Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO6593

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
08-12-2010
Zaaknummer
201008802/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3750
JBO 2010/53 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008802/2/R1.

Datum uitspraak: 30 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster] (hierna: de maatschap), gevestigd te [plaats],

en

de raad van de gemeente Eemsmond,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer de maatschap bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2010, heeft de maatschap de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 november 2010, waar de maatschap, vertegenwoordigd door mr. W. Visser, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, alsmede de raad, vertegenwoordigd door mr. P.M.J. de Goede, advocaat te Groningen, en H.J. Uilenberg-Buist, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een herziene en geactualiseerde planologisch-juridische regeling voor het landelijk gebied van de gemeente Eemsmond. Binnen de randvoorwaarden die gelden vanuit onder meer het landschap, milieu, water en cultuurhistorie biedt het plan aan bestaande functies ontwikkelingsruimte en speelt het plan in op toekomstige ontwikkelingen.

2.3. Ter zitting heeft de maatschap aangegeven dat het verzoek betrekking heeft op de vaststelling van het plan, voor zover aan haar landbouwgronden van ongeveer 70 hectare de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4 (WRA4)" en aan het perceel nabij de ijsbaan van Usquert de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2 (WRA2)" is toegekend. De maatschap verzoekt schorsing van het plan op dit punt, ten einde te voorkomen dat het plan in werking treedt en haar onevenredige lasten oplegt die haar bedrijfsuitoefening ernstig belemmeren.

2.4. De raad heeft ter zitting betoogd dat het verzoek van de maatschap dient te worden afgewezen nu het spoedeisend belang ontbreekt. Daarbij voert de raad aan dat voor normale bewerkingen (die tot het normale onderhoud gerekend kunnen worden) in de gronden van de maatschap geen vergunning is vereist en dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gronden op korte termijn gekilverd of gewoeld zullen worden.

2.5. De maatschap heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat haar perceel nabij de ijsbaan van Usquert op korte termijn zodanig bewerkt zal worden dat hiervoor, anders dan voorheen, op grond van het plan een vergunning is vereist. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzitter voor dit perceel niet gebleken van een spoedeisend belang.

2.5.1. Wat betreft de landbouwgronden van de maatschap van ongeveer 70 hectare waaraan in het plan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4 (WRA4)" is toegekend, heeft de maatschap ter zitting te kennen gegeven dat ieder jaar een kwart van deze gronden wordt gewoeld tot ongeveer één meter diepte en dat deze grondbewerking op korte termijn zal plaatsvinden en dat de gronden regelmatig dieper dan 45 cm worden gekilverd. Gezien de formulering in artikel 51 van de planregels is niet uit te sluiten dat dergelijke werkzaamheden vergunningplichtig zijn op grond van het plan. Derhalve acht de voorzitter, voor zover deze landbouwgronden dieper dan 45 cm worden gewoeld en gekilverd, een spoedeisend belang aanwezig. Gelet hierop dient onderzocht te worden of er op grond van de aangevoerde bezwaren aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen.

2.6. De maatschap voert allereerst aan dat de in artikel 51 van de planregels opgenomen regeling onevenredig bezwarend is voor haar. Voor het kilveren en woelen van haar gronden dieper dan 45 cm is een vergunning nodig en de kosten voor het uitvoeren van het archeologisch onderzoek komen ten onrechte voor rekening van de aanvrager van deze vergunning, aldus de maatschap. Verder betoogt zij dat haar gronden in het verleden al zo diep bewerkt en ingrijpend verstoord zijn dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn.

2.6.1. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie 4 (WRA4)" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het herstel en behoud van archeologische (verwachtings)waarden.

Ingevolge artikel 51, vierde lid, onder 1, is het onder meer verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

- het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 0,45 m, waarbij in acht wordt genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt.

Ingevolge artikel 51, vierde lid, onder 2, is het in artikel 51, vierde lid, onder 1, vervatte verbod niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

- het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik, waaronder in ieder geval wordt verstaan drainage en het uitbaggeren van sloten en grachten, betreffen;

- reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

- mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning;

- aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Ingevolge artikel 51, vierde lid, onder 3, kan de in het eerste lid genoemde vergunning slechts worden verleend indien:

a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;

b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig wordt geschaad, of;

c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:

1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen;

3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Indien het college van burgemeester en wethouders voornemens is om aan de aanlegvergunning voorwaarden te verbinden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

2.6.2. De raad heeft het toekennen van de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1 (WRA1)", "Waarde - Archeologie 2 (WRA2)", "Waarde - Archeologie 3 (WRA3)" en "Waarde - Archeologie 4 (WRA4)" gebaseerd op het RAAP-rapport nr. 1732 "Regio Noord-Groningen: gemeenten De Marne, Winsum, Bedum, Ten Boer, Loppersum, Eemsmond, Appingedam en Delfzijl en de Archeologische verwachtingskaart en beleidsadvieskaart" uit 2008 van het RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. in samenwerking met het archeologisch adviesbureau Deltares (hierna: het RAAP-rapport) en de daarbij behorende Archeologische Advieskaart voor Noord-Groningen. Voor het opstellen van het RAAP-rapport zijn archeologische vindplaatsen en geologische en geomorfologische gegevens geïnventariseerd. Uit dit rapport blijkt waar bekende archeologische vindplaatsen aanwezig zijn en de verwachte archeologische waarden zich bevinden. Daarnaast volgt uit het rapport dat aan gebieden en terreinen waar zich antropogene processen (zoals diepploegen, egaliseren, afgraven e.d.) hebben voorgedaan, een lage kwalitatieve verwachting is toegekend op de bij het RAAP-rapport behorende Archeologische Advieskaart. Niet is betwist dat de gronden van de maatschap op deze Advieskaart niet zijn aangeduid als gebieden met een lage kwalitatieve verwachting.

In hetgeen de maatschap heeft aangevoerd, ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het RAAP-rapport zodanige gebreken bevat dat de toekenning van de dubbelbestemmingen in het plan hierop niet gebaseerd had mogen worden. Dat in haar landbouwgronden geen archeologische waarden meer aanwezig zijn, heeft de maatschap vooralsnog niet aannemelijk gemaakt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter heeft de raad bescherming van de mogelijke waarden door middel van een vergunningstelsel voor bepaalde werkzaamheden noodzakelijk kunnen achten.

De maatschap heeft verder vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat het kilveren en woelen dieper dan 45 cm behoort tot regulier gebruik dat noodzakelijk is voor een goede agrarische bedrijfsvoering en het agrarisch gebruik van haar gronden, zodat deze grondbewerkingen van de vergunningplicht hadden moeten worden uitgezonderd.

2.6.3. De voorzitter overweegt voorts, zoals reeds overwogen in onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010, zaak nr. 200809200/1, dat aan de Monumentenwet 1998 het beginsel ten grondslag ligt dat de verstoorder van het bodemarchief dient bij te dragen aan de kosten voor het archeologische onderzoek ter bescherming van dat bodemarchief, maar dat die kosten in een redelijke verhouding dienen te staan tot de met de beoogde investering gemoeide kosten. In hetgeen de maatschap heeft aangevoerd, ziet de voorzitter vooralsnog geen grond voor de verwachting dat de kosten die zij moet maken voor het doen verrichten van archeologisch onderzoek, onevenredig zijn. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de raad ter zitting heeft aangegeven dat de kosten voor het bureauonderzoek, welk onderzoek aan het archeologisch onderzoek vooraf gaat, voor rekening van de gemeente komen en een vergunning niet is vereist als uit uitgevoerd onderzoek volgt dat ter plaatse in de bodem geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Verder acht de voorzitter van belang dat voor de kosten die zijn gemoeid met het voldoen aan de voorschriften die in het belang van de archeologische monumentenzorg aan zodanige vergunning kunnen worden verbonden in artikel 42 van de Monumentenwet 1998 een schadevergoedingsregeling is opgenomen.

2.6.4. Verder betoogt de maatschap dat het plan, voor zover door haar betwist, financieel niet uitvoerbaar is, omdat onvoldoende rekening is gehouden met planschadeclaims.

Nu de raad ter zitting heeft gesteld dat in de exploitatieopzet rekening is gehouden met mogelijke planschadeclaims ten gevolge van het onderhavige plan, ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan, voor zover door de maatschap betwist, is gewaarborgd.

2.6.5. Voor zover de maatschap vreest dat de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4 (WRA4)" die aan haar landbouwgronden is toegekend een nadelige invloed heeft op de waarde van haar gronden en gebouwen, overweegt de voorzitter dat geen grond bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan op dit punt aan de orde zijn.

2.7. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzitter niet dat de door de maatschap in zoverre aangevoerde gronden in de bodemprocedure tot vernietiging van het bestreden besluit op dit punt zullen leiden, zodat aanleiding bestaat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2010

466-634.