Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4854

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
201003195/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2007 heeft de minister bepaald dat geen geluidwerende voorzieningen worden aangebracht aan de woning van [appellant] in het kader van het derde geluidsisolatieproject Schiphol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003195/1/H2.

Datum uitspraak: 24 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2010 in zaak nr. 09/586 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister), thans de minister van Infrastructuur en Milieu.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2007 heeft de minister bepaald dat geen geluidwerende voorzieningen worden aangebracht aan de woning van [appellant] in het kader van het derde geluidsisolatieproject Schiphol.

Bij besluit van 5 januari 2009 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 april 2010.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.M.S. Salomons, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, en de minister van Infrastructuur en Milieu, vertegenwoordigd door mr. R.A. de Weerd, advocaat te Alkmaar, vergezeld van A. ter Velde, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 6 februari 1997 hebben de minister en de staatssecretaris van Defensie, handelende in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, lettend op artikel 26b van de Luchtvaartwet, de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (Stcrt. 1997, 47; hierna: de RGV 1997) vastgesteld.

Bij besluit van 29 november 2006, voor zover thans van belang, hebben de minister en de staatssecretaris van Defensie, handelende in overeenstemming met de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, lettend op artikel 26b van de Luchtvaartwet en artikel 8.32 van de Wet Luchtvaart, de RGV 1997 gewijzigd (Stcrt. 2006, 235).

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de RGV 1997 zijn voor de toepassing van deze regeling voor de luchthaven Schiphol de geluidscontouren, behorende bij de maximale waarden 40, 50, 55 en 65 Ke, opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling, en de LAeq geluidszone in dB(A), opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, worden op 's rijkskosten geluidwerende voorzieningen aangebracht aan geluidgevoelige ruimten van een woning die:

1˚ op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone in Ke of van de geluidscontour Schiphol daarbinnen reeds aanwezