Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4855

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
201002940/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 januari 2007 heeft het college aan [belanghebbende] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van zes woningen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4981
JBO 2010/62 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002940/1/H1.

Datum uitspraak: 24 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 februari 2010 in zaak nr. 09/861 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2007 heeft het college aan [belanghebbende] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van zes woningen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het college opnieuw beslissend op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, dat bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 8 januari 2007 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 18 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 22 april 2010 en 23 april 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.H. Hartman en het college, vertegenwoordigd door G.A.L. van Schijndel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door K. Cramwinckel, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van zes woningen met garage (eventueel verblijfsruimte) op de plaats van een voormalige brandweerkazerne. De woningen worden ontsloten aan het Jeneverdammetje en de Teisterbandstraat.

2.2. Ingevolge het ten tijde van het besluit van 13 januari 2009 ter plaatse geldende bestemmingsplan "Grote Ipperakkeren 1980" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Bijzondere doeleinden", categorie "O(openbare instellingen)". Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat het voorziet in bebouwing ten behoeve van woondoeleinden. Teneinde het bouwplan mogelijk te maken heeft het college vrijstelling verleend met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur verstaan een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het bouwplan geen vrijstelling van het bestemmingsplan mocht worden verleend, aangezien het bouwplan in strijd is met de verplichte normen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: het CROW), te weten de Aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (hierna: de ASVV). Als gevolg van de huidige beperkte parkeerruimte kan niet aan de parkeernorm als bedoeld in de ASVV worden voldaan en een verbreding van het Jeneverdammetje maakt niet dat wel aan deze norm wordt voldaan, aldus [appellant].

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 september 2010, in zaak nr. 201002910/1/H1) dient bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan.

Het college hanteert de ASVV als uitgangspunt bij de berekening van de behoefte aan parkeervoorzieningen en heeft zich op het standpunt gesteld dat, uitgaande van de ASVV, een parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per woning geldt. Ten behoeve van het bouwplan dient derhalve te worden voorzien in 10,2 parkeerplaatsen. Voor zover [appellant] erop heeft gewezen dat uit de aangepaste ruimtelijke onderbouwing van 23 oktober 2008 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) blijkt dat de woningen weliswaar alle een garage hebben, maar dat deze naar keuze kunnen worden verbouwd tot slaapkamer of badkamer, doet dit er niet aan af dat uit de ruimtelijke onderbouwing eveneens blijkt dat elke woning een oprit heeft op eigen erf waarop kan worden geparkeerd en dat bij de woningen drie parkeerplaatsen langs het Jeneverdammetje en één parkeerplaats op de Teisterbandstraat zullen worden gerealiseerd, hetgeen ter zitting niet is bestreden. Voorts heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet te verwachten is dat alle garages zullen worden verbouwd tot slaapkamer of badkamer. Gelet hierop wordt aan de hiervoor vermelde parkeernorm voldaan. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen, nu het college in zijn besluit van 13 januari 2009 ten onrechte geen bepalingen heeft opgenomen die de op het perceel rustende archeologische waarden beschermen. [appellant] wijst in dit verband op de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2007, in zaak nr. 200602138/1 en van 23 mei 2007, in zaak nr. 200509593/1.

2.5.1. In het Streekplan 2005, dat op 20 september 2005 in werking is getreden, staat met betrekking tot het archeologische beleid onder meer dat ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten zo veel mogelijk rekening moeten houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Verder staat daarin dat voor het opsporen van te beschermen kwaliteiten twee kaarten beschikbaar zijn: de Archeologische Monumentenkaart (AMK) Gelderland en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Bij afwegingen op het lokale schaalniveau is het nodig om gebruik te maken van gemeentelijke archeologische beleidskaarten en/of andere resultaten van veldinventariserend onderzoek, aldus het Streekplan 2005.

2.5.2. In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat volgens de verwachtingskaart van de provincie Gelderland het grootste deel van het perceel een lage verwachtingswaarde heeft en slechts een klein deel een middelhoge verwachtingswaarde heeft. Naar aanleiding van de resultaten van een inventariserend archeologisch onderzoek is aan weerzijden van de voormalige brandweerkazerne een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het perceel een behoudenswaardige archeologische vindplaats betreft, zodat conform het rijks-en provinciaal beleid in eerste instantie getracht zou moeten worden te streven naar behoud van de vindplaats. Omdat het bouwplan reeds in een vergevorderd stadium was en planaanpassing niet meer mogelijk bleek, heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau een opgraving geadviseerd.

In het besluit van 13 januari 2009 is de voorwaarde opgenomen dat er na sloop van de brandweerkazerne en vóór de start van de bouw van de woningen een archeologisch veldonderzoek zal plaatsvinden (opgraving) waarvoor reeds een Programma van Eisen (RAAP, januari 2008) is opgesteld en goedgekeurd. Ter zitting heeft het college verklaard dat hetgeen gevonden wordt zal worden geïnventariseerd, gedocumenteerd en zo nodig zal worden opgeslagen. Voorts heeft het college te kennen gegeven dat, indien noodzakelijk, een opgravingsvergunning, als bedoeld in artikel 45 van de Monumentenwet 1988, zal worden aangevraagd alvorens tot uitvoering wordt overgegaan. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat voldoende belang wordt gehecht aan de archeologische waarden in het projectgebied, zodat het college op dit punt in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen.

De gevallen die aan de orde waren in de door [appellant] genoemde uitspraken verschillen wezenlijk van het geval dat thans aan de orde is.

Die gevallen betroffen het opnemen van een aanlegvergunningenstelsel waarbij bij de vaststelling van het bestemmingsplan in het geheel geen rekening was gehouden met mogelijke archeologische waarden. Van een vergelijkbare situatie is derhalve geen sprake.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing omdat hierin, in strijd met artikel 19, tweede lid van de WRO in samenhang met het eerste lid, niet is gemotiveerd in hoeverre het bouwplan in strijd is met het toekomstige planologische beleid. In dat verband voert hij aan dat het perceel in het op 4 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kerkdriel en Hoenzadriel" (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) opnieuw de bestemming "Bijzondere doeleinden" heeft gekregen ten behoeve van de nog aanwezige brandweerkazerne en dat het college zijn standpunt dat de gemeenteraad zich niet uitdrukkelijk tegen het bouwplan heeft gekeerd, niet met feiten heeft onderbouwd.

2.6.1. Vast staat dat het bouwplan eveneens in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, dat ten tijde van het besluit op bezwaar nog niet in werking was getreden. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het perceel in het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan aanvankelijk voor woningbouw was bestemd, doch dat de gemeenteraad nog niet tot wijziging van de bestemming op het perceel is overgegaan vanwege de thans aan de orde zijnde vrijstellingsprocedure. Vervolgens heeft de gemeenteraad zich niet uitdrukkelijk gekeerd tegen het bouwplan. In dit verband heeft het college gewezen op de toelichting bij het nieuwe bestemmingsplan, waarin is vermeld dat voor de zes woningen op het perceel planvorming in voorbereiding is. Het college heeft aldus gemotiveerd waarom het vrijstelling heeft verleend voor een bouwplan dat niet past in het nieuwe bestemmingsplan.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het nieuwe bestemmingsplan de planologische aanvaardbaarheid van het bouwplan niet in de weg staat.

Het betoog faalt.

2.7. Voor zover [appellant] in hoger beroep zijn in eerdere instantie aangevoerde gronden met betrekking tot de afvoer van het hemelwater en de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan slechts heeft herhaald en ingelast, betreft het hoger beroep een niet nader gemotiveerde herhaling daarvan. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak is de rechtbank op die gronden ingegaan. [appellant] heeft in het hoger beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Hetgeen [appellant] ter zitting alsnog over de economische uitvoerbaarheid naar voren heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel. Gelet hierop kan het aldus aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010

357-564.