Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO5690

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
01-12-2010
Zaaknummer
201008783/1/R1 en 201008783/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008783/1/R1 en 201008783/2/R1.

Datum uitspraak: 23 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Zoetermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 september 2010, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft een nadere uiteenzetting ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 oktober 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. P.H.N. van Spanje, advocaat te Wageningen, en de raad, vertegenwoordigd door IJ.J. Hortensius en drs. M.C.H.W. van Aubel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door R. van Baren, als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan voorziet in de planologische inpassing van een paardenpension. Op het perceel [locatie 1] zijn voorzien een paardenstal, een kleine stal, een paardrijbak, een weide en een mestopslag. Op het perceel [locatie 2] is een paddock annex longeerplaats voorzien.

Op grond van het plan bestaat de mogelijkheid voor het stallen van in totaal 16 paarden, waarvan 13 in de aan de woning voorziene stal en 3 in de losse stal.

2.3. [appellant] exploiteert een melkrundveehouderij met 150 stuks melkrundvee op het perceel [locatie 3].

2.4. Het bestemmingsplan voorziet op de gronden op het perceel [locatie 1] en een deel van het perceel [locatie 2] te Zoetermeer in de bestemmingen "Agrarisch" en "Wonen" met de functieaanduidingen "paardenhouderij (ph)", "archeologische waarden (aw)" en "landschapswaarden (lw)".

Ingevolge artikel 3.1.1 van de planregels, zijn de op de verbeelding voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met uitzondering van boomkwekerijen, boomgaarden en boskoopse cultures;

b. voor zover op de verbeelding mede aangeduid met (ph) voor:

1. het extensief weiden van paarden;

2. maximaal 1 paardrijbak met een omvang van 800 m²;

3. maximaal 1 paddock annex longeerbak met een maximale omvang van 225 m²;

4. het onder b1, b2 en b3 genoemde gebruik dient in verband te staan met het als nevenactiviteit gevestigde paardenpension bij de woning op het perceel [locatie 1];

c. voor zover op de verbeelding mede aangeduid met (aw) en (lw) voor:

1. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van archeologische en landschappelijke waarden van de gronden.

d. met daaraan ondergeschikt:

1. hobbymatige agrarische activiteiten;

(..).

Ingevolge artikel 3.2.2 van de regels, geldt voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

a. dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 2 m;

b. dat maximaal 2 lantaarnpalen mogen worden opgericht met een maximale hoogte van 5 meter ten behoeve van de paardrijbak.

Ingevolge artikel 4.1 van de planregels, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een woning, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of bedrijf;

b. agrarische nevenactiviteiten in de vorm van het houden, fokken en trainen van paarden, alsmede een paardenpension, zoals op de verbeelding met de aanduiding (ph) is aangegeven;

c. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van archeologische en landschappelijke waarden van de gronden, zoals op de verbeelding met de aanduidingen (aw) en (lw) is aangegeven.

(..).

Ingevolge artikel 4.2 is uitsluitend de volgende bebouwing toegestaan:

a. een woning, uitsluitend ter plaatse van de op het moment van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan [locatie 1] aanwezige woning:

• met als maximale inhoud 960 m³;

• met een maximale bouwhoogte van 10 meter en met een maximale goothoogte van 6 meter;

b. een aan de woning gebouwde paardenstal van maximaal 266 m² met een maximale hoogte van 10 meter en een maximale goothoogte van 4,5 meter;

c. een losse stal van maximaal 60 m² met een maximale bouwhoogte van 6 meter en een maximale goothoogte van 3 meter;

d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale hoogte van 3 meter, met dien verstande dat de hoogte van terreinafscheidingen maximaal 2 meter mag bedragen;

e. een mestopslagplaats van maximaal 104 m²;

f. maximaal 1 lantaarnpaal met een bouwhoogte van maximaal 5 meter ten behoeve van de paddock annex longeerbak op het naastgelegen perceel met een agrarische bestemming.

