Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4879

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
201003940/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2007 heeft het college aan zichzelf een vergunning verleend om het pand aan de [locatie] te Eindhoven (hierna: het pand) aan de woonruimtevoorraad te onttrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003940/1/H3.

Datum uitspraak: 24 november 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 maart 2010 in zaak nr. 08/3424 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2007 heeft het college aan zichzelf een vergunning verleend om het pand aan de [locatie] te Eindhoven (hierna: het pand) aan de woonruimtevoorraad te onttrekken.

Bij besluit van 18 augustus 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 12 december 2007 in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.

Bij uitspraak van 4 maart 2010, verzonden op 12 maart 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.F. Portier, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.M.J. Heutink, werkzaam bij de gemeente Eindhoven, zijn verschenen.

Ter zitting heeft het college buiten bezwaar van [appellant] nadere stukken overgelegd.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet (hierna: de Hvw) stelt de gemeenteraad, indien het naar zijn oordeel noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van woonruimte als bedoeld in hoofdstuk II, of met betrekking tot wijzigingen van de woonruimtevoorraad als bedoeld in hoofdstuk III, een huisvestingsverordening vast.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders aan de bestemming tot bewoning te onttrekken.

Ingevolge artikel 31 wordt een zodanige vergunning verleend, tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend.

 

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Huisvestingsverordening Eindhoven 1998 wordt in deze verordening onder onttrekkingsvergunning verstaan: de vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onder a, van de Hvw.

Ingevolge artikel 2.1 gelden de verboden, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onder a en b, van de Hvw, voor alle woonruimte.

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, voor zover thans van belang, toetsen burgemeester en wethouders een aanvraag om een onttrekkingsvergunning in ieder geval aan de Woonvisie van de gemeente Eindhoven, Stedelijke inrichtings- en beheerplannen voor het gebied waarin de woonruimte is gelegen, Masterplannen, Buurtbeheerplannen en convenanten met wijk- en dorpsraden.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, weigeren burgemeester en wethouders de onttrekkingsvergunning in het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad indien dit belang zwaarder weegt dan het belang van aanvrager en het volkshuisvestingsbelang niet kan worden gediend door het stellen van voorwaarden welke voorwaarden zijn geformuleerd in de in het voorgaande lid genoemde plannen.

2.2. [appellant] is bewoner van het pand. Hij huurt het pand van de gemeente Eindhoven, die het pand in eigendom heeft. De gemeente Eindhoven wenst het pand te slopen zodat het fietspad ter hoogte van het pand geherstructureerd kan worden en op de plek van het pand vervangende nieuwbouw kan worden gerealiseerd.

2.3. Het college heeft in het besluit van 18 augustus 2008 onder verwijzing naar een advies van 3 juni 2008 en twee memo's van 30 juni 2008 en 14 juli 2008 bij de afweging van de in aanmerking te nemen belangen, het belang van de verkeersveiligheid zwaarwegender geacht dan het belang van het behoud of de samenstelling van de woningvoorraad. Hierbij heeft het in aanmerking genomen dat per saldo de woningvoorraad niet afneemt als gevolg van het beoogde nieuwbouwplan.

2.4. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college gelet op zijn discretionaire bevoegdheid tot verlening van de onttrekkingsvergunning heeft kunnen overgaan. Hij voert hiertoe aan dat het college ten onrechte de omstandigheid dat de huidige verkeerssituatie rondom en op het fietspad niet onveilig is niet heeft meegewogen. Volgens [appellant] hebben zich sinds de laatste reconstructie van de Tongelresestraat geen ongevallen voorgedaan. Bovendien ligt het betreffende weggedeelte tussen twee door spoorbomen afgeschermde spoorlijnen, zodat door gebruikers van de weg voorzichtig wordt gereden. Volgens [appellant] is onduidelijk of het aanpassen van het fietspad tot verbetering van de verkeersveiligheid zal leiden. Voorts voert [appellant] aan dat de onttrekkingsvergunning prematuur is afgegeven, omdat niet vaststaat dat het nieuwbouwplan kan en zal worden gerealiseerd.

2.4.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het verlenen van een onttrekkingsvergunning een discretionaire bevoegdheid van het college betreft, zodat een terughoudende toets door de rechtbank ten aanzien van de zich hierbij voordoende belangenafweging aangewezen is. De Afdeling overweegt dat het college zich bij de afweging van de in aanmerking te nemen belangen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen het belang dat is gelegen in het met het oog op de veiligheid verbeteren van de verkeerssituatie zwaarwegender te achten dan het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Het college heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat volgens de mede aan het besluit van 18 augustus 2008 ten grondslag gelegde memo van 14 juli 2008 (hierna: de memo) ter hoogte van het pand de huidige afscheiding tussen de rijbaan en het fietspad beperkt is, hetgeen schrikreacties bij zowel automobilisten als fietsers tot gevolg heeft. Voorts zijn volgens de memo de trottoirs zodanig smal, dat voetgangers gedwongen worden gebruik te maken van het fietspad. Omdat ter plaatse geen parkeerhavens aanwezig zijn en er wel een parkeerbehoefte is, wordt half op de rijbaan en tussenberm dan wel op het fietspad geparkeerd, volgens de memo. [appellant] heeft met hetgeen hij hieromtrent heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat het voorgaande onjuist is. Het college heeft voorts in aanmerking mogen nemen dat het plan mede voorziet in nieuwbouw, zodat per saldo de woningvoorraad niet zal afnemen. Ter zitting van de Afdeling heeft het college verzekerd dat het in de bedoeling ligt dit nieuwbouwplan doorgang te laten vinden. Hetgeen [appellant] ter zake naar voren heeft gebracht vormt onvoldoende reden aan de juistheid van deze mededeling te twijfelen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college in redelijkheid tot verlening van de onttrekkingsvergunning heeft kunnen overgaan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010.

176-671.