Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO5976

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
201009723/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden geen grond kan worden gezien om van het opleggen van de maatregel van bewaring af te zien en met een lichter middel te volstaan.

Daartoe voert hij, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, aan dat hij deelneemt aan het Experiment Perspectief ex-alleenstaande minderjarige vreemdelingen (hierna: het Experiment) en dat in een brief van de Plaatsvervangend Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken, van 26 februari 2010 (hierna: de brief) staat dat deelnemers aan het Experiment niet in bewaring zullen worden gesteld, tenzij in overleg tussen de Dienst Terugkeer & Vertrek (hierna: de DT&V) en de hulpofficier van justitie blijkt dat inbewaringstelling wenselijk is. Nu ten aanzien van hem niet is gebleken van een dergelijk overleg, in de brief niet staat dat openbare orde-aspecten zonder meer in de weg staan aan deelname aan het Experiment en zijn ongewenstverklaring samenhangt met het gebruik van een vals paspoort om aan zijn vertrekplicht te voldoen, heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister niet in redelijkheid van een lichter middel heeft mogen afzien, aldus de vreemdeling.

De minister heeft ter zitting tevens nader toegelicht dat de vreemdeling bekend was als deelnemer aan het Experiment en dat daarom op 1 september 2010 overleg heeft plaatsgevonden over dit project tussen de vreemdelingenpolitie en de DT&V. Hierbij is geoordeeld dat de inbewaringstelling van de vreemdeling rechtmatig kon plaatsvinden.

Uit het dossier blijkt niet van enig overleg tussen de DT&V en de vreemdelingenpolitie. Bij de rechtbank is hiervan geen melding gemaakt, ook niet nadat de rechtbank het onderzoek ter zitting had geschorst om de minister te laten reageren op het betoog van de vreemdeling ten aanzien van zijn deelname aan het Experiment. Ter zitting van de Afdeling heeft de minister weliswaar verklaard dat hij heeft vernomen dat zodanig overleg op 1 september 2010 heeft plaatsgevonden, maar enig stuk daarover is niet voorhanden.

Bovendien is de minister niet bekend met de inhoud van het gehouden overleg en daarmee evenmin van de afweging die vervolgens is gemaakt. Aldus is niet gebleken of de minister in het kader van de te maken belangenafweging bij het opleggen van de maatregel van bewaring acht heeft geslagen op de omstandigheden die daarbij bezien in het licht van de deelname van de vreemdeling aan het Experiment bijzondere aandacht behoeven. Evenmin is gebleken dat de zich in dit geval voordoende openbare orde-aspecten van dien aard zijn dat op voorhand duidelijk is dat deze zich ertegen verzetten dat vanwege de deelname van de vreemdeling aan het Experiment werd afgezien van zijn inbewaringstelling. In de gegeven situatie moet de toepassing van deze maatregel van meet af aan als in redelijkheid niet gerechtvaardigd worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009723/1/V3

Datum uitspraak: 24 november 2010

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 1 oktober 2010 in zaak nr. 10/32238 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2010, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. D. Kuiper, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.M. Blaauw, advocaat te Haarlem en [...], werkzaam bij Stichting Vluchtelingenwerk Noordwest-Holland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden geen grond kan worden gezien om van het opleggen van de maatregel van bewaring af te zien en met een lichter middel te volstaan.

Daartoe voert hij, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, aan dat hij deelneemt aan het Experiment Perspectief ex-alleenstaande minderjarige vreemdelingen (hierna: het Experiment) en dat in een brief van de Plaatsvervangend Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken, van 26 februari 2010 (hierna: de brief) staat dat deelnemers aan het Experiment niet in bewaring zullen worden gesteld, tenzij in overleg tussen de Dienst Terugkeer & Vertrek (hierna: de DT&V) en de hulpofficier van justitie blijkt dat inbewaringstelling wenselijk is. Nu ten aanzien van hem niet is gebleken van een dergelijk overleg, in de brief niet staat dat openbare orde-aspecten zonder meer in de weg staan aan deelname aan het Experiment en zijn ongewenstverklaring samenhangt met het gebruik van een vals paspoort om aan zijn vertrekplicht te voldoen, heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister niet in redelijkheid van een lichter middel heeft mogen afzien, aldus de vreemdeling.

2.1.1. Blijkens de brief strekt het Experiment, dat op 1 oktober 2009 van start is gegaan, ertoe illegaliteit van ex-alleenstaande minderjarige vreemdelingen te voorkomen. Daarbij wordt een tweeledige werkwijze gevolgd: enerzijds het begeleiden van jongeren die (alsnog) in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning en anderzijds, indien geen zicht bestaat op bestendig rechtmatig verblijf, het intensief voorbereiden van de jongeren op hun vertrek uit Nederland. Opdat het Experiment een reële kans van slagen heeft, is het volgens de brief van belang dat de negatieve gevolgen voor het begeleidingstraject als gevolg van de vreemdelingenbewaring tot een minimum worden beperkt. Voorts staat in de brief het volgende vermeld:

"Mocht het tot staandehouding van deelnemers aan het project komen, dan verzoek ik u op basis van een daartoe strekkend verzoek van de DT&V niet over te gaan tot ophouding, de ophouding te beëindigen dan wel de vreemdelingenbewaring van de betrokken ex-alleenstaande minderjarige vreemdeling op te heffen. Uitzondering hierop vormen die zaken waarbij in overleg tussen de DT&V en de hulpofficier van justitie blijkt dat dit niet wenselijk is op grond van openbare orde aspecten en de zaken waarbij de voorbereidingen voor het vertrek van betrokkene zo ver zijn gevorderd dat het belangrijk is om de uitzetting door te zetten en hiertoe de vreemdeling in bewaring te stellen dan wel de bewaring te handhaven. Dit moet per geval in overleg tussen de vreemdelingenpolitie en de DT&V worden bezien."

2.1.2. Ter zitting van de Afdeling heeft de minister nader toegelicht dat het Experiment een landelijke vertaling betreft van een aantal lokale initiatieven, die ten doel hebben ex-alleenstaande minderjarige vreemdelingen intensief te begeleiden bij ofwel het regulariseren van hun verblijf hier te lande, ofwel terugkeer naar het land van herkomst. Deze projectmatige aanpak vindt op dit moment in verschillende gemeenten plaats, waarbij per plaats verschillende methodieken worden gebruikt om resultaten te bereiken.

Hoewel het niet zo is dat deelnemers aan het Experiment na ongewenstverklaring zonder meer in bewaring kunnen worden gesteld, levert ongewenstverklaring wel een contra-indicatie op die noopt tot een nadere belangenafweging. In die belangenafweging, waarbij wordt beoordeeld of tot inbewaringstelling wordt overgegaan dan wel met een lichter middel wordt volstaan, wegen aan de zijde van de minister – naast de ongewenstverklaring – met name de overige gronden die aan de betreffende inbewaringstelling ten grondslag kunnen worden gelegd mee. Aan de zijde van de vreemdeling worden diens persoonlijke omstandigheden meegewogen, waarbij van belang is hetgeen bekend is omtrent zijn deelname aan het Experiment.

2.1.3. De minister heeft ter zitting tevens nader toegelicht dat de vreemdeling bekend was als deelnemer aan het Experiment en dat daarom op 1 september 2010 overleg heeft plaatsgevonden over dit project tussen de vreemdelingenpolitie en de DT&V. Hierbij is geoordeeld dat de inbewaringstelling van de vreemdeling rechtmatig kon plaatsvinden.

2.1.4. Uit het dossier blijkt niet van enig overleg tussen de DT&V en de vreemdelingenpolitie. Bij de rechtbank is hiervan geen melding gemaakt, ook niet nadat de rechtbank het onderzoek ter zitting had geschorst om de minister te laten reageren op het betoog van de vreemdeling ten aanzien van zijn deelname aan het Experiment. Ter zitting van de Afdeling heeft de minister weliswaar verklaard dat hij heeft vernomen dat zodanig overleg op 1 september 2010 heeft plaatsgevonden, maar enig stuk daarover is niet voorhanden.

Bovendien is de minister niet bekend met de inhoud van het gehouden overleg en daarmee evenmin van de afweging die vervolgens is gemaakt. Aldus is niet gebleken of de minister in het kader van de te maken belangenafweging bij het opleggen van de maatregel van bewaring acht heeft geslagen op de omstandigheden die daarbij bezien in het licht van de deelname van de vreemdeling aan het Experiment bijzondere aandacht behoeven. Evenmin is gebleken dat de zich in dit geval voordoende openbare orde-aspecten van dien aard zijn dat op voorhand duidelijk is dat deze zich ertegen verzetten dat vanwege de deelname van de vreemdeling aan het Experiment werd afgezien van zijn inbewaringstelling. In de gegeven situatie moet de toepassing van deze maatregel van meet af aan als in redelijkheid niet gerechtvaardigd worden aangemerkt.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenstaande, het beroep gegrond verklaren. De maatregel van bewaring dient te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 op na te melden wijze een vergoeding toegekend over de periode van 14 september 2010 tot heden, de dag, waarop de bewaring is opgeheven.

2.3. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 oktober 2010 in zaak nr. 10/32238;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;

V. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 5.730,00 (zegge: vijfduizendzevenhonderddertig euro) ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

VI. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.966,50 (zegge: eenduizendnegenhonderdzesenzestig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Roosmalen

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010

53/480-665.

Verzonden: 24 november 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser