOV / burgemeestersverklaring / rechtsmiddelen tegen weigering ambtshalve aanbod ogv Regeling

Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2010 in zaak nr. 200909997/1/V1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat, indien een vreemdeling niet traceerbaar is voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst maar toch stelt sedert 1 april 2001 ononderbroken in Nederland te hebben verbleven, uitsluitend de burgemeestersverklaring als bewijs daarvan kan dienen. Dit laat onverlet dat rechtsmiddelen openstaan tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling, in welk kader ook het ontbreken van een burgemeestersverklaring aan de orde kan worden gesteld. Het ligt op de weg van de desbetreffende vreemdeling om dienaangaande feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken, die meebrengen dat de staatssecretaris niet zonder nadere beoordeling het ontbreken van de burgemeestersverklaring aan zijn besluit ten grondslag kan leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005144/1/V1.

Datum uitspraak: 10 december 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 27 april 2010 in zaak nr. 09/11966 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: de Regeling) ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 mei 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2010, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.J.J. Fraanje, advocaat te Dordrecht, en de minister, vertegenwoordigd door drs. H. Heinink, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het besluit van 26 maart 2009 heeft de staatssecretaris de weigering om de vreemdeling ambtshalve een aanbod op grond van de Regeling te doen, in bezwaar gehandhaafd omdat de vreemdeling niet door middel van een burgemeestersverklaring aannemelijk heeft gemaakt dat hij sedert 1 april 2001 ononderbroken in Nederland heeft verbleven.

2.2. De grieven, in onderlinge samenhang bezien en samengevat weergegeven, richten zich tegen de overweging van de rechtbank dat, hoewel de staatssecretaris ambtshalve bekend was met de stukken die de vreemdeling aan de burgemeester van Gorinchem had verstrekt teneinde de verklaring bedoeld onder 2.1 te verkrijgen, geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris deze stukken ambtshalve in de onderhavige procedure bij de beoordeling had moeten betrekken en dat de vreemdeling in de bestuurlijke fase nimmer een beroep op deze stukken heeft gedaan en evenmin ter zake een uitdrukkelijk bewijsaanbod heeft gedaan.

Daartoe voert de vreemdeling aan dat het ontbreken van de burgemeestersverklaring hem pas bij het besluit van 26 maart 2009 is tegengeworpen, waardoor hem de mogelijkheid is onthouden daarop eerder te reageren. Bovendien was de staatssecretaris ermee bekend dat de vreemdeling rechtsmiddelen had aangewend tegen de weigering hem een burgemeestersverklaring te verstrekken.

2.3. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2010 in zaak nr. 200909997/1/V1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat, indien een vreemdeling niet traceerbaar is voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst maar toch stelt sedert 1 april 2001 ononderbroken in Nederland te hebben verbleven, uitsluitend de burgemeestersverklaring als bewijs daarvan kan dienen. Dit laat onverlet dat rechtsmiddelen openstaan tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling, in welk kader ook het ontbreken van een burgemeestersverklaring aan de orde kan worden gesteld. Het ligt op de weg van de desbetreffende vreemdeling om dienaangaande feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken, die meebrengen dat de staatssecretaris niet zonder nadere beoordeling het ontbreken van de burgemeestersverklaring aan zijn besluit ten grondslag kan leggen.

2.4. De vreemdeling heeft geen feiten of omstandigheden, als bedoeld onder 2.3, gesteld en aannemelijk gemaakt, zodat de grieven niet kunnen leiden tot het ermee beoogde doel.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. De Groot

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2010

210.

Verzonden:10 december 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser