Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO6615

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-12-2010
Datum publicatie
08-12-2010
Zaaknummer
201000378/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Bergen-Nieuw Kranenburg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/51 met annotatie van H.J. Breeman en R.J.G. Bäcker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000378/1/R1.

Datum uitspraak: 8 december 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Bergen (NH),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Bergen-Nieuw Kranenburg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 21 januari 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 18 februari 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2010, waar [appellanten], bijgestaan door mr.drs. L.T. van Eyck van Heslinga, advocaat te Alkmaar, en de raad, vertegenwoordigd door drs.ing. T. van der Zande en ing. J. de Boer, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan omvat het perceel van het rijksmonument en museum Kranenburgh aan de Hoflaan 26. Het bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van het museum tot een centrum voor kunst en cultuur (hierna: het Centrum). Het hiervoor geldende bestemmingsplan "Bergen-Dorpskern Zuid" voorzag niet in een dergelijke uitbreiding.

[appellanten] wonen op het aangrenzende perceel [locatie].

2.2. [appellanten] betogen dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door voor dezelfde gronden twee bestemmingsplannen in procedure te brengen, te weten het onderhavige bestemmingsplan en het ten tijde van het instellen van hun beroep evenmin in rechte onaantastbare bestemmingsplan "Bergen-Dorpskern Zuid", waarbij voor dezelfde gronden andere bestemmingen en planregels gelden.

2.2.1. In de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen waaruit volgt dat de raad niet bevoegd is een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor gronden waarvoor een nog niet in rechte onaantastbaar bestemmingsplan geldt. Evenmin volgt uit enig wettelijk voorschrift dat, anders dan [appellanten] betogen, de raad verplicht is de planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan "Bergen-Dorpskern Zuid" op te nemen op de verbeelding van onderhavig plan. Daarnaast heeft de raad aangegeven dat de ontwikkelingen met betrekking tot het Centrum nog niet uitgekristalliseerd waren op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan "Bergen-Dorpskern Zuid" en derhalve niet in dat plan konden worden opgenomen.

2.3. Verder betogen [appellanten] dat in de planregels ten onrechte een definitie van het begrip "dienstwoning" is opgenomen, omdat het bestemmingsplan geen dienstwoning toelaat. [appellanten] betogen tevens dat ten onrechte de aanduiding "bos" op de verbeelding staat aangegeven, omdat het begrip "bos" niet in de planregels staat gedefinieerd.

Hieromtrent overweegt de Afdeling dat in artikel 3.1, onder c, van de planregels is bepaald dat binnen de bestemming "Cultuur en Ontspanning" dienstwoningen niet zijn toegestaan. Gelet hierop heeft de raad in het belang van de rechtszekerheid in redelijkheid een definitie van het begrip dienstwoning in de planregels kunnen opnemen. Ten aanzien van de aanduiding "bos" overweegt de Afdeling dat het begrip niet voorkomt in de planregels zodat daaraan derhalve geen betekenis toekomt.

2.4. [appellanten] achten het in strijd met het rechtszekerheidbeginsel dat in de planregels een ontheffingsmogelijkheid onderscheidenlijk een wijzigingsmogelijkheid voor overschrijding van maten en bestemmingsgrenzen is opgenomen, omdat het in dit bestemmingsplan slechts gaat om één perceel.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gaat om standaardbepalingen die in alle bestemmingsplannen van de gemeente Bergen worden opgenomen en dat de bepalingen zijn bedoeld om bouwtechnische problemen te kunnen oplossen. Daarnaast merkt de raad op dat geen toepassing zal worden gegeven aan artikel 6 van de planregels indien daarmee afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

2.4.2. In artikel 6, onder a, van de planregels is de regeling opgenomen dat door middel van een ontheffingsbevoegdheid een afwijking van maten met ten hoogste 10%, een overschrijding van bouwgrenzen met maximaal 3 meter en de vergroting van een bouwvlak met niet meer dan 10% mogelijk is.

In artikel 6, onder b, van de planregels staat dat ontheffing niet wordt verleend indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

In artikel 7 van de planregels staat dat door middel van een wijzigingsbevoegdheid een overschrijding van maximaal 3 meter van de bestemmingsgrenzen en een vergroting van het bestemmingsvlak van niet meer dan 10% mogelijk is.

De Afdeling oordeelt dat deze regelingen niet ongebruikelijke algemene flexibiliteitsbepalingen betreffen. Deze toegestane afwijkingen zijn niet van zodanige betekenis dat de raad het bestemmingsplan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De omstandigheid dat het om slechts één perceel gaat doet niet aan dit oordeel af, omdat tijdens de voorbereiding dan wel de uitvoering van een bouwplan onder meer de gesteldheid van het terrein of technische problemen aanleiding kunnen zijn om het bouwplan op ondergeschikte punten aan te passen.

2.5. [appellanten] betogen dat artikel 3.1, onder e, van de planregels tekstueel interpretatieverschillen toelaat, omdat de maximale oppervlaktemaat niet direct bij het desbetreffende gebruik wordt genoemd.

Verder vrezen [appellanten] dat de horeca- en podiumactiviteiten en kantoren en detailhandel niet ondergeschikt zullen zijn aan de functie van het Centrum, zodat zij van deze activiteiten overlast zullen ondervinden. Voorts voeren [appellanten] aan dat zij geen relatie zien tussen kunst en cultuur en de voorziene vergaderingen en trouwceremonies in het Centrum.

Voorts voorziet het plan ten onrechte niet in voldoende parkeergelegenheid voor deze evenementen en is ten onrechte de zaterdag maatgevend geacht voor het bepalen van de parkeernorm, aldus [appellanten].

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat over de tekst van artikel 3.1, onder e, van de planregels geen misverstand kan bestaan, omdat een heldere en goed begrensde doeleindenomschrijving is gegeven door in de bepaling de horeca- en podiumactiviteiten wat betreft oppervlakte in te perken.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het begrip "cultuur" in de functie van het centrum voor kunst en cultuur verwijst naar menselijke activiteiten en symbolische structuren in de maatschappij en dat trouwceremonies en podiumactiviteiten derhalve binnen deze definitie passen.

Ten aanzien van de parkeerplaatsen stelt de raad zich op het standpunt dat het aantal parkeerplaatsen in overeenstemming is met de CROW-richtlijnen voor een sociaal cultureel centrum. De raad acht de zaterdagmiddag maatgevend voor de bepaling van de maximaal benodigde parkeercapaciteit omdat dit de drukst bezochte dag is.

2.5.2. Aan de gronden waarop het Centrum is voorzien, is de bestemming "Cultuur en ontspanning" en de aanduiding "museum" toegekend.

Ingevolge artikel 3.1 van de planregels zijn, voor zover van belang, de voor "Cultuur en ontspanning" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "museum" bestemd voor:

a. een centrum voor kunst en cultuur;

b. bij deze doeleinden behorende voorzieningen zoals (ontsluitings-)wegen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging en sierwater.

Met dien verstande dat:

(…)

d. kantoren en detailhandel uitsluitend zijn toegestaan voor zover deze deel uitmaken van en ondergeschikt zijn aan de functie van het centrum voor kunst en cultuur;

e. horeca en podiumactiviteiten uitsluitend zijn toegestaan voor zover deze deel uitmaken van en ondergeschikt zijn aan de functie van het centrum voor kunst en cultuur, en een maximale oppervlakte van respectievelijk 260 m² en 350 m² hebben.

Ingevolge artikel 1, onder 21, van de planregels kunnen in het Centrum museale tentoonstellingen, podiumactiviteiten gerelateerd aan kunst en educatie gerelateerd aan kunst plaatsvinden. Tevens zijn er een ontvangstruimte, kantoor, atelier, winkel en horeca ter ondersteuning van het Centrum (het gaat om kleinschalige horeca van ondergeschikte betekenis) in het gebouw gevestigd en kunnen er vergaderingen en trouwceremonies plaatsvinden.

Aan de gronden waarop de parkeerplaatsen zijn voorzien, is de bestemming "Tuin" toegekend met de aanduidingen "natuur- en landschapswaarden", "parkeerterrein" en "ontsluiting".

Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "natuur- en landschapswaarden" bestemd voor parkeervoorzieningen, met dien verstande dat binnen de bestemming uitsluitend parkeervoorzieningen worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" waarbij in een minimum van 26 parkeerplaatsen wordt voorzien.

2.5.3. Ten aanzien van de gevreesde overlast overweegt de Afdeling dat uit artikel 3.1 van de planregels volgt dat de bestemming "Cultuur en ontspanning" horeca- en podiumactiviteiten en kantoren en detailhandel mogelijk maakt voor zover zij van ondergeschikte betekenis zijn aan de overige activiteiten die ingevolge deze bepaling mogelijk zijn. Voorts leidt artikel 3.1, aanhef en onder e, van de planregels niet tot rechtsonzekerheid, omdat duidelijk is dat horeca-activiteiten uitsluitend zijn toegestaan met een maximale oppervlakte van 260 m² en podiumactiviteiten uitsluitend zijn toegestaan met een maximale oppervlakte van 350 m². Daarnaast overweegt de Afdeling dat de maximaal toegestane oppervlakten van horeca- en podiumactiviteiten beperkt zijn vergeleken met de totale oppervlakte van het Centrum, zodat ook daaruit volgt dat deze activiteiten van ondergeschikt belang zijn.

Ter zitting heeft de raad aangegeven dat bij de vaststelling van het plan is beoogd dat vergaderingen en trouwceremonies in beperkte mate zullen plaatsvinden in het Centrum en derhalve ondergeschikt zullen zijn aan de overige culturele activiteiten in het Centrum. De raad heeft in dit verband met betrekking tot de trouwceremonies ter zitting opgemerkt dat Bergen een relatief kleine gemeente is en er in de gemeente nog ongeveer 15 andere trouwlocaties aanwezig zijn. Nog daargelaten de omstandigheid dat de raad dergelijke argumenten niet heeft aangedragen ten aanzien van de vergaderingen, overweegt de Afdeling dat de beperking van het aantal vergaderingen en trouwceremonies niet in artikel 1, onder 21, van de planregels of elders in de planregels is opgenomen. Gelet hierop heeft de raad niet bereikt wat hij heeft beoogd, namelijk het gebruik van het Centrum voor trouwceremonies en vergaderingen ondergeschikt te maken aan de overige culturele activiteiten in het Centrum.

De Afdeling overweegt ten aanzien van de wijze waarop de parkeercapaciteit is bepaald dat het niet onredelijk is dat de raad rekening heeft gehouden met dubbelgebruik omdat niet alle voorzieningen van het Centrum gelijktijdig geopend zijn. Echter, gelet op de omstandigheid dat het plan niet voorziet in een beperking van het aantal trouwceremonies en vergaderingen die plaats kunnen vinden in het Centrum, kan de zaterdagmiddag niet zonder meer maatgevend worden geacht omdat niet aannemelijk is dat deze activiteiten doorgaans alleen op deze dag zullen plaatsvinden. De raad heeft ter zitting aangegeven dat in het Centrum een zaal met ongeveer 160 zitplaatsen wordt gerealiseerd waarin podiumactiviteiten en vergaderingen zullen plaatsvinden. Gelet hierop heeft de raad niet zonder meer kunnen aansluiten bij de CROW-richtlijnen voor een sociaal cultureel centrum. Voorts is op de verbeelding slechts één plandeel voorzien van de aanduiding "parkeerterrein" waarover de raad in zijn verweerschrift heeft opgemerkt en ter zitting heeft bevestigd dat een uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen niet mogelijk is, omdat de afmetingen van het parkeerterrein op de plankaart gelimiteerd en gebaseerd zijn op het aantal van 26 parkeerplaatsen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan het mogelijk maakt om in de parkeerbehoefte te voorzien. Daarbij is van belang dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat anderszins in de parkeerbehoefte van het Centrum kan worden voorzien.

2.6. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

2.7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bergen (NH) van 25 november 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bergen-Nieuw Kranenburg";

III. veroordeelt de raad van de gemeente Bergen (NH) tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Bergen (NH) aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2010

533-668.