Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4873

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
200901819/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de opslag van bouwmaterialen, montage van sport- en speeltoestellen, opslag en shredderen van kunststofgrasmatten, opslag van puin en grond (categorie 1), opslag en shredderen van snoeiafval, een boomkwekerij, tuincentrum en hoveniersbedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 9 maart 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2010-12-17
JOM 2011/462
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901819/1/M1.

Datum uitspraak: 24 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de opslag van bouwmaterialen, montage van sport- en speeltoestellen, opslag en shredderen van kunststofgrasmatten, opslag van puin en grond (categorie 1), opslag en shredderen van snoeiafval, een boomkwekerij, tuincentrum en hoveniersbedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 9 maart 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2009, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2009, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2009, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 23 maart 2009. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 14 april 2009.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Het college van gedeputeerde staten en [vergunninghoudster] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2010, waar [appellanten sub 1], van wie [appellant sub 1 A] in persoon en bijgestaan door mr. drs. H.A. Pasveer, advocaat te 's-Hertogenbosch, [appellanten sub 2], van wie [appellant sub 2 A] in persoon en bijgestaan door mr. J. Schoneveld, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door [appellant sub 1 A], en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. H.J.A. van Ham, H.S.J. van Son en ing. J.G.F. de Wijs, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. B. de Haan, advocaat te Nijmegen, en [gemachtigde], en het college van burgemeester en wethouders van Oss, vertegenwoordigd door J.J.A.M. Wingens, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

Bij tussenuitspraak van 4 mei 2010 in zaak nr. 200901819/1/T1/M1, hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling het college van gedeputeerde staten opgedragen om binnen dertien weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 23 januari 2009 te herstellen.

Bij besluit van 28 juli 2010, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2010, heeft het college van gedeputeerde staten het besluit van 23 januari 2009 gewijzigd.

Bij brieven van 25 augustus 2010 zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over het besluit van 28 juli 2010 naar voren te brengen. Door [appellanten sub 1] zijn bij brief van 15 september 2010 zienswijzen naar voren gebracht. Door [appellanten sub 2] zijn bij brief van 21 september 2010 zienswijzen naar voren gebracht. Door [appellant sub 3] zijn bij brief van 15 september 2010 zienswijzen naar voren gebracht. Door [vergunninghoudster] zijn bij brief van 10 november 2010 zienswijzen naar voren gebracht.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 23 januari 2009 op onderdelen in strijd is met artikel 3:2 dan wel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dan wel artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer. Daartoe wordt verwezen naar de tussenuitspraak.

Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college van gedeputeerde staten opgedragen om binnen dertien weken na de verzending van deze uitspraak:

- de straffactor voor tonaal geluid te verwerken in de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voor de dagperiode voor de imissiepunten 04 en 06, Willibrordusweg 185 en Haagstraat 1-3, van voorschrift 3.1.1;

- te beoordelen of het referentieniveau van het omgevingsgeluid door voormelde geluidgrenswaarden ook bij een snelheidsbeperking naar 60 km per uur niet wordt overschreden en zo nodig een bestuurlijke afweging te maken dan wel een ander besluit te nemen;

- te beoordelen of de grenswaarden uit vergunningvoorschrift 3.2.1 naleefbaar zijn, wanneer uitgegaan wordt van een bronniveau voor het storten van puin in de laadbak van een vrachtwagen of tractor van 124 dB(A);

- te beoordelen of het maximale binnenniveau in de woning aan de Koningsweg 2 niet wordt overschreden, uitgaande van een verdubbeling van het aantal verkeersbewegingen, en of vergunningvoorschrift 3.3.1 naleefbaar is en dit voorschrift zo nodig aan te passen;

- te beoordelen of met de aan de vergunning verbonden voorschriften geurhinder voldoende wordt beperkt en de voorschriften zo nodig aan te passen;

- de Afdeling mee te delen wat de uitkomsten van dit onderzoek zijn en tot welke bevindingen of nader besluit het college van gedeputeerde staten naar aanleiding van die uitkomsten is gekomen.

2.2. Het college van gedeputeerde staten heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak bij besluit van 28 juli 2010 de aan de op 23 januari 2009 aan [vergunninghoudster] verleende vergunning verbonden voorschriften 3.1.1, 3.3.1, 10.1.2 en 10.1.4 ingetrokken, nieuwe voorschriften 3.1.1, 3.3.1, 10.1.2 en 10.1.4 aan de vergunning verbonden en de voorschriften 3.2.1, na beoordeling of dit voorschrift naleefbaar is, en 10.1.1, na beoordeling of dit voorschrift uit een oogpunt van geurhinder toereikend is, gehandhaafd. De beroepen worden in zoverre geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit. Tevens heeft het college van gedeputeerde staten bij het besluit van 28 juli 2010 de voorschriften 10.1.3 en 10.1.5 tot en met 10.3.2 heroverwogen. Dit valt buiten het geding.

2.3. In hun zienswijzen hebben [appellanten sub 1], [appellant sub 3] en [appellanten sub 2] vermeld dat zij zich met het besluit van 28 juli 2010 kunnen verenigen. Gelet hierop moeten de van rechtswege ontstane beroepen tegen het besluit van 28 juli 2010 geacht worden te zijn ingetrokken.

2.4. Gelet op hetgeen in r.o. 2.1 is overwogen, zijn de beroepen tegen het besluit van 23 januari 2009 gedeeltelijk gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd voor zover het de voorschriften 3.1.1, 3.2.1, 3.3.1 en 10.1.1, 10.1.2 en 10.1.4 betreft. Het college van gedeputeerde staten heeft de voorschriften 3.2.1 en 10.1.1 in stand gelaten met een nadere motivering. Aangezien het college van gedeputeerde staten met deze nadere motivering alsnog deugdelijk heeft onderbouwd dat voorschrift 3.2.1 naleefbaar is en voorschrift 10.1.1 uit een oogpunt van geurhinder toereikend is, ziet de Afdeling aanleiding de rechtsgevolgen voor zover het de voorschriften 3.2.1 en 10.1.1 betreft in stand te laten. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond.

2.5. Het college dient ten aanzien van [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellanten sub 2] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen tegen het besluit van 23 januari 2009 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 23 januari 2009, kenmerk 1487614, voor zover het de voorschriften 3.1.1, 3.2.1, 3.3.1, 10.1.1, 10.1.2 en 10.1.4 betreft;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, voor zover het de voorschriften 3.2.1 en 10.1.1 betreft;

IV. verklaart de beroepen tegen het besluit van 23 januari 2009 voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1127,00 (zegge: elfhonderdzevenentwintig euro, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand);

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 38,35 (zegge: achtendertig euro en vijfendertig cent);

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt;

gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellanten sub 2] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant sub 3] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Bijleveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010

433.