Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO5728

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
01-12-2010
Zaaknummer
201007504/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2010 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Leiden bij besluit van 12 november 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Zuidelijke Schil".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007504/2/R1.

Datum uitspraak: 26 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [verzoeker sub 2A] en [verzoekster sub 2B] (hierna in het enkelvoud: [verzoeker sub 2]), wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2010 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Leiden bij besluit van 12 november 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Zuidelijke Schil".

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2010, en [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2010, heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 17 november 2010, waar [verzoeker sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. T.T.M. van Hemert, advocaat te Leiden, [verzoeker sub 2], in de persoon van [verzoeker sub 2A] en bijgestaan door G.G. Versteegen-de Groot, en het college, vertegenwoordigd door ing. H.L. de Lange, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Tevens zijn de raad, vertegenwoordigd door mr. G.C. Schramm, werkzaam bij de gemeente, Werkgroep "Zorg Om Lorentzhof", vertegenwoordigd door R.P. Loekenbach, en stichting Ipse/de Bruggen, vertegenwoordigd door R. Teunissen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker sub 1] heeft verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het plandeel voor zijn perceel [locatie 1] niet in werking treedt, nu dat niet de uitbreidingsmogelijkheid toestaat waarom hij heeft verzocht. Hij beoogt met zijn verzoek te bereiken dat hem een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend voor een uitbreiding aan de noordwestzijde van zijn woning. Daartoe heeft hij reeds een aanvraag ingediend.

2.3. Bij de planvaststelling heeft de raad voor het perceel [locatie 1] een uitbreidingsmogelijkheid voor de aanwezige woning - een rijksmonument - opgenomen aan de zuidwestelijke kant. [verzoeker sub 1] wenst echter een uitbreidingsmogelijkheid aan de noordwestelijke kant, omdat die kant praktisch geen ramen heeft en een uitbouw op die plek naar zijn mening het monument niet zal aantasten. Een uitbreiding aan de zuidwestelijke zijde zal, aldus [verzoeker sub 1], de tuin in tweeën splitsen die daardoor klein en donker zal worden.

2.3.1. Het college acht in navolging van de raad een uitbreiding aan de noordwestelijke kant van de woning niet wenselijk omdat de uitbouw dan in het gedeelte van de tuin zal komen dat aan de openbare ruimte grenst. Het openbare groen en het privégroen aan die kant van de woning zijn verweven, aldus het college, en verdienen bescherming in het plan vanwege het beschermd stadsgezicht. Een uitbreiding aan die kant van de woning zou naar de mening van het college die verwevenheid doorbreken.

2.3.2. Schorsing van het deel van het bouwvlak dat uitbreiding van de woning aan de zuidwestkant toestaat, leidt op zichzelf niet tot het door [verzoeker sub 1] beoogde doel dat hem hangende de bodemprocedure op grond van dit plan voor het bouwplan dat hij aan de noordwestkant van zijn woning wil realiseren een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend. Het treffen van een voorlopige voorziening die hiertoe wel zou strekken is over het algemeen te verstrekkend, aangezien ook de uitspraak van de Afdeling, gelet op de aard van de toetsing in de bodemprocedure, doorgaans niet zal strekken tot het zelfvoorziend vaststellen van een uitbreidingsmogelijkheid die niet in het plan is opgenomen. Van een bijzondere omstandigheid die daartoe desondanks zou nopen, is niet gebleken.

Voorts volgt de voorzitter [verzoeker sub 1] niet in zijn betoog ter zitting dat schorsing van het gehele plandeel voor zijn perceel inwilliging van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen op grond van de vorige planregeling mogelijk maakt. Daargelaten de vraag of het vorige plan niet een weigeringsgrond bevatte die aan inwilliging van de reeds ingediende aanvraag in de weg staat zoals de raad ter zitting heeft gesteld, dient de beslissing op die aanvraag bij afwezigheid van zodanige weigeringsgrond te worden aangehouden, nu voordat [verzoeker sub 1] zijn aanvraag heeft ingediend mede voor zijn perceel een bestemmingsplan ter inzage is gelegd en vastgesteld. Deze aanhouding duurt - voor zover thans van belang - totdat het plandeel in werking is getreden. Schorsing van de goedkeuring van het plandeel voor zijn perceel heeft tot gevolg dat dit plandeel niet in werking treedt zodat de aanhoudingsplicht voor dat plandeel voortduurt. Bij schorsing van het plandeel heeft [verzoeker sub 1] derhalve geen belang.

Dit leidt tot de conclusie dat met het verzoek geen spoedeisend belang is gediend dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het verzoek van [verzoeker sub 1] dient te worden afgewezen.

2.4. Het verzoek van [verzoeker sub 2] is gericht op het niet in werking treden van het plandeel Lorentzhof e.o. dat is voorzien achter en naast haar perceel [locatie 2]. Zij betoogt dat aan dit plandeel geen dan wel onvoldoende onderzoek ten grondslag ligt naar de aanvaardbaarheid daarvan voor het woon- en leefklimaat voor met name haar perceel. Ook zijn de belangen van omwonenden onvoldoende in de besluitvorming betrokken. Inwerkingtreding van dit plandeel zal naar haar mening leiden tot onomkeerbare gevolgen voor haar perceel.

2.4.1. Het plandeel betreft een herontwikkelingslocatie waar nu een verzorgingstehuis voor ouderen is gevestigd (de Lorentzhof) en een orthopedagogisch instituut voor specialistische zorg aan licht verstandelijk gehandicapte kinderen en jongeren tot 18 jaar (stichting Ipse/de Bruggen). Het plandeel voorziet voor deze locatie in nieuwbouw voor de Lorentzhof in combinatie met een wijkservicecentrum op de hoek van de Lammenschansweg en de Lorentzkade, nieuwbouw ten behoeve van het orthopedagogisch instituut Ipse/de Bruggen langs de Stadssloot (waar nu de Lorentzhof staat) en de bouw van ongeveer honderd nieuwe woningen, verspreid langs de Lammenschansweg, de Lorentzkade en in het huidige te handhaven en te restaureren gebouw van Ipse/de Bruggen aan de Zoeterwoudsesingel 33/34. Ook voorziet het plandeel in een ondergrondse parkeergarage voor 130 motorvoertuigen nabij het perceel van [verzoeker sub 2].

2.4.2. Ter zitting is gebleken dat voor de uitvoering van dit plandeel aanvragen voor een omgevingsvergunning voor bouwen worden voorbereid en binnen afzienbare tijd zullen worden ingediend. Derhalve heeft [verzoeker sub 2] een spoedeisend belang.

2.4.3. De voorzitter volgt [verzoeker sub 2] niet in haar betoog voor zover dat betrekking heeft op het ontbreken van onderzoek naar de geluidbelasting en de luchtkwaliteit vanwege het wegverkeer als gevolg van de beoogde realisering van dit plandeel. Uit de bij het plan gevoegde onderzoeksrapporten volgt dat aan de ter zake geldende wettelijke voorschriften wordt voldaan dan wel zal worden voldaan. Weliswaar waren de meetpunten van die onderzoeken gesitueerd bij de ontsluiting van het plandeel aan de Lammenschansweg en niet aan de Zoeterwoudsesingel ter hoogte van het perceel van [verzoeker sub 2], maar [verzoeker sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat uitvoering van het plandeel een dermate toenemende invloed zal hebben op de verkeersintensiteit op de Zoeterwoudsesingel ter hoogte van haar perceel dat deze groter zal zijn dan de berekende verkeersintensiteit op de Lammenschansweg waarvan in de onderzoeksrapporten is uitgegaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat de Lammenschansweg een drukke, doorgaande verkeersader is naar het centrum van de stad en de Zoeterwoudsesingel dat karakter niet, althans niet in die mate heeft.

2.4.4. [verzoeker sub 2] stelt terecht dat de pijlaanduidingen op de plankaart ter hoogte van haar perceel en aan de Lammenschansweg de mogelijkheid bieden de doorgang naast haar perceel ook te gebruiken als inrit naar het terrein, ook al gaan het college en de raad uit van een bouwplan waarin het perceelsgedeelte naast de woning van [verzoeker sub 2] enkel zal worden gebruikt als uitgang van de in het plan voorziene parkeergarage en daarnaast enkele malen per week als in- en uitrit voor leveranciers. Niet duidelijk is geworden of en zo ja, in hoeverre bij de vaststelling van dit plandeel rekening is gehouden met een toename van autoverkeer langs de woning van [verzoeker sub 2] die het plan op dit punt mogelijk maakt. Een onderzoek van die strekking is niet overgelegd. Dit punt is met name van belang nu [verzoeker sub 2] onweersproken heeft gesteld dat haar woning thans reeds vele scheuren vertoont die het gevolg zijn van de trillingen veroorzaakt door het huidige verkeer langs haar woning.

Voorts hebben het college en de raad onvoldoende weersproken de stelling van [verzoeker sub 2] dat de vergroting van de parkeerbehoefte die het plandeel mogelijk maakt niet kan worden opgevangen met de in het plan voorziene parkeergarage. In dit verband is van belang dat de raad ter zitting heeft verklaard dat de parkeergarage is bedoeld voor de bewoners van de Lorentzhof en de bewoners van de te bouwen woningen. Medewerkers en bezoekers van de binnen dit plandeel te vestigen voorzieningen dienen blijkens de verklaring van de raad ter zitting in beginsel in de straten in de omgeving te parkeren zoals ook thans het geval is. [verzoeker sub 2] heeft echter terecht gewezen op het - in de plantoelichting op bladzijde 82 -opgenomen gemeentelijke parkeerbeleid. Volgens de tekst van dat beleid zal de gemeente erop toezien dat bij nieuwbouw en bij ingrijpende verbouwingen of veranderingen van bestaande gebouwen voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein dan wel in of onder een gebouw beschikbaar is voor zowel de gebruikers als de bezoekers van een gebouw. De parkeerbehoefte kan, aldus de tekst van dit beleid, niet op de eventuele capaciteit van het openbaar gebied afgewenteld worden. De voorzitter wijst er in dit verband bovendien op dat blijkens bladzijde 31 van de plantoelichting de parkeerdruk in het plangebied groot is. Een onderzoeksrapport waaruit volgt dat met de in dit plandeel opgenomen parkeergarage in overeenstemming met het gemeentelijke parkeerbeleid kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte die dit plandeel doet ontstaan, is niet overgelegd.

2.4.5. Onder deze omstandigheden acht de voorzitter het niet uitgesloten dat de Afdeling in de bodemprocedure het besluit wat betreft de goedkeuring van dit plandeel niet in stand zal laten. Gelet hierop is er aanleiding navolgende voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [verzoeker sub 2] te worden veroordeeld. Ten aanzien van [verzoeker sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 21 juni 2010, kenmerk PZH-2010-177618860, voor zover het de goedkeuring van het plandeel met de aanduiding "ontwikkelingslocatie Lorentzhof e.o." betreft;

II. wijst het verzoek van [verzoeker sub 1] af;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [verzoeker sub 2A] en [verzoekster sub 2B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 31,89 (zegge: eenendertig euro en negenentachtig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [verzoeker sub 2A] en [verzoekster sub 2B] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Nolles

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2010

291.