Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4899

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
200904905/1/V1
Rechtsgebieden
Strafrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2010 in zaak nr. 200903085/1/V1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat een taalanalyse die met toepassing van de in die uitspraak weergegeven werkwijze van De Taalstudio is opgesteld, als een deskundigenrapport moet worden aangemerkt, ook al stelt De Taalstudio niet als eis dat de extern ingeschakelde linguïst een moedertaalspreker is. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat het BLT, alleen op de grond dat het taalanalisten heeft ingeschakeld die moedertaalspreker zijn, beter dan de door De Taalstudio ingeschakelde linguïst in staat is om de spraak van de vreemdeling te beoordelen. Voorts heeft de staatssecretaris zijn betoog dat het oordeel omtrent de authenticiteit van de spraak van de vreemdeling van de door het BLT ingeschakelde taalanalisten dient te prevaleren omdat zij moedertaalspreker zijn, niet – ten minste – aan de hand van een op de vreemdeling toegespitst tegenvoorbeeld beargumenteerd. Het betoog van de staatssecretaris dat vanwege de vreemdeling niet overtuigend is weersproken dat de authenticiteit van spraakkenmerken beter kan worden beoordeeld door een moedertaalspreker, treft daarom geen doel.

De eerste contra expertise is mede gebaseerd op een tweede geluidsopname, die de opsteller van de contra-expertise als aanvullende opname heeft aangeduid en die tot stand is gekomen zonder dat de IND daarbij is betrokken. De in de contra expertise vervatte taalanalyse, voor zover gebaseerd op de tweede opname, kan geen afbreuk doen aan de uitkomst van de taalanalyse, omdat een vanwege een vreemdeling verrichte taalanalyse die niet op de door het BLT gebruikte geluidsopname is gebaseerd naar haar aard geen contra-expertise inhoudt.

Daar komt bij dat de tweede opname geruime tijd later tot stand is gekomen dan de door de IND gemaakte opname. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2008 in zaak nr. 200801429/1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat de vreemdeling, gegeven de op hem ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 rustende bewijslast, moet worden tegengeworpen dat hij geen inzicht heeft geboden in de omstandigheden waaronder de tweede opname is vervaardigd en geen garanties heeft geboden die uitsluiten dat hij zich zodanig op de tweede opname heeft voorbereid dat dit de uitkomst van de daarop gebaseerde taalanalyse heeft beïnvloed. Ook daarom kan de in de contra expertise vervatte taalanalyse, voor zover gebaseerd op de tweede geluidsopname, geen afbreuk doen aan de uitkomst van de taalanalyse.

Voor zover de contra expertise is gebaseerd op de eerste geluidsopname kan deze de uitkomst daarvan niet dragen, nu de opsteller van de contra expertise van oordeel was dat deze "no relevant phonetic data" bevatte en "hardly audible" was.

De eerste contra-expertise kan derhalve de door de taalanalyse versterkte twijfel over de door de vreemdeling gestelde herkomst niet wegnemen.

Verder is de tweede contra-expertise door dezelfde deskundige verricht, terwijl de controle-analyse mede is verricht door een andere moedertaalspreker dan de moedertaalspreker die het BLT bij de taalanalyse heeft betrokken. Dat, zoals de vreemdeling heeft aangevoerd, beide analyses tot stand zijn gekomen onder medeverantwoordelijkheid van dezelfde linguïst, laat onverlet dat beide moedertaalsprekers onafhankelijk van elkaar tot gelijkluidende conclusies zijn gekomen.

De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris zich onder deze omstandigheden door verwijzing naar de taalanalyse en controle analyse deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling zijn herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt en dat het asielrelaas daarom ongeloofwaardig is.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904905/1/V1.

Datum uitspraak: 15 november 2010

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 28 mei 2009 in zaak nr. 07/43616 in het geding tussen:

[vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2007 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 mei 2009, verzonden op 9 juni 2009, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 juli 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet kan worden gesteld dat, omdat de opsteller van de contra-expertises geen moedertaalspreker is, het oordeel van de door het Bureau Land en Taal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: het BLT) ingeschakelde moedertaalsprekers dient te prevaleren. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat vanwege de vreemdeling niet overtuigend is weersproken dat de authenticiteit van spraakkenmerken beter kan worden beoordeeld door een moedertaalspreker.

In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij, in aanmerking genomen dat zij noch de staatssecretaris met betrekking tot de herkomstbepaling van een vreemdeling op basis van taalkenmerken en geografische kennis over deskundigheid beschikt, in de gegeven omstandigheden concrete aanknopingspunten aanwezig acht voor twijfel aan de uitkomsten van de vanwege het BLT verrichte taalanalyses. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij alles afwegende meer waarde mocht toekennen aan de uitkomsten van deze taalanalyses.

2.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen, indien een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.3. In de uitspraak van 18 december 2009 in zaak nr. 200901087/1/V1 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het volgende overwogen.

Indien bij de staatssecretaris twijfel is gerezen over de door een vreemdeling gestelde herkomst en als gevolg daarvan over diens gestelde identiteit en nationaliteit, kan hij, door een taalanalyse te laten verrichten, de desbetreffende vreemdeling tegemoetkomen in de op hem ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 rustende last om het door hem gestelde aannemelijk te maken.

In beginsel mag ervan worden uitgegaan dat een vanwege de staatssecretaris door het BLT verrichte taalanalyse tot stand is gekomen onder medeverantwoordelijkheid van een ter zake deskundige linguïst van wie de kwaliteit voldoende is gewaarborgd en dat de ingeschakelde moedertaalspreker op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat. Niettemin dient de staatssecretaris, indien en voor zover hij tot het laten verrichten van een taalanalyse overgaat en deze aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht van te vergwissen dat de taalanalyse – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is.

Indien de taalanalyse zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is, kan de desbetreffende vreemdeling, gegeven de ingevolge artikel 31, eerste lid van de Vw 2000 op hem rustende last, de bij de staatssecretaris gerezen en door de taalanalyse niet weggenomen twijfel slechts door het laten verrichten van een contra expertise alsnog trachten weg te nemen. Daartoe kan hij de opname van het ten behoeve van de taalanalyse gevoerde gesprek, door een deskundige laten beoordelen. Indien de desbetreffende vreemdeling geen contra expertise laat verrichten, zal de gerezen twijfel reeds daarom blijven bestaan.

Om als contra-expertise te kunnen dienen, moet de op verzoek van een vreemdeling verrichte taalanalyse eveneens zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn.

Indien de uitkomst van een contra-expertise de door de desbetreffende vreemdeling gestelde herkomst niet bevestigt, wordt – gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 – de gerezen twijfel in elk geval niet weggenomen.

2.4. Ten behoeve van zijn besluit van 12 november 2007 heeft de staatssecretaris een taalanalyse laten verrichten omdat bij hem twijfel was gerezen aan de door de vreemdeling gestelde identiteit en herkomst. Het vanwege het BLT opgestelde rapport taalanalyse van 6 juni 2007 (hierna: de taalanalyse) vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

"De vreemdeling spreekt Somalisch met een tongval die hem eenduidig in Noord-Somalië plaatst. Hij probeert een groot gedeelte van het gesprek de tongval van Zuid-Somalië in zijn spraak aan te brengen. Dit klinkt zeer geforceerd en hij is hierin niet consequent. Het blijft gedurende het gehele gesprek duidelijk dat zijn natuurlijke tongval die van Noord-Somalië is".

2.4.1. Volgens het rapport van de onder begeleiding van De Taalstudio in opdracht van de vreemdeling verrichte contra expertise van 6 mei 2008 (hierna: de contra expertise) hebben de geluidsopname van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) en een aanvullende geluidsopname aan de contra expertise ten grondslag gelegen. De eerste geluidsopname was volgens de opsteller van de contra-expertise van slechte kwaliteit, omdat "No relevant phonetic data were available on the first cd which was hardly audible", maar de strekking en inhoud zijn bevestigd in de aanvullende geluidsopname. De uitkomst van de contra-expertise is dat:

"the applicant has a native practice of his language, despite a problem of articulation", "the applicant can be traced to the speech and cultural community within Southern Somalia. He speaks Somali in its Southern variety. The applicant is definitely from Southern Somalia" […] "he doesn't try to put on a Southern accent".

2.4.2. Het BLT heeft hierop gereageerd bij brief van 6 oktober 2008, getiteld 'Weerwoord op contra-expertise' (hierna: het weerwoord), en zich op het standpunt gesteld dat het beoordelen van de authenticiteit van spraakkenmerken typisch een taak is die beter kan worden uitgevoerd door een moedertaalspreker, hetgeen de opsteller van de contra-expertise niet is, dat voor de contra-expertise een aanvullende opname is gebruikt die tot stand is gekomen onder omstandigheden die buiten toezicht en controle van de IND vallen, dat de IND-opname uitstekend verstaanbaar is en dat het niet aan de IND te wijten is dat de vreemdeling weinig heeft gesproken en veel vragen heeft beantwoord met "ik weet het niet", dat de kennis van de vreemdeling over zijn gestelde leefomgeving vrij algemeen bekend en niet gedetailleerd is en de bij de IND inmiddels welbekende standaardinformatie niet overstijgt, en dat de opmerking van de opsteller van de contra-expertise dat in de taalanalyse sommige citaten ten onrechte aan de vreemdeling zijn toegeschreven, onjuist is. Vanwege de stelligheid van de opsteller van de contra-expertise en vanwege diens opmerking dat hij het niet eens is met de stelling dat de vreemdeling probeert het Zuid-Somalisch te imiteren, heeft het BLT besloten om een controle-analyse te laten uitvoeren, aldus het weerwoord.

2.4.3. De uitkomst van de controle-analyse van 2 oktober 2008 (hierna: de controle-analyse) is dat de vreemdeling eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Zuid-Somalië. De controle-analyse vermeldt daartoe – voor zover hier van belang – het volgende:

"De vreemdeling spreekt tijdens het taalanalysegesprek weinig. Hij beantwoordt de meeste vragen kort of met 'ik weet het niet'. Desondanks is genoeg spraak op de opname voor een taalanalyse.

De vreemdeling verstrekt enige informatie over zijn gestelde herkomstgebied, maar is niet in staat zijn gestelde herkomstgebied uitgebreid en gedetailleerd te beschrijven. […]

• De vreemdeling spreekt Somalisch, maar niet zoals dat gangbaar is in Zuid-Somalië.

• De vreemdeling doet zeer veel moeite om Zuid-Somalische elementen in zijn spraak te mengen. Het gebruik van deze Zuid Somalische elementen klinkt echter zeer onnatuurlijk. Hij gebruikt vaak zowel de noordelijke als de zuidelijke variant van een woord naast elkaar (zie 4.2). Het blijft gedurende het gehele gesprek duidelijk dat zijn natuurlijke tongval Noord-Somalisch is.

[…]".

2.4.4. Van de zijde van de vreemdeling zijn daartegen, voor zover hier van belang, een ongedateerde reactie van de opsteller van de contra-expertise en een tweede contra-expertise van 21 januari 2009 (hierna: de tweede contra expertise) van de hand van de opsteller van de contra-expertise ingebracht.

In de reactie heeft de opsteller van de contra-expertise gesteld:

"[…] My qualification for a contra-expertise is denied since I am not a native speaker of Somali and because I did not make "directed use of the expertise of a native speaker". The best answer is given by the proverb: laga baray baa laga badi "it is the one who got knowledge through study who prevails, not the one who got it through birth". The contra-expertise is based on objective facts, i.e. on the recording. I could say to the honourable native speaker that his subjectivity and cultural background may interfere with his judgement which should be based only on the recorded data. […] I did not have the impression that his speech with these Southern elements "sounds unnatural". I just noted that, as we were informed, the applicant stuttered a bit. More essential is this point: Even if some Northern Somali features were to be found, which I deny, an isolated clue would not make evidence. On the contrary, more then twenty clues in our contra-expertise does make evidence. […]".

Vervolgens heeft de opsteller van de contra-expertise uiteengezet dat in de controle-analyse een aantal kenmerken van de spraak van de vreemdeling ten onrechte als noordelijk is aangemerkt en niet is onderkend dat andere kenmerken bij uitstek zuidelijk zijn. Van een echte analyse is zijns inziens geen sprake omdat een gedetailleerde argumentatie ontbreekt.

Bij het opstellen van de tweede contra-expertise is geen gebruik gemaakt van de aanvullende opname. De uitkomst, toegelicht aan de hand van een aantal voorbeelden en tegenvoorbeelden, luidt wederom dat de vreemdeling zeker afkomstig is uit Zuid-Somalië.

2.4.5. In zijn reactie hierop van 25 februari 2009 heeft het BLT zich op het standpunt gesteld dat hij de opsteller van de contra-expertise wel deskundig in zijn vakgebied acht, maar dat een linguïst die geen moedertaalspreker is weliswaar op de aanwezigheid van uit de studie bekende kenmerken kan letten, maar de taalbeheersing en -ervaring mist die nodig zijn om een inschatting te maken van de authenticiteit van deze kenmerken. In de taalkunde is het een gangbare praktijk om bij twijfel aan de status van bepaald materiaal het oordeel van een moedertaalspreker bij het onderzoek te betrekken. De eerste en de tweede contra-expertise (hierna: de contra expertises) zijn door dezelfde deskundige opgesteld, terwijl de door het BLT ingeschakelde moedertaalsprekers deze zaak onafhankelijk van elkaar hebben beoordeeld en bij hun analyse hebben samengewerkt met een linguïst van het BLT. Beide moedertaalsprekers hebben geconcludeerd dat de vreemdeling geen van de varianten van het Somalisch spreekt die gangbaar zijn in zijn gestelde herkomstgebied. Dat de aanwezigheid van Noord Somalische spraakkenmerken wellicht kan worden verklaard, doet volgens het BLT aan deze conclusie niet af. De bevinding van de opsteller van de tweede contra expertise dat in de taalanalyse en de controle-analyse een aantal kenmerken van de spraak van de vreemdeling ten onrechte als noordelijk is aangemerkt en niet is onderkend dat andere kenmerken bij uitstek zuidelijk zijn, is wellicht het gevolg van onjuiste lezing. De voorbeelden van de spraak van de vreemdeling die onder 4.2 van de controle-analyse worden vermeld betreffen zowel noordelijke als zuidelijke varianten en dienen ter illustratie van de bevinding van de opsteller van de controle-analyse dat de vreemdeling vaak zowel de noordelijke als de zuidelijke variant van een woord naast elkaar gebruikt.

Wat betreft de landenkennis heeft het BLT gesteld dat deze in Somalische taalanalyses van minimale betekenis is omdat de ervaring leert dat op grond van deze kennis nog nauwelijks onderscheid te maken is tussen degenen die wel en niet uit Zuid-Somalië afkomstig zijn.

Het BLT blijft van oordeel dat de vreemdeling op basis van de bevindingen van de taalanalyses eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Zuid Somalië.

2.5. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2010 in zaak nr. 200903085/1/V1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat een taalanalyse die met toepassing van de in die uitspraak weergegeven werkwijze van De Taalstudio is opgesteld, als een deskundigenrapport moet worden aangemerkt, ook al stelt De Taalstudio niet als eis dat de extern ingeschakelde linguïst een moedertaalspreker is. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat het BLT, alleen op de grond dat het taalanalisten heeft ingeschakeld die moedertaalspreker zijn, beter dan de door De Taalstudio ingeschakelde linguïst in staat is om de spraak van de vreemdeling te beoordelen. Voorts heeft de staatssecretaris zijn betoog dat het oordeel omtrent de authenticiteit van de spraak van de vreemdeling van de door het BLT ingeschakelde taalanalisten dient te prevaleren omdat zij moedertaalspreker zijn, niet – ten minste – aan de hand van een op de vreemdeling toegespitst tegenvoorbeeld beargumenteerd. Het betoog van de staatssecretaris dat vanwege de vreemdeling niet overtuigend is weersproken dat de authenticiteit van spraakkenmerken beter kan worden beoordeeld door een moedertaalspreker, treft daarom geen doel.

De eerste grief faalt.

2.6. De rechtbank heeft haar in de tweede grief aangevallen oordeel, dat zij concrete aanknopingspunten aanwezig acht voor twijfel aan de uitkomsten van de taalanalyse en controle analyse, doen steunen op de overweging dat de eindconclusie van de opsteller van de contra expertises volledig tegengesteld is aan die van de door het BLT ingeschakelde taalanalisten, dat voormelde opsteller zich uitvoerig heeft gebaseerd op linguïstische analyse van de door de vreemdeling gesproken taal, zoals de vaststelling van fonologische, morfologische en syntactische kenmerken, dat voormelde opsteller ook in zijn kritiek op de taalanalyse en de controle-analyse veelvuldig gebruik heeft gemaakt van deze elementen en dat voormelde opsteller op grond hiervan gemotiveerd heeft geconcludeerd dat hij geen twijfel heeft aan de afkomst van de vreemdeling uit Zuid Somalië, waarbij hij uitgebreid de culturele en geografische kennis over de gestelde woonomgeving van de vreemdeling heeft betrokken.

2.6.1. De eerste contra expertise is mede gebaseerd op een tweede geluidsopname, die de opsteller van de contra-expertise als aanvullende opname heeft aangeduid en die tot stand is gekomen zonder dat de IND daarbij is betrokken. De in de contra expertise vervatte taalanalyse, voor zover gebaseerd op de tweede opname, kan geen afbreuk doen aan de uitkomst van de taalanalyse, omdat een vanwege een vreemdeling verrichte taalanalyse die niet op de door het BLT gebruikte geluidsopname is gebaseerd naar haar aard geen contra-expertise inhoudt.

Daar komt bij dat de tweede opname geruime tijd later tot stand is gekomen dan de door de IND gemaakte opname. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2008 in zaak nr. 200801429/1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat de vreemdeling, gegeven de op hem ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 rustende bewijslast, moet worden tegengeworpen dat hij geen inzicht heeft geboden in de omstandigheden waaronder de tweede opname is vervaardigd en geen garanties heeft geboden die uitsluiten dat hij zich zodanig op de tweede opname heeft voorbereid dat dit de uitkomst van de daarop gebaseerde taalanalyse heeft beïnvloed. Ook daarom kan de in de contra expertise vervatte taalanalyse, voor zover gebaseerd op de tweede geluidsopname, geen afbreuk doen aan de uitkomst van de taalanalyse.

Voor zover de contra expertise is gebaseerd op de eerste geluidsopname kan deze de uitkomst daarvan niet dragen, nu de opsteller van de contra expertise van oordeel was dat deze "no relevant phonetic data" bevatte en "hardly audible" was.

De eerste contra-expertise kan derhalve de door de taalanalyse versterkte twijfel over de door de vreemdeling gestelde herkomst niet wegnemen.

Verder is de tweede contra-expertise door dezelfde deskundige verricht, terwijl de controle-analyse mede is verricht door een andere moedertaalspreker dan de moedertaalspreker die het BLT bij de taalanalyse heeft betrokken. Dat, zoals de vreemdeling heeft aangevoerd, beide analyses tot stand zijn gekomen onder medeverantwoordelijkheid van dezelfde linguïst, laat onverlet dat beide moedertaalsprekers onafhankelijk van elkaar tot gelijkluidende conclusies zijn gekomen.

De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris zich onder deze omstandigheden door verwijzing naar de taalanalyse en controle analyse deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling zijn herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt en dat het asielrelaas daarom ongeloofwaardig is.

De tweede grief slaagt.

2.7. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 12 november 2007 alsnog ongegrond worden verklaard.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 28 mei 2009 in zaak nr. 07/43616;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. P.A. Offers, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Schuurman

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2010

210.

Verzonden: 15 november 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser