Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4871

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
200904831/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2009, nummer 2009/16742, heeft de raad het bestemmingsplan "Hoofddorp Graan voor Visch 2008" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 3.7
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 3.2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904831/1/R1.

Datum uitspraak: 24 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2009, nummer 2009/16742, heeft de raad het bestemmingsplan "Hoofddorp Graan voor Visch 2008" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brieven van 12 en 13 augustus 2009.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2010, waar [appellante] en de raad, vertegenwoordigd door ing. C.M.M. Blankestijn en J. Monster, beiden zijn werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor de wijk Graan voor Visch in Hoofddorp. Het beoogt in hoofdzaak de bestaande situatie vast te leggen.

Formele aspecten

2.2. [appellante] betoogt dat ten onrechte geen voorbereidingsbesluit is genomen.

2.2.1. Uit de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) of enige andere wettelijke bepaling kan geen verplichting tot het nemen van een voorbereidingsbesluit worden afgeleid. Hierbij verwijst de Afdeling naar artikel 3.7, eerste lid, van de Wro waaruit volgt dat het nemen van een voorbereidingsbesluit een discretionaire bevoegdheid van de raad is.

2.3. Voorts betoogt [appellante] dat de raad de aanvulling op haar zienswijze ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat het niet mogelijk is na afloop van de in artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genoemde termijn zienswijzen aan te vullen met nieuwe planonderdelen. Het ontwerpplan heeft met ingang van 9 januari 2009 gedurende zes weken ter inzage gelegen en [appellante] heeft tijdig bij de raad een zienswijze tegen het ontwerpplan kenbaar gemaakt. Bij brief van 31 maart 2009, derhalve na afloop van de in artikel 3:16 van de Awb, genoemde termijn, heeft [appellante] haar zienswijze aangevuld. Gelet hierop faalt het betoog.

2.4. [appellante] voert verder aan dat de bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan niet in de publicatie zijn genoemd.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten en geen grond kan vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Plandelen met de bestemming "Tuin (T)", "Tuin 1 (T-1)" en "Wonen (W)"

2.5. Het beroep van [appellante] ziet op 308 A-woningen en 308 B-woningen met de huisnummers beginnend met 13.000, 17.000 en 18.000. [appellante] richt zich tegen de bestemming "Wonen (W)" voor zover deze bestemming mogelijk maakt erf- en terreinafscheidingen met een maximumhoogte van 2 meter op te richten, aan- en uitbouwen met een maximumhoogte van 4 meter buiten het bouwvlak op te richten en bijgebouwen op te richten buiten het bouwvlak. Volgens [appellante] is de voorgevelrooilijn niet aan de voorgevelzijde van de woningen weergegeven, maar aan de zijde van de achtergevel. Zij betoogt dat daardoor in de voortuinen van de woningen, die op grond van het vorige plan niet mochten worden bebouwd, bijgebouwen en aanbouwen mogen worden opgericht. Dit klemt te meer daar de beeldbepalende groenstroken die grenzen aan de voortuinen zijn verkocht aan de woningeigenaren en bij de voortuinen zijn getrokken. Hierdoor kunnen ook de voormalige groenstroken worden bebouwd, waardoor het groene karakter van de wijk onevenredig wordt aangetast.

2.5.1. De raad betoogt dat de ligging van de voor- en achtertuinen van de door [appellante] bedoelde woningen juist in het plan is weergegeven. De raad stelt dat de systematiek van het vorige plan "Graan voor Visch" uit 1976 eruit bestaat dat op gronden die op de plankaart zijn voorzien van een arcering, bijgebouwen en erfafscheidingen zijn toegestaan en dat op gronden die niet zijn voorzien van een arcering, geen bijgebouwen, maar wel erfafscheidingen zijn toegestaan. Volgens de raad stelt [appellante] ten onrechte dat de arcering synoniem is voor achtertuin. De raad stelt voorts dat de stedenbouwkundige opzet van de wijk zodanig is dat de achtertuinen van de woningen op de zon zijn georiënteerd. In stedenbouwkundig opzicht verschillen de door [appellante] bedoelde woningen van andere woningen in de wijk op het punt dat de mee-ontworpen bergingen gesitueerd zijn aan de noordkant van de woning. Doorgaans zal de achterkant van woningen de kant zijn waar bijgebouwen staan. Echter, niet alleen in deze wijk, maar ook in andere wijken in Hoofddorp, is regelmatig het principe toegepast dat aan de kant waar de voordeur is, een schuur is aangebouwd aan de woning, dan wel dat deze los is gesitueerd in de tuin en dat aan de kant van de achterdeur geen bebouwing is toegestaan. Het al dan niet toestaan van erfbebouwing bepaalt niet wat de voorkant van de woning is. Dat wordt bepaald door de plaats van de hoofdontsluiting van de woning, aldus de raad.

2.5.2. Volgens de plantoelichting kent de interne opbouw van de wijk twee typen verkavelingseenheden. De A- en B-woningen vormen de basis van de bebouwingsopzet en zijn seriematig opgezet in verkavelingseenheden in de vorm van hoven rondom een groene speelplaats. Het grootste deel van de achtertuinen is op het zuiden georiënteerd. Deze bezonningssitutatie heeft geleid tot een strokenverkaveling, waarin voorkanten van woningen grenzen aan de achterkanten van buurwoningen, gescheiden door een tussenpad met een groenstrook of een straat. Deze groenstrook ondersteunt de kwaliteit van de voorzijde van andere woningen.

Wat betreft het openbaar groen staat in de plantoelichting dat de groene binnenruimten van de hoven en de groenstroken tussen de paden langs de woningen zijn ondergebracht in de bestemming "Groen (G)". Andere groenstructuren die vallen binnen deze bestemming zijn de grote groenpartijen langs de rand van de wijk, het groen dat de doorgaande wegen begeleidt en de groenstructuur die de wijk in een noordelijke en een zuidelijke helft deelt. Het gaat om groen dat een grote bijdrage levert aan de hoofdgroenstructuur en een belangrijk onderdeel vormt van de woonomgeving. Verder staat in de plantoelichting dat in het verleden groenstroken grenzend aan woonpercelen veelvuldig zijn uitgegeven aan bewoners. Daaraan waren de voorwaarden verbonden dat de gronden uitsluitend gebruikt mogen worden als siertuin, dat er geen bouwwerken mogen worden opgericht en dat niet is toegestaan zonder voorafgaand overleg met de dienst Openbare Werken afrasteringen te plaatsen op de nieuwe erfgrens.

Volgens de plantoelichting zijn de tuinen rond de woningen ondergebracht in de bestemmingen "Tuin (T)", "Tuin 1 (T1)" of "Wonen (W)". In het algemeen is de voortuin bestemd als "Tuin (T)" of "Tuin 1 (T1)" en is de achtertuin ondergebracht in de bestemming "Wonen (W)". Volgens de plantoelichting wordt met voortuin het deel van het voor- en het zijerf bedoeld dat tot 1 meter achter de voorgevelrooilijn ligt. Met achtertuin wordt het deel van het achter- en het zijerf bedoeld dat 1 meter en verder achter de voorgevelrooilijn ligt.

Binnen de bestemming "Tuin (T)" zijn beperkte uitbouwen, zoals erkers toegestaan. De goothoogte van een aan- of uitbouw mag niet meer bedragen dan 0,25 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waartegen de aan- of uitbouw aangebouwd wordt. Erfafscheidingen zoals schuttingen mogen niet hoger zijn dan 1 meter.

Binnen de bestemming "Tuin 1 (T1)" zijn bijgebouwen en aanbouwen toegestaan indien de goothoogte niet hoger is dan 0,25 meter boven de vloer van de eerste verdieping van de woning waar tegen aan gebouwd wordt. Verder mag de goothoogte niet worden overschreden door bouwwerken, geen gebouw zijnde en mag de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet hoger zijn dan 4 meter. Erfafscheidingen mogen niet hoger zijn dan 1 meter.

Binnen de bestemming "Wonen (W)" zijn aan- of uitbouwen mogelijk in de vorm van 1 bouwlaag tot 3 meter uit de oorspronkelijke zij- of achtergevel. Binnen deze bestemming kunnen ook bijgebouwen zoals bergingen en schuren met een maximumbouwhoogte van 4 meter worden gebouwd. Binnen de bestemming "Wonen (W)" mogen erfafscheidingen niet hoger zijn dan 2 meter.

2.5.3. Op 5 juli 2007 heeft de raad het beleid "Nieuw ruimtelijk beleidskader erfafscheidingen" (hierna: het erfafscheidingenbeleid) vastgesteld. Dit beleid houdt in dat uitgegeven gronden die achter de woning liggen, worden bestemd als erf met mogelijkheden voor erfbebouwing bij de woning en de mogelijkheid voor een erfafscheiding van maximaal twee meter hoog. Dit is in het onderhavige plan vertaald door aan die gronden de bestemming "Wonen (W)" toe te kennen. Hierbij is in aanmerking genomen dat bij de uitgifte van groen als uitbreiding van de siertuin door het gemeentebestuur in het verleden niet duidelijk is aangegeven dat de bestemming van deze groenstroken als openbaar groen niet werd aangepast. Bewoners hadden dan ook de verwachting dat zij gronden gekocht of in gebruik hebben gekregen die ze - afhankelijk van de situatie - als voor- of achtertuin mochten gebruiken. Deze verwachting werd versterkt doordat in het verleden vergunningen zijn verleend voor het plaatsen van een bijgebouw en/of schutting op die gronden. Het beleid houdt verder in dat het plaatsen van een tuinhuisje of een 2 meter hoge schutting op uitgegeven gronden die aan de zijkant van woningen liggen, vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk is. Deze gronden hebben in het plan de bestemming "Tuin (T)" gekregen.

2.5.4. In 1986 heeft de raad met een parapluplan, voor zover hier van belang, het bestemmingsplan "Graan voor Visch" uit 1976 gedeeltelijk gewijzigd.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van het parapluplan uit 1986 zijn de op de plankaart voor tuinen en erven aangewezen gronden bestemd voor tuinen en erven met de daarbij behorende bouwwerken en open terreinen, waaronder parkeerplaatsen met dien verstande dat voor zover op deze gronden blijkens het plan en/of de plankaart niet mag worden gebouwd, slechts erfafscheidingen met een maximale hoogte van 1,8 meter mogen worden gebouwd.

Ingevolge het eerste lid, onder b, sub 6, van de van de planvoorschriften van het parapluplan mag de goothoogte van een bijgebouw niet meer dan 3 meter bedragen en de helling van het dakvlak niet meer dan 60 graden bedragen.

Ingevolge het eerste lid, onder b, sub 7, van de planvoorschriften van het parapluplan kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het zesde lid voor een goothoogte van meer dan 3 meter tot maximaal 4 meter.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, sub 10, van de planvoorschriften van het parapluplan zijn de op de plankaart voor tuinen en erven aangewezen gronden bestemd voor tuinen en erven met de daarbij behorende bouwwerken en open terreinen, waaronder parkeerplaatsen met dien verstande dat voor zover op deze gronden blijkens het plan en/of de plankaart mag worden gebouwd, de hoogte van erfafscheidingen niet meer dan 1,8 meter mag bedragen.

2.5.5. Aan de hand van hetgeen onder 2.5.2. en 2.5.4. is vermeld, stelt de Afdeling vast dat het voorliggende plan, in vergelijking met het vorige plan, de mogelijkheid biedt aan één zijde van de woning een erfafscheiding op te richten die 0,20 meter hoger is en aan de andere zijde van de woning een erfafscheiding op te richten die 0,80 meter lager is. Wat betreft aan- en uitbouwen en bijgebouwen biedt het voorliggende plan de mogelijkheid aan beide zijden van de woning aan- en uitbouwen en bijgebouwen op te richten met een maximale bouwhoogte van 4 meter. Het vorige plan bood de mogelijkheid aan één zijde van de woning bijgebouwen op te richten met een maximale goothoogte van 3 meter, dan wel 4 meter met een vrijstelling. Gelet hierop biedt het voorliggende plan op dit punt meer bouwmogelijkheden dan het vorige plan.

Daargelaten of met het voorliggende plan de systematiek van het vorige plan is verlaten, is de Afdeling van oordeel dat de raad het plan in zoverre in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Hierbij betrekt de Afdeling dat aan de raad bij het vaststellen van een bestemmingsplan een grote mate van vrijheid toekomt en dat hij bevoegd is beleid vast te stellen en te wijzigen. Aan het voorliggende plan ligt het erfafscheidingenbeleid ten grondslag. Het plan is hier in zoverre niet mee in strijd. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het groene karakter van de wijk onevenredig wordt aangetast als gevolg van het plan in zoverre. Hiertoe overweegt de Afdeling dat grote delen van de groenvoorzieningen in de wijk als zodanig zijn bestemd en dat de verruimde bouwmogelijkheden voorzien in relatief kleinschalige bebouwing. Voor zover [appellante] ter zitting heeft gesteld dat het parapluplan niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, overweegt de Afdeling dat [appellante] deze stelling niet nader heeft onderbouwd, zodat het aangevoerde reeds daarom niet kan slagen.

Uitbouwen

2.6. [appellante] richt zich voorts in beroep tegen artikel 10, tweede lid, onder b, van de planregels waarin staat dat op de gronden met de bestemming "Tuin-1 (T-1)" aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een breedte van maximaal drie meter mogen worden opgericht.

[appellante] wenst een uitbouw over de gehele breedte van de gevel van haar woning te plaatsen. Het plan maakt dit evenwel niet mogelijk. Zij voert aan dat de afgelopen 10 jaar uitbouwen van verschillende diepte en breedte zijn gerealiseerd en dat ten onrechte deze vaste beleidslijn inzake uitbouwen niet in de planregels is neergelegd. Zij stelt dat het ruimtelijk beeld van de wijk door uitbouwen van verschillende diepte en breedte niet wordt verstoord, nu de gronden met de bestemming "Tuin-1 (T-1)" grenzen aan voetpaden en de uitbouwen tussen twee schuren worden ingebouwd tot een afstand van twee meter tot de erfgrens.

2.6.1. De raad stelt dat met het plan is beoogd gelijke situaties gelijk te bestemmen. Door voor de diverse bestemmingen specifieke bouwregels in de planregels neer te leggen, gelden voor alle gronden binnen dezelfde bestemming dezelfde bouwregels. Hiermee beoogt de raad de ruimtelijke uitstraling van de wijk te harmoniseren.

2.6.2. Ingevolge artikel 10, tweede lid, onder b, van de planregels, voor zover thans van belang, mogen op gronden met de bestemming "Tuin-1 (T1)" aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden geplaatst met een breedte van maximaal 3 meter.

2.6.3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan komt de raad een grote vrijheid toe om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De gehanteerde plansystematiek waarmee de raad harmonisatie ten aanzien van uitbouwen beoogt, acht de Afdeling niet onredelijk. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid artikel 10, tweede lid, onder b, van de planregels heeft kunnen vaststellen.

Bergingen

2.7. [appellante] betoogt dat ten onrechte niet in de planregels is neergelegd dat bergingen moeten zijn voorzien van een plat dak. Zij betoogt dat met uitzondering van één, alle bergingen in de wijk zijn voorzien van een plat dak. De afwijkende berging is een onaanvaardbare doorbreking van de bestaande architectuur en derhalve een onaanvaardbare inbreuk op de ruimtelijke kwaliteit van de directe omgeving, aldus [appellante].

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toestaan van een schuin dak op een berging tot een hoogte van 4 meter geen afbreuk doet aan de stedenbouwkundige waarde van de omgeving.

2.7.2. Zoals hiervoor overwogen, komt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan een grote vrijheid toe om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Het toestaan van zowel platte daken als schuine daken op bergingen valt onder voormelde beleidsvrijheid van de raad. De Afdeling acht deze keuze van de raad niet onredelijk. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan op dit punt niet strekt tot een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt.

Parkeren

2.8. [appellante] betoogt dat het plan in onvoldoende parkeergelegenheid voorziet. In dit verband voert zij aan dat de garageboxen ten onrechte onder de bestemming "Verkeer (V)" zijn begrepen. Dit geeft een vertekend beeld van het aantal beschikbare parkeerplaatsen in de wijk, nu een garagebox niet uitsluitend wordt verhuurd aan bewoners van de wijk en niet alleen als autostalling, maar tevens als opslagruimte kan worden gebruikt. Voorts richt [appellante] zich tegen het plandeel met de aanduiding 'wro-zone-wijzigingsgebied 1', voor zover daarmee de bouw van 25 zorgwoningen mogelijk wordt gemaakt en dit ten koste gaat van de thans ter plaatse aanwezige parkeerplaatsen. Tot slot betoogt zij dat ten onrechte 16 parkeerplaatsen niet als zodanig zijn bestemd maar de bestemming "Maatschappelijk (M)" hebben gekregen.

2.8.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder g, van de planregels zijn de op de plankaart voor "Maatschappelijk (M)" aangewezen gronden bestemd voor parkeren.

2.8.2. Volgens de plantoelichting is de verkeersinfrastructuur ondergebracht in de bestemming "Verkeer (V)". Deze bestemming biedt ook ruimte voor functies voor het verblijf in de buurt, zoals groenvoorzieningen, speelterrein of parkeerruimte. Bij de inrichting van straten en de openbare ruimte moet worden gelet op het gebruiksaspect met voldoende ruimte voor de verschillende verkeersdeelnemers. Bij de woningen dient voldoende ruimte te worden gehandhaafd voor het parkeren of stallen van auto's. In eerste instantie wordt uitgegaan van parkeren in een garagebox of op de parkeerhaventjes.

2.8.3. De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen, waarin is opgenomen dat garageboxen onder de bestemming "Verkeer (V)" kunnen worden gebracht. Ten aanzien van het betoog omtrent de aanduiding 'wro-zone-wijzigingsgebied 1' overweegt de Afdeling de bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid de parkeerdruk moet worden bezien. Verder overweegt de Afdeling dat de bestemming "Maatschappelijk (M)", voor zover hier van belang, voorziet in parkeerplaatsen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in voldoende parkeergelegenheid voorziet.

Verbeelding

2.9. [appellante] betoogt dat de bestaande situatie niet juist in de verbeelding is weergegeven en dat daardoor geen sprake is van een actueel plan. Zij wijst hierbij met name op aan- en uitbouwen die niet juist in de verbeelding zouden zijn weergegeven.

2.9.1. De raad stelt dat een representatieve ondergrond is gebruikt in de verbeelding en dat niet is beoogd een complete weergave te geven van de bestaande gebouwen en andere bouwwerken.

2.9.2. In de Wro noch in de Awb is de verplichting opgenomen dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan in de verbeelding een exacte weergave van de feitelijke situatie moet zijn opgenomen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verbeelding in zoverre onvoldoende duidelijkheid biedt.

Waardedaling woning

2.10. [appellante] betoogt verder dat haar woning in waarde zal dalen als gevolg van het plan.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. De Afdeling overweegt verder dat indien [appellante] als gevolg van het plan schade lijdt die redelijkerwijs niet voor haar rekening behoort te blijven, zij in een afzonderlijke procedure ingevolge artikel 6.1 van de Wro een tegemoetkoming kan aanvragen.

Het beroep voor het overige

2.11. Voor zover [appellante] zich in beroep richt tegen het welstandsbeleid, het beleid inzake hangjongeren en bouwvergunningen die ten onrechte zijn verleend, overweegt de Afdeling dat deze aspecten in de onderhavige procedure niet ter beoordeling voorliggen.

Overgangsrecht

2.12. [appellante] betoogt dat artikel 30, eerste lid, onder c, van de planregels in strijd is met artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro).

2.12.1. Ingevolge artikel 3.2.1 van het Bro worden in een bestemmingsplan de volgende regels van overgangsrecht ten aanzien van bouwwerken opgenomen, met dien verstande dat het percentage genoemd in het tweede lid van die regeling lager kan worden vastgesteld:

1: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor het bouwen), en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor het bouwen) wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

2: […].

3: het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

2.12.2. Ingevolge artikel 30, eerste lid, onder a, van de planregels mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

1: gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2: na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.

Ingevolge het eerste lid, onder c, is het eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

2.12.3. De raad heeft ter zitting gesteld dat is beoogd het vermelde onder 3 in artikel 3.2.1 van het Bro integraal op te nemen in artikel 30, eerste lid, onder c, van de planregels, en dat dit abusievelijk niet is gebeurd.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.2.1 van het Bro, voor zover het betreft artikel 30, eerste lid, onder c, van de planregels. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, artikel 30, eerste lid, onder c, van de planregels opnieuw vast te stellen en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad.

Slotconclusie

2.13. Gezien het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, met uitzondering van de in overweging 2.12.3. genoemde planregel, strekt tot een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan, met uitzondering van de in overweging 2.12.3. genoemde planregel, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.14. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft de door [appellante] opgevoerde kosten voor de kopieën van de planstukken, overweegt de Afdeling dat het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voorziet in vergoeding van deze kosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Haarlemmermeer van 14 mei 2009, nummer 2009/16742, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hoofddorp Graan voor Visch 2008", voor zover daarbij artikel 30, eerste lid, onder c, van de planregels is vastgesteld;

III. bepaalt dat artikel 30, eerste lid, onder c, van de planregels als volgt komt te luiden: "Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 14 mei 2009 voor zover dat is vernietigd;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt de raad tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 17,05 (zegge: zeventien euro en vijf cent);

VII. gelast dat de raad aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010

472-649.