Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO6595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
08-12-2010
Zaaknummer
201007061/5/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "5e herziening bestemmingsplan Buitengebied (voormalige gemeente) Nieuwleusen, Windenergie" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3836
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007061/5/R3.

Datum uitspraak: 30 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend te [woonplaats],

Verzoekers,

en

de raad van de gemeente Dalfsen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "5e herziening bestemmingsplan Buitengebied (voormalige gemeente) Nieuwleusen, Windenergie" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2010, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 november 2010, waar de raad, vertegenwoordigd door L.B. van Dam, werkzaam bij de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Westenwind Dalfsen B.V, vertegenwoordigd door [aandeelhouders], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan maakt de oprichting van vier windturbines in lijnopstelling mogelijk ten westen van Nieuwleusen. De in het plan voorziene windturbines hebben een ashoogte van maximaal 85 meter, een rotordiameter van maximaal 82 meter en een tiphoogte van maximaal 126 meter.

2.3. De raad heeft ter zitting gesteld dat het beroep, voor zover dat is ingesteld door [verzoeker A], niet-ontvankelijk is omdat hij in dit geval niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt. Daarbij heeft de raad er op gewezen dat [verzoeker A] op een afstand van bijna 1,5 kilometer van de in het plan voorziene windturbines woont.

Deze vraag behoeft in het kader van deze procedure geen beantwoording, aangezien [verzoeker B] naar het oordeel van de voorzitter in ieder geval kan worden aangemerkt als belanghebbende en in zoverre naar verwachting sprake zal zijn van een ontvankelijk beroep.

2.4. [verzoekers] hebben de voorzitter gevraagd het plan te schorsen, voor zover dat de bouw van de windturbines mogelijk maakt.

Zij stellen dat het plan ten onrechte is vastgesteld. Hiertoe hebben zij in de eerste plaats, onder verwijzing naar een onderzoek van de Portugese wetenschapper Alves Pereira, aangevoerd dat zij vrezen voor negatieve gezondheidseffecten vanwege het laagfrequente geluid dat windturbines kunnen veroorzaken.

2.4.1. De raad heeft zich bij het nemen van zijn besluit onder meer gebaseerd op het briefrapport 609333002/2008 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu met de titel "Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden". Hierin is gesteld dat het laagfrequente deel van het geluid van windturbines weliswaar tot extra hinder kan leiden, maar dat er gelet op de bestaande onderzoeken nog weinig aanleiding is om te menen dat dit een factor van belang is voor het bepalen van de oorzaak van gezondheidsklachten. Voor de stelling van Alves Pereira dat laagfrequent geluid de oorzaak kan zijn van VAD (Vibro-Acoustic Disease) is volgens het RIVM geen bewijs.

Volgens de raad bestaat er dan ook geen duidelijk verband tussen laagfrequente geluiden van windturbines en gezondheidsklachten. In dit verband heeft de raad er nog op gewezen dat het onderzoek van Alves Pereira zich uitsluitend richtte op het laagfrequente geluid van treinen.

Gelet hierop zijn er volgens de raad geen redenen om te veronderstellen dat de effecten van laagfrequent geluid van de windturbines zodanig zullen zijn dat ten aanzien van [verzoekers] gevreesd moet worden voor gezondheidsklachten.

2.4.2. Mede gezien de afstand van de geplande windturbines tot de woningen van [verzoekers], ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hiervan niet heeft kunnen uitgaan. Daarbij wijst de voorzitter er nog op dat de windturbines zullen moeten voldoen aan de geluidnormen zoals opgenomen in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit).

2.5. [verzoekers] stellen verder dat het plan in strijd is met het provinciale beleid. Hiertoe hebben zij onder meer aangevoerd dat de windturbines rustverstorend werken voor weidevogels en ganzen en dat het plaatsen van de windturbines leidt tot een aantasting van de openheid en rust in het gebied.

2.5.1. Uit de stukken, waaronder de plantoelichting en de zienswijzennota, blijkt dat de raad het ter zake geldende provinciale beleid onderschrijft en als gemeentelijk beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. De raad stelt dat het plan niet in strijd is met dit provinciale beleid, dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was neergelegd in de Omgevingsvisie Overijssel (hierna: de Omgevingsvisie) en in de Omgevingsverordening Overijssel 2009 (hierna: de Omgevingsverordening).

2.5.2. De voorzitter overweegt dat in de Omgevingsverordening is bepaald dat bestemmingsplannen die betrekking hebben op de groene omgeving uitsluitend voorzien in de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines in de vorm van windparken. Volgens de toelichting op de Omgevingsverordening dient een windpark te bestaan uit minimaal vier turbines. Hieraan wordt in dit geval voldaan.

Verder overweegt de voorzitter dat in paragraaf 4.3.2 van de Omgevingsvisie, waar [verzoekers] uitdrukkelijk naar verwijzen, weliswaar als hoofdlijn van beleid is opgenomen dat binnen weidevogel- en ganzengebieden geen aantasting van de openheid en rust plaatsvindt, maar dat daarbij tevens is gesteld dat windenergie in deze gebieden niet op voorhand is uitgesloten en dat dit per locatie dient te worden onderzocht.

Het plangebied is in de Omgevingsvisie aangewezen als ganzengebied, maar valt tevens binnen het gebied dat is aangemerkt als "kansrijk zoekgebied windenergie". Het gebied is niet aangewezen als weidevogelbeheergebied.

In het rapport "Beoordeling van effecten op vogels en overige fauna en flora van windpark Westenwind" van Bureau Waardenburg B.V. van 15 april 2009 is geconcludeerd dat het verstorende effect van de geplande windturbines op onder meer ganzen, mede gezien de aanwezigheid van een spoorlijn en hoogspanningsmasten langs de westzijde van het in het plan voorziene windpark, zeer gering is. Daarbij is aangegeven dat buiten het effectgebied voldoende geschikte uitwijkmogelijkheden voor deze vogels aanwezig zijn. Ook is gesteld dat de rust/slaapplaatsen en foerageergebieden van ganzen voornamelijk ten zuidwesten van het plangebied liggen, zodat geen sprake is van barrièrewerking als gevolg van de geplande windturbines.

[verzoekers] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich bij het nemen van zijn besluit niet op dit rapport heeft mogen baseren.

Gezien het vorenstaande ziet de voorzitter voorshands geen grond voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet in strijd is met het provinciale beleid. In hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd, ziet de voorzitter ook overigens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad bij het nemen van zijn besluit onvoldoende aandacht heeft besteed aan het landschap en aan de in het gebied aanwezige natuurwaarden.

2.6. [verzoekers] hebben vervolgens aangevoerd dat de raad er ten onrechte niet voor heeft gekozen om de windturbines op een alternatieve locatie te realiseren. Zij voeren in dit verband aan dat zij reeds in de zienswijzen hebben gewezen op een uitstekende alternatieve locatie.

2.6.1. De voorzitter overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Blijkens de zienswijzennota heeft de raad de aangedragen alternatieve locatie in zijn besluitvorming betrokken en heeft hij zich op het standpunt gesteld dat een keuze voor dat alternatief niet wenselijk is.

Nu blijkens het vorenstaande op voorhand geen overwegende bezwaren tegen het plan lijken te bestaan, is de voorzitter van oordeel dat de raad de door [verzoekers] voorgestelde alternatieve locatie in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

2.7. Ook in hetgeen [verzoekers] voor het overige hebben aangevoerd, onder meer met betrekking tot het rendement van de voorziene windturbines, ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dan wel is vastgesteld in strijd met het recht.

2.8. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Breunese-van Goor

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2010

208.