Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO5689

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
01-12-2010
Zaaknummer
201006174/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Het Spiegel-Prins Hendrikpark 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006174/2/R1.

Datum uitspraak: 23 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Bussum,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Het Spiegel-Prins Hendrikpark 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2010, beroep ingesteld. [verzoeker] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 20 augustus 2010.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 oktober 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 november 2010, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, en mr. O. Planten, advocaat te Bussum, alsmede de raad, vertegenwoordigd door mr. C. Burgemeestre, advocaat te Amsterdam, ing. P.J.P. Hommel, werkzaam bij het stedenbouwkundig adviesbureau RBOI, en L. Teuwen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord Koningskinderen Kinderdagopvang, vertegenwoordigd door drs. J. Kruyt.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan ziet op het westelijk deel van Bussum en heeft tot doel het beschermen van de ruimtelijke en cultuurhistorische karakteristiek van het plangebied zonder dat aanvaardbare bouwinitiatieven of beperkte functiewijzigingen geheel onmogelijk worden gemaakt. De bestaande situatie dient hierbij als uitgangspunt voor het plan.

2.3. Het verzoek heeft betrekking op de vaststelling van het plan voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" en de subbestemming "Kinderopvang (ko)" voor het perceel Beerensteinerlaan 73 en beoogt onomkeerbare gevolgen van inwerkingtreding van het plan op dit punt te voorkomen.

2.4. Op het perceel Beerensteinerlaan 73 bevindt zich thans een pand waarin voorheen een verpleeg- en verzorgingstehuis was gevestigd. Ter zitting is gebleken dat voor het verbouwen van dit pand een bouwvergunning is verleend die inmiddels onherroepelijk is geworden en dat alle bouwvergunningsplichtige werkzaamheden inmiddels zijn uitgevoerd. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat met het verzoek van [verzoeker] geen spoedeisend belang is gemoeid dat rechtvaardigt dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat tegen gebruik van het pand ten behoeve van de uitoefening van een kinderdagopvang, indien het besluit tot vaststelling van het plan in de bodemprocedure vernietigd wordt, handhavend kan worden opgetreden als het niet in overeenstemming is met het planologische regime dat na vernietiging geldt. De inwerkingtreding van het plan leidt in zoverre niet tot een juridisch onomkeerbare situatie.

Voor zover [verzoeker] ter zitting heeft betoogd dat de kinderdagopvang in december geheel in gebruik zal worden genomen en dit zal leiden tot een nog grotere verkeerstoename en verkeersonveilige situaties, ziet de voorzitter hierin geen grond voor de verwachting dat deze toename zodanig zal zijn dat op dit punt de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

2.5. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2010

466-634.