2.5. Ingevolge het onder meer voor het perceel [locatie 1] vigerende plan "1e wijziging bestemmingsplan Zoetermeerse Meerpolder" zijn op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften binnen de bestemming "Woonbebouwing met agrarische nevenactiviteiten" agrarische nevenactiviteiten in de vorm van het houden, fokken en trainen van paarden alsmede een paardenpension, met een totale maximale oppervlakte van 300 m² toegestaan.

2.6. De paddock annex longeerplaats op [locatie 2] is reeds door middel van een onherroepelijke bouwvergunning vergund. Op het perceel [locatie 1] waren reeds legaal een aan de woning gebouwde stal aanwezig met een omvang van 240 m² en een losse stal met een omvang van 60 m².

2.7. [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met de Nota Ruimte, de Nota Belvedère, het Streekplan Zuid-Holland West, het Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020 en het Gemeentelijke Landschapsontwikkelingsplan Zoetermeerse Meerpolder. Ten aanzien van de Nota Ruimte voert hij aan dat voor de benodigde huisvesting van de paarden het bebouwde oppervlak zal toenemen en dat de paardenhouderij niet strookt met een bewuste keus voor een weidegebied.

[appellant] voert aan dat het gebied waarop het plan ziet in het Streekplan Zuid-Holland West wordt aangeduid als waardevol weidevogelgebied en behoort tot de provinciale ecologische hoofdstructuur. Volgens [appellant] heeft het uitbreiden van de stalruimte en het maken van een paardrijbak nadelige gevolgen voor het weidevogelgebied. In dat kader wijst hij tevens op de lichtoverlast die ontstaat voor weidevogels in de polder door de twee lantaarnpalen bij de paardrijbak. Daarbij wijst hij tevens op de inventarisatie van weidevogels door "Wijk en Wouden" waaruit volgens hem blijkt dat er broedparen voorkomen op korte afstand van de paardrijbak. Voorts betoogt hij dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat beplanting en verlichting aan de rand van de Meerpolder op meer plaatsen voorkomen, nu deze alleen rondom woonerven aanwezig zijn en niet over de hele lengte en vrijwel de hele breedte van het perceel, zoals in onderhavig geval.

Verder past volgens [appellant] de toename van beplanting en verlichting die in het plan is voorzien niet in het gemeentelijk beleid.

2.7.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan de kernkwaliteiten van het Groene Hart niet wezenlijk aantast, nu de openheid van de Meerpolder in stand blijft en de voorzieningen geen gevolgen hebben voor de strokenverkaveling en het veenweidekarakter en het een functie is die past binnen een vitaal platteland, zodat geen sprake is van strijd met de Nota Ruimte. Verder heeft de raad vermeld dat de Meerpolder behoort tot het Belvedèregebied, maar dat het perceel [locatie 1] is gelegen in het bebouwingslint aan de ringdijk, zodat geen sprake is van significante gevolgen voor het Belvedèregebied. De raad heeft aangegeven dat het landschapsontwikkelingsplan met name ziet op het open houden van het landschap, doch dat slechts sprake is van een beperkte toename van de uitbreiding van de bebouwing. Daarbij brengt hij naar voren dat op het perceel reeds een stal aanwezig was met een omvang van 240 m². Ten aanzien van de paardrijbak stelt de raad zich op het standpunt dat deze slechts beperkt zichtbaar is vanaf de dijk en door de open structuur een marginale invloed op de openheid van het landschap heeft. Voorts is aangegeven dat het plan is gelegen in de rijksbufferzone en de ecologische hoofdstructuur, maar dat de ontwikkelingen geen grootschalige verstedelijking met zich brengen.

Verder heeft de raad aangegeven dat de gehele Zoetermeerse Meerpolder in het streekplan is aangewezen als weidevogelgebied, ook de lintbebouwing aan de ringdijk, doch dat weidevogels alleen voorkomen op open graslanden en niet in de buurt van bebouwing en beplanting, omdat hun natuurlijke vijanden zich daarin ophouden. Verder heeft de raad gewezen op de quickscan [locatie 1] Zoetermeer van BSR ecologisch advies van 16 maart 2009, waarin staat vermeld dat geen strikt beschermde soorten vogels of beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen zijn aangetroffen, afgezien van enkele vogelsoorten waarvan wordt aangenomen dat deze nestelen in de coniferenhagen en overige perceelbeplanting. De aanwezigheid van de paardenrijbaan met omheining wordt juist als gunstig gezien nu deze door de Boerenzwaluw, die onder meer is aangetroffen in de kleine stal, als foerageer- en rustgebied wordt gebruikt. De raad stelt ten slotte dat de gevolgen van het plan voor de in de polder achter de percelen aanwezige weidevogels beperkt zullen zijn, nu er ter plaatse meer bebouwing en verlichting aanwezig is op de bestaande erven en verlichting op de ringdijk. Verder wordt volgens de raad de verlichting nauwelijks gebruikt in het broedseizoen, nu er gedurende die periode voor het gebruik van de paardrijbak voldoende daglicht is.

2.7.2. De voorzitter ziet gelet op de beperkte toename van de bebouwing op het perceel door de bouwmogelijkheden voor de aan de woning te bouwen stal en de paardenbak, evenals het toestaan van beplanting en de daarmee gepaard gaande geringe inperking van de openheid van het landschap, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende de in de door [appellant] genoemde beleidsstukken opgenomen uitgangspunten in de aan het plan ten grondslag liggende afweging heeft betrokken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de genoemde beleidsstukken geen algemeen verbod op het realiseren van bebouwing en het aanbrengen van beplanting is opgenomen. Verder is niet gebleken dat het plan in de weg staat aan het duurzaam behoud van de kwaliteiten van het veenweidegebied. Gelet op de reeds aanwezige bebouwing en beplanting in de omgeving wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de openheid van het landschap door het plan op onaanvaardbare wijze wordt aangetast.

Mede gelet op de conclusies van de quickscan ziet de voorzitter geen grond om aan te nemen dat de in het plan voorziene bestemmingen niet verenigbaar zijn met de aan het perceel in het streekplan toegekende aanduiding als weidevogelgebied. De voorzitter acht voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een beperkte geschiktheid van het direct achter de erven gelegen weidegebied voor weidevogels vanwege de aanwezigheid in de omgeving van bebouwing, beplanting en verlichting, ook op de ringdijk. In aanmerking genomen het beperkte gebruik van de lantaarnpalen, dat gelet op de daglichtperiode aannemelijkerwijs nauwelijks in het broedseizoen zal plaatsvinden, wordt geen aanleiding gezien om te oordelen dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan slechts een beperkte invloed op de in het gebied aanwezige weidevogels zal hebben. Gelet op het vorenstaande bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat, zoals [appellant] heeft betoogd, de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan. Overigens heeft raad erop gewezen dat in de Provinciale Structuurvisie 2010 van 2 juli 2010 geen ecologische hoofdstructuur meer is opgenomen op het perceel en het niet meer is aangeduid als weidevogelgebied.

2.8. Voorts betoogt [appellant] dat ten onrechte de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden op het perceel niet is overgenomen uit het onder meer ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Zoetermeerse Meerpolder", waarin de bestemming van het perceel "Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden" is.

2.8.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de gronden nog steeds de aanduiding "landschapswaarden" is toegekend. Verder liggen volgens de raad blijkens de ontwikkelingsvisie Meerpolder, behorende bij het bestemmingsplan "Zoetermeerse Meerpolder", onderhavige gronden in deelgebied 1 "Blijvend agrarisch gebied", en niet in deelgebied 2 "Natuur".

2.8.2. Gelet op de in de ontwikkelingsvisie opgenomen aanduidingen, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het niet opnemen van de aanduiding "natuurwaarden" voor de percelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Daarbij is in aanmerking genomen dat door [appellant] niet nader is onderbouwd welke natuurwaarden op de percelen door het ontbreken van deze aanduiding ten onrechte niet beschermd worden.

