Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO6323

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
06-12-2010
Zaaknummer
201002659/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / vrijstelling / belangenafweging / volledige toets aan artikel 8 EVRM bij vooruitlopen beleid op wijziging Vb2000

Zoals ook is overwogen in de uitspraak van 27 oktober 2010 in zaak nr. 201004896/1/V2 (www.raadvanstate.nl) is de Afdeling, anders dan in haar uitspraak van 9 november 2007 in zaak nr. 200702675/1 (www.raadvanstate.nl), thans van oordeel dat bij de beoordeling of het ontbreken van een geldige mvv in een concreet geval kan worden tegengeworpen uit een op die zaak toegespitste belangenafweging dient te blijken dat de uitzetting van de vreemdeling verenigbaar is met artikel 8 van het EVRM. Bij deze beoordeling dient derhalve een volledige toets aan artikel 8 van het EVRM plaats te vinden.

Anders dan in bovengenoemde uitspraak van 27 oktober 2010, waarin dat oordeel is gebaseerd op het sedert het besluit van 24 april 2009 tot wijziging van het Vb 2000 (Stb. 2009, 198) aan artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 toegevoegde onderdeel I, is dat oordeel in deze zaak gebaseerd op de in 2.2.2. weergegeven toevoeging aan paragraaf B1/4.1.1. van de Vc 2000. De relevante bepaling in het Vb 2000 was ten tijde van belang nog niet gewijzigd. Zoals uit de toelichting bij de wijziging van de Vc 2000 blijkt, werd daarop in het beleid echter vooruit gelopen.

De in grief 1 vervatte klacht is terecht voorgedragen, maar leidt, gelet op hetgeen hierna met betrekking tot grief 2 wordt overwogen, niet tot het ermee beoogde resultaat.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002659/1/V3.

Datum uitspraak: 30 november 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 12 februari 2010 in zaak nr. 09/14597 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2008 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 25 maart 2009 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 februari 2010, verzonden op 19 februari 2010, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 maart 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Op het hoger beroep zijn de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 van toepassing, zoals die luidden tot 1 juli 2010.

2.2. De vreemdeling klaagt in grief 1, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het tegenwerpen van het vereiste dat een vreemdeling dient te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (hierna: het mvv-vereiste) slechts in uitzonderlijke gevallen schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zal opleveren, nu de uit dat vereiste voortvloeiende verplichting Nederland te verlaten slechts tijdelijk van aard is. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank volgens de vreemdeling ten onrechte de tijdelijkheid van de terugkeer van doorslaggevend belang geacht en heeft zij niet onderkend dat, gelet op de wijziging van paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) bij besluit van de staatssecretaris van 24 december 2008, nr. 2008/32 (Stcrt. 2009, nr. 1637, p. 6-7), beoordeeld dient te worden of haar uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

2.2.1. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

2.2.2. Sedert het voornoemde besluit van 24 december 2008 is in paragraaf B1/4.1.1. van de Vc 2000, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

"(…) [H]et ontbreken van een geldige mvv (…) kan [niet] leiden tot afwijzing van de aanvraag, indien een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich daartegen verzet. Een voorbeeld van een dergelijke verplichting is artikel 8 EVRM. Wanneer toetsing aan artikel 8 EVRM aan de orde is, vergt dit een op de concrete zaak toegespitste afweging van alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval.

Aan de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM is, wordt op grond hiervan het mvv-vereiste niet tegengeworpen.

De weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft van rechtswege tot gevolg dat de vreemdeling Nederland eigener beweging moet verlaten en bij gebreke daarvan kan worden uitgezet (artikel 27, eerste lid, onder b, van de Vw 2000). Een dergelijke beslissing moet in overeenstemming zijn met artikel 8 van het EVRM, dat onder meer recht op respect voor het familie- en gezinsleven garandeert."

In de toelichting bij dit besluit is voorts, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"(…) [D]e ontwikkelingen in de procedures bij het EHRM [laten] zien dat de nu in de praktijk gehanteerde wijze van toetsen aan artikel 8 EVRM, bij het ontbreken van een geldige mvv, door het Hof als te beperkt wordt opgevat. (…) Om die reden is expliciet opgenomen dat het mvv vereiste niet wordt tegengeworpen aan de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 EVRM zou zijn. Aanpassing van het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt op een later tijdstip."

2.2.3. Zoals ook is overwogen in de uitspraak van 27 oktober 2010 in zaak nr. 201004896/1/V2 (www.raadvanstate.nl) is de Afdeling, anders dan in haar uitspraak van 9 november 2007 in zaak nr. 200702675/1 (www.raadvanstate.nl), thans van oordeel dat bij de beoordeling of het ontbreken van een geldige mvv in een concreet geval kan worden tegengeworpen uit een op die zaak toegespitste belangenafweging dient te blijken dat de uitzetting van de vreemdeling verenigbaar is met artikel 8 van het EVRM. Bij deze beoordeling dient derhalve een volledige toets aan artikel 8 van het EVRM plaats te vinden.

Anders dan in bovengenoemde uitspraak van 27 oktober 2010, waarin dat oordeel is gebaseerd op het sedert het besluit van 24 april 2009 tot wijziging van het Vb 2000 (Stb. 2009, 198) aan artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 toegevoegde onderdeel I, is dat oordeel in deze zaak gebaseerd op de in 2.2.2. weergegeven toevoeging aan paragraaf B1/4.1.1. van de Vc 2000. De relevante bepaling in het Vb 2000 was ten tijde van belang nog niet gewijzigd. Zoals uit de toelichting bij de wijziging van de Vc 2000 blijkt, werd daarop in het beleid echter vooruit gelopen.

De in grief 1 vervatte klacht is terecht voorgedragen, maar leidt, gelet op hetgeen hierna met betrekking tot grief 2 wordt overwogen, niet tot het ermee beoogde resultaat.

2.3. In grief 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het stellen van het mvv-vereiste in het geval van de vreemdeling geen schending van artikel 8 van het EVRM oplevert.

De vreemdeling betoogt daartoe, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat geen sprake is van een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij familie- of gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving. De rechtbank heeft volgens de vreemdeling bij de beoordeling van de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging ten onrechte niet betrokken dat sprake is van inmenging in het recht op recht op eerbiediging van het familie en gezinsleven van de vreemdeling omdat zij Nederland met een geldige mvv is binnengekomen. Voorts stelt de vreemdeling dat de rechtbank, door te overwegen dat haar beroep op het gelijkheidsbeginsel, in welk kader zij heeft verwezen naar de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in Sen tegen Nederland, van 21 december 2001, nr. 31465/96, JV 2002/30, en Tuquabo-Tekle tegen Nederland, van 1 december 2005, nr. 60665/00, JV 2006/34, niet kan slagen, heeft miskend dat uit die arresten volgt dat, ook indien geen sprake is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen, de belangen van de in Nederland gewortelde echtgenoot en kinderen van de vreemdeling, die allen de Nederlandse nationaliteit hebben, zwaar dienen te wegen. Evenmin heeft de rechtbank onderkend dat haar kinderen, die de Nederlandse nationaliteit hebben, op grond van artikel 3 van het Vierde Protocol van het EVRM recht hebben op verblijf, opvoeding en verzorging in Nederland, aldus de vreemdeling.

2.3.1. Niet in geschil is dat tussen de vreemdeling, haar echtgenoot en haar op 1 december 2005 en 7 november 2008 geboren kinderen sprake is van familie- en gezinsleven, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Van inmenging in het recht op eerbiediging daarvan is evenwel geen sprake, aangezien de weigering de vreemdeling hier te lande verblijf toe te staan er niet toe strekt een verblijfstitel te ontnemen die haar tot het uitoefenen van het familie- en gezinsleven in staat stelde. Dat de vreemdeling Nederland met een geldige mvv is binnengekomen, leidt niet tot een ander oordeel.

2.3.2. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (onder meer het arrest van 25 april 2007, nr. 16351/03, Konstatinov tegen Nederland, JV 2007/251) dient er, ongeacht of sprake is van een positieve of negatieve verplichting, een "fair balance" te worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds.

2.3.3. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 25 maart 2009 op het standpunt gesteld dat het handhaven van het mvv vereiste een overwegend belang voor de Nederlandse staat vormt en dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat sprake is van een verplichting tot verblijfsaanvaarding. Daarbij heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat de vreemdeling bij de intensivering van haar gezinsleven in Nederland wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat haar verblijf in Nederland niet rechtmatig was.

Hoewel de kinderen van de vreemdeling de Nederlandse nationaliteit bezitten, kan, gezien hun zeer jeugdige leeftijd, van hen worden gevergd dat zij hun moeder naar Iran volgen, aldus de staatssecretaris. Bovendien worden zij volgens de staatssecretaris door de afkomst van hun beider ouders geacht ook banden te hebben met Iran. Doorslaggevend acht de staatssecretaris dat niet is gebleken van een objectieve belemmering het gezinsleven in het land van herkomst van de vreemdeling voort te zetten.

2.3.4. Het geheel van de voor de te verrichten belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden, hiervoor vermeld onder 2.3.3., geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank bij de beoordeling van de "fair balance" ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de weigering de vreemdeling een verblijfsvergunning te verlenen niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

Bovengenoemde arresten van het EHRM van 21 december 2001 en 1 december 2005 geven geen grond voor een ander oordeel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat die arresten geen met die van de vreemdeling vergelijkbare situaties betreffen omdat beide zaken aanvragen om toelating betroffen voor een in het buitenland achtergebleven minderjarig kind door ouders die langdurig illegaal in Nederland verbleven. Evenmin geeft het beroep van de vreemdeling op artikel 3 van het Vierde Protocol bij het EVRM, ingevolge welke bepaling, voor zover thans van belang, niemand, bij wege van een maatregel van individuele of collectieve aard, mag worden uitgezet uit het grondgebied van de Staat waarvan hij een onderdaan is, grond voor een ander oordeel. In dit geval is immers geen sprake van de uitzetting uit Nederland van Nederlandse onderdanen.

De grief faalt.

2.4. Grief 3 kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van der Winden

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2010

348-595.

Verzonden: 30 november 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser