Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4889

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
200907492/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2009, no. 2009-001031, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Renkum bij besluit van 17 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied (correctieve) herziening 2008".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907492/1/R2.

Datum uitspraak: 24 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E&E Holding B.V., gevestigd te Doorwerth, gemeente Renkum, en anderen,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2009, no. 2009-001031, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Renkum bij besluit van 17 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied (correctieve) herziening 2008".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en E&E Holding B.V. (hierna: de vennootschap) en anderen bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2009, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2009, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2009, en [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2009, beroep ingesteld. De vennootschap en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 23 oktober 2009. [appellant sub 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 10 november 2009.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De raad, [appellanten sub 1], de vennootschap en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 5] en [belanghebbende], eigenaresse van [locatie 1], hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2010, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], de vennootschap en anderen, vertegenwoordigd door mr. drs. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. A.P.J. Blokland, advocaat te Ede, [appellant sub 4], in persoon, [appellant sub 5], bijgestaan door N.J. Ursem, werkzaam bij de Ursem Groep, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord de raad, vertegenwoordigd door ing. A. Ruiter en drs. ir. S. van der Meer, werkzaam bij de gemeente, en [belanghebbende], bijgestaan door drs. L.M.C. van de Weijgaert.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. [appellanten sub 1] hebben geen bedenkingen tegen het vastgestelde plan ingebracht bij het college.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen bij het college heeft ingebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig bedenkingen heeft ingebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de stelling van [appellanten sub 1] dat de wijziging van het plan betreffende het perceel aan de [locatie 2] niet duidelijk blijkt uit het vaststellingsbesluit, de daarbij behorende stukken en de publicatie. Daarbij acht de Afdeling van belang dat in de lijst van wijzigingen in de "reactienota zienswijzen" is opgenomen dat "de plankaart zodanig wordt aangepast dat het bijgebouw ([Atelier], [locatie 1]) binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Woondoeleinden cat. a" van het perceel aan de [locatie 1] valt". Het plan is met de wijzigingen zoals vermeld in die nota, vastgesteld. Gelet daarop is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk dat het plan ook gewijzigd is vastgesteld voor zover betreffende het perceel aan de [locatie 2]. Nu in de publicatie van de vaststelling van het plan is vermeld dat het plan gewijzigd is vastgesteld en voor de wijzigingen wordt verwezen naar voornoemde reactienota, acht de Afdeling de publicatie eveneens voldoende duidelijk. Evenmin is een rechtvaardiging gelegen in de omstandigheid dat [appellanten sub 1] niet persoonlijk is medegedeeld dat het plan gewijzigd is vastgesteld, nu daartoe geen wettelijke verplichting bestaat.

Het beroep van [appellanten sub 1] is dan ook niet-ontvankelijk.

2.2. Voor zover het beroep van [appellant sub 5] is gericht tegen de bestemming voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Oosterbeek, sectie C, nr 6017 (gedeeltelijk), steunt dit niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van [appellant sub 5] is in zoverre niet-ontvankelijk.

Het plan

2.3. Het plan voorziet in een nieuwe juridisch-planologische regeling voor gronden in het buitengebied van Renkum, naar aanleiding van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring door het college aan het bestemmingplan "Buitengebied 2001" en uitspraken van de Afdeling betreffende dit plan. Voorts wordt voorzien in nieuwe ontwikkelingen en ambtshalve aanpassingen ten opzichte van voornoemd plan.

De vennootschap en anderen

2.4. De vennootschap en anderen stellen dat het college ten onrechte geen aanleiding heeft gezien aan het vaststellingsbesluit goedkeuring te onthouden voor zover hun zienswijze betreffende het achterterrein van hun perceel aan de Utrechtseweg 447, daarin niet-ontvankelijk is verklaard.

2.4.1. Het college stelt zich in zijn besluit op het standpunt dat de raad de zienswijze van de vennootschap en anderen op goede gronden niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren, gezien het feit dat de gronden die onderwerp van de zienswijze waren ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan geen deel uitmaakten van het plangebied. Bij de vaststelling van het plan zijn deze gronden alsnog ambtshalve bij het plangebied betrokken. De ingediende bedenkingen hebben dan ook betrekking op het gewijzigd vaststellen van het plan, aldus het college.

2.4.2. Niet is in geschil dat de zienswijze van de vennootschap en anderen gericht was tegen gronden die geen deel uitmaakten van het plangebied zoals dit in het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dient een dergelijke zienswijze te worden opgevat als gericht tegen de plangrens en inhoudelijk te worden behandeld. Het college heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de zienswijze van de vennootschap en anderen op goede gronden niet-ontvankelijk is verklaard. De Afdeling ziet echter geen aanleiding om het besluit in zoverre te vernietigen, nu zowel het college als de raad genoegzaam zijn ingegaan op de door de vennootschap en anderen aangevoerde bezwaren en het plan naar aanleiding daarvan zelfs gewijzigd is vastgesteld, waarbij een deel van bedoelde gronden aan het plangebied is toegevoegd.

2.5. De vennootschap en anderen stellen zich op het standpunt dat de aan het achterterrein van hun perceel toegekende bestemmingen niet overeen komen met de feitelijke situatie. Voorts zijn de daar legaal opgerichte bouwwerken ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht.

2.5.1. Het college stelt in het bestreden besluit ten aanzien van de gronden met de bestemming "Bos- en natuurgebied" met de aanduiding "natuurgebied (N)", dat de daar aanwezige paardenbak niet passend is binnen de toegekende bestemming omdat deze niet is aan te merken als voorziening voor extensief recreatief medegebruik. Zij acht de toegekende bestemming echter niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening, omdat de bebouwing en het gebruik van het perceel ofwel als passend binnen de bestemming kunnen worden beschouwd, ofwel nu duidelijk is dat het college van burgemeester en wethouders voornemens is met het plan strijdige situaties binnen de planperiode op te (doen) heffen.

2.5.2. De gronden die door de vennootschap en anderen worden aangeduid als het achterterrein worden gebruikt voor het hobbymatig houden van een paard. Ten behoeve van dit gebruik zijn op deze gronden een paardenbak, weiland, paardenstal, longeerterrein en verharding gelegen. Voor de paardenstal is in 1998 een bouwvergunning verleend. In 2009 is een bouw- en een aanlegvergunning verleend voor het hekwerk, de drainage en het storten van geel zand voor de paardenbak.

Aan bedoelde gronden is in het bestemmingsplan "Buitengebied 2001" de bestemming "Bos en natuurgebied" met de aanduiding "bos met accent op natuurbehoud" toegekend.

De gronden maakten geen deel uit van het plangebied zoals dat in het ontwerpplan "Buitengebied (correctieve) herziening 2008" was opgenomen. Bij het vaststellingsbesluit heeft de raad het plan gewijzigd in die zin dat een deel van het achterterrein, waarop een paardenbak en een weiland gelegen zijn, alsnog in het plangebied is opgenomen en daaraan de bestemming "Bos- en natuurgebied" met de aanduiding "natuurgebied (N)" is toegekend.

2.5.3. Ingevolge artikel 8, eerste lid aanhef en onder c, van de planvoorschriften, zijn de gronden met de bestemming "Bos- en natuurgebied" met de aanduiding "natuurgebied (N)" bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke, ecologische en landschappelijke waarden, alsmede recreatief en agrarisch medegebruik.

2.5.4. Ten aanzien van de gronden waarop de paardenbak en het weiland zijn gelegen en waaraan bij de gewijzigde vaststelling de bestemming "Bos- en natuurgebied" met de aanduiding "natuurgebied (N)" is toegekend, overweegt de Afdeling het volgende.

Ter zitting heeft de raad, desgevraagd, erkend dat de aan bedoelde gronden toegekende bestemming het gebruik als paardenbak niet toelaat nu dit gebruik niet is aan te merken als recreatief medegebruik. Gelet hierop, op de omstandigheid dat is gebleken dat de raad heeft beoogd de paardenbak als zodanig te bestemmen en op de omstandigheid dat inmiddels een bouw- en een aanlegvergunning zijn verleend voor deze paardenbak, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

2.5.5. Ten aanzien van de gronden waarop de paardenstal, het longeerterrein en terreinverharding zijn gelegen, overweegt de Afdeling het volgende.

Voorop gesteld wordt dat de gronden, blijkens de begrenzing op de plankaart, niet binnen het plangebied liggen. Het beroep van de vennootschap en anderen moet derhalve worden geacht te zijn gericht tegen de vaststelling van de plangrens.

Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht of anderszins in strijd is met het recht.

Bij de totstandkoming van het plan is onvoldoende onderkend dat er een sterke samenhang bestaat tussen de gronden van het perceel Utrechtseweg 447 die wel in het plan zijn opgenomen en de gronden van dat perceel die niet in het plan zijn opgenomen, zowel wat betreft juridische status als gebruiksgeschiedenis. Daarbij is van belang dat alle voornoemde gronden tezamen het achterterrein van één perceel vormen, dat dit reeds lange tijd het geval is en dat dit gehele terrein is ingericht en wordt gebruikt voor het houden van een paard. Gelet hierop heeft de raad bedoelde gronden niet in redelijkheid buiten het plangebied kunnen laten. De plangrens is op dit punt dan ook vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een plan te betrachten zorgvuldigheid. Dit klemt te meer nu op de gronden een legale paardenstal staat waarvoor thans niet in een passende regeling is voorzien en nu sprake is van verharding waarvan de juridisch-planologische status onbekend is.

Het betoog slaagt.

2.6. De conclusie is dat hetgeen de vennootschap en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bos- en natuurgebied" met de aanduiding "natuurgebied (N)" voor zover betreffende het perceel aan de Utrechtseweg 447 en voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de begrenzing van het plan voor zover betreffende voornoemd plandeel. De Afdeling ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder c, van de Awb, zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan deze plandelen.

[appellant sub 4]

2.7. [appellant sub 4] stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover daarin aan de gronden bekend staande als Johannahoeve de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduiding "c" is toegekend. Daartoe betoogt hij dat deze bestemming in strijd is met het provinciaal beleid zoals neergelegd in het streekplan "Gelderland 2005", zoals vastgesteld door provinciale staten op 29 juni 2005 (hierna: het streekplan), nu de gronden niet te beschouwen zijn als stedelijk gebied maar als buitengebied, niet ten minste 50% van de bebouwing wordt gesloopt, niet het gehele perceel in ogenschouw is genomen en het bouwvlak niet is verkleind. Voorts vreest [appellant sub 4] voor verkeersproblemen.

2.7.1. Het college stelt zich, in navolging van de raad, op het standpunt dat het plan niet in strijd is met het provinciaal ruimtelijk beleid, een goede ruimtelijke ordening of enig wettelijk voorschrift. Daartoe betoogt het college dat de gronden gelegen zijn binnen het in het streekplan aangeduide "Bebouwd gebied 2000". Volgens het uit het streekplan en het "Regionaal plan 2005-2020" voortvloeiende locatiebeleid is nieuwe bebouwing slechts mogelijk binnen dit bestaand bebouwd gebied.

2.7.2. Op de beleidskaart behorende bij het streekplan is weergegeven dat de thans aan de orde zijnde gronden deel uitmaken van het gebied aangeduid als "(Inter)nationaal stedelijk netwerk KAN met bebouwd gebied 2000" en derhalve van het "Rode raamwerk". De Afdeling volgt [appellant sub 4] niet in zijn betoog dat het 'bebouwd gebied 2000' indicatief is en dat derhalve geen sprake is van bestaand stedelijk gebied. Daartoe overweegt de Afdeling dat het 'bebouwd gebied 2000' deel is gaan uitmaken van het provinciaal ruimtelijk beleid, omdat het is opgenomen op de beleidskaart en daarvoor beleid is ontwikkeld in het streekplan.

Voorts is de Afdeling uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat nieuwe bebouwing binnen dit gebied mogelijk is. Voor zover [appellant sub 4] stelt dat daarvoor niet is voldaan aan de door hem genoemde voorwaarden uit het streekplan, stelt de Afdeling vast dat deze voorwaarden enkel gelden voor nieuwe bebouwing op gronden die in het streekplan zijn aangeduid als buitengebied en niet voor nieuwe bebouwing op gronden die zijn gelegen binnen het "Rode raamwerk".

Het betoog van [appellant sub 4] faalt dan ook.

2.7.3. De enkele stelling van [appellant sub 4] dat zich verkeersproblemen zullen voordoen, kan niet leiden tot het oordeel dat het college niet heeft kunnen instemmen met de in het plan aan de Johannahoeve toegekende bestemming. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de raad deugdelijk heeft onderbouwd dat de toevoeging van drie nieuwe woningen ter plaatse in plaats van de bestaande bedrijvigheid niet tot een onevenredige toename, maar zelfs tot een afname, van het verkeer zal leiden.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant sub 4] richt zich voorts tegen (ontbrekende) ontheffingen, het ontbreken van een bouwplan, een gesteld illegaal aangelegde weg en een gevreesde toename van onwettige activiteiten. Deze betogen kunnen, voor zover zij in deze procedure aan de orde kunnen komen, niet leiden tot het oordeel dat het college het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten.

De betogen falen dan ook.

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

[appellant sub 3] en [appellant sub 5]

2.10. [appellant sub 3] en [appellant sub 5] stellen zich op het standpunt dat het college het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voor zover daarin aan de percelen kadastraal bekend gemeente Oosterbeek, sectie C, nrs 5965, 5963, 5961 en 5960 de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" is toegekend. Zij stellen dat deze bestemming niet overeenkomt met het feitelijk gebruik van de gronden. Zij achten een bestemming "Woondoeleinden" beter passend, nu de gronden niet meer zullen worden gebruikt voor agrarische doeleinden.

2.10.1. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de toegekende bestemming niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij acht het college van belang dat de percelen worden gebruikt als erf bij het woonhuis van [appellant sub 3] en [appellant sub 5], dan wel ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren. De aan de percelen toegekende bestemming staat aan dit gebruik niet in de weg. Het college is niet gebleken dat de percelen enkel door het exploiteren van een agrarisch bedrijf conform de bestemming kunnen worden gebruikt.

2.10.2. Uit de stukken is gebleken dat de percelen kadastraal bekend gemeente Oosterbeek, sectie C, nrs 5965, 5963, 5961 in eigendom zijn van [appellant sub 3]. Het perceel kadastraal bekend gemeente Oosterbeek, sectie C, nr 5960 is in eigendom van [appellant sub 5]. Voorts is uit de stukken gebleken dat deze gronden voorheen behoorden tot een agrarisch bedrijf en altijd als zodanig zijn bestemd. [appellant sub 3] en [appellant sub 5] hebben deze gronden aangekocht en ingericht als tuin bij hun woningen aan de [locatie 3] respectievelijk [locatie 4].

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge het eerste lid, onder d, van dit artikel zijn de gronden tevens bestemd voor extensief recreatief medegebruik.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de planvoorschriften wordt onder agrarisch bedrijf verstaan; een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, met uitzondering van glastuinbouw en boomkwekerijen.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de planvoorschriften wordt onder extensief recreatief medegebruik verstaan: vormen van recreatief medegebruik van het agrarisch gebied, uiterwaarden, bossen en natuurterreinen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals wandelen, paardrijden, fietsen en vissen.

2.10.3. De Afdeling leidt uit de onder rechtsoverweging 2.10.2. weergegeven planvoorschriften af dat gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden", voor zover thans van belang, voor agrarische doeleinden en extensief recreatief medegebruik mogen worden gebruikt. De Afdeling is van oordeel dat het gebruik van deze gronden als tuin door een particulier niet onder deze bepalingen valt. Ter zitting heeft de raad, desgevraagd, gesteld dat is beoogd de percelen kadastraal bekend gemeente Oosterbeek, sectie C, nrs 5965, 5963, 5961 en 5960 zodanig te bestemmen dat het enkele gebruik als tuin, zonder dat daarbij bebouwing wordt toegestaan, onder het plan wel is toegelaten. Nu de beoogde bestemming niet overeenkomt met de door de raad toegekende bestemming en de daarbij behorende voorschriften, heeft de raad het plan in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld.

Het betoog slaagt.

2.11. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" voor zover betreffende de percelen kadastraal bekend gemeente Oosterbeek, sectie C, nrs 5965, 5963, 5961 en 5960. De Afdeling ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder c, van de Awb, zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan deze plandelen.

Proceskostenveroordeling

2.12. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van de vennootschap en anderen en [appellant sub 3] te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 5] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellanten sub 1] en [appellant sub 4] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] geheel, en [appellant sub 5] voor zover betreffende de bestemming voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Oosterbeek, sectie C, nr 6017 (gedeeltelijk), niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E&E Holding B.V. en anderen en [appellant sub 3] geheel, en het beroep van [appellant sub 5] voor het overige, gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 10 juli 2009, no. 2009-001031, voor zover daarbij:

a) goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bos- en natuurgebied" met de aanduiding "natuurgebied (N)" voor zover betreffende het perceel aan de Utrechtseweg 447;

b) goedkeuring is verleend aan de begrenzing van het plan voor zover betreffende het onder a) genoemde plandeel;

c) goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" voor zover betreffende de percelen kadastraal bekend gemeente Oosterbeek, sectie C, nrs 5965, 5963, 5961 en 5960;

IV. onthoudt goedkeuring aan de onder III. genoemde plandelen;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 4] ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E&E Holding B.V. en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdenvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen,

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdenvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E&E Holding B.V. en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro), met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellant sub 3] en [appellant sub 5] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) ieder.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Vogel-Carprieaux

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010

458.