2.9. [appellant] verwijst voorts naar de VNG-brochure paardenhouderij en ruimtelijke ordening, waarin is opgenomen dat het aantal paarden dat op een bepaald oppervlak gehouden kan worden afhankelijk is van de grondsoort, de mate van bemesting, het totale grondoppervlak en het feit of er wel of geen ruwvoerderwinning plaatsvindt. Volgens [appellant] is maximaal 0,5 ha beschikbaar voor weidegang, hetgeen volgens hem te weinig is, gelet op de slappe grondsoort en omdat er geen ruwvoederwinning plaatsvindt. Verder acht hij dit niet toereikend in verband met het welzijn van de paarden.

2.9.1. De voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de beschikbare grond voor uitloop en beweiding door de paarden voldoende heeft kunnen achten. Daarbij heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezige 0,5 ha weidegrond in de zomer toereikend kan worden geacht, en dat voor de wintertijd de aanvullende voorziening van de paddock/longeerbak aanwezig is.

2.10. [appellant] betoogt dat het plan een belemmering voor een mogelijke uitbreiding van zijn bedrijf vormt en dat door het plan geuroverlast zal ontstaan, omdat de mestopslag moet uitbreiden en er extra ruimte nodig is voor het uitrijden van mest en het weiden van paarden. [appellant] heeft niet nader onderbouwd op welke wijze het plan een belemmering zou vormen voor een mogelijke toekomstige uitbreiding van zijn bedrijf. Voorts heeft hij niet geconcretiseerd voor welke objecten hij geurhinder door het plan vreest. Volgens de stukken is de woning van [appellant] gelegen op een afstand van meer dan 50 meter van het paardenpension en de woningen in de bebouwde kom van Zoetermeer op een afstand van meer dan 100 meter. De voorzitter ziet in deze betogen geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

2.11. Voor zover [appellant] betoogt dat niet is aangetoond dat onderhavig plan noodzakelijk is, overweegt de voorzitter dat een zodanige noodzaak niet een vereiste voor het vaststellen van het plan is.

2.12. Ten slotte betoogt [appellant] dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de verkeersaantrekkende werking en de invloed van het verkeer met paardentrailers en vanwege de buitenritten van de paarden.

2.12.1. De raad heeft aangegeven dat de Meerpolder een doodlopende weg is waarvan alleen bestemmingsverkeer gebruik maakt en waar voldoende passeervakken aanwezig zijn, zodat het verkeer vanwege het paardenpension niet leidt tot onaanvaardbare situaties. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de geschatte toename van 70 motorvoertuigen per etmaal vanwege het paardenpension samen met de geschatte bestaande etmaalintensiteit van 150 motorvoertuigen, binnen de door het CROW aanbevolen normen voor het aan de orde zijnde wegtype blijft. Verder heeft hij aangegeven dat op basis van de ervaringsgegevens van [belanghebbende] bij verhuur van 13 boxen, uitgaande van verhuur van 16 boxen tot een etmaalintensiteit van ruim 23 verkeersbewegingen per etmaal wordt gekomen.

2.12.2. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het bestemmingsplan uit oogpunt van verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling aanvaardbaar heeft kunnen achten. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat sprake is van een weg waar alleen bestemmingsverkeer gebruik van maakt, en uit de door de raad overgelegde berekening blijkt dat de te verwachten verkeersintensiteit op deze weg ook na realisering van het paardenpension beperkt kan worden geacht. Dat ook buitenritten met de paarden zullen worden gemaakt heeft de raad niet tot een andere conclusie hoeven leiden. Voor wat betreft het passeren van paardentrailers heeft de raad kunnen verwijzen naar de aanwezigheid van voldoende passeervakken op de Meerpolder.

2.13. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.14. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2010

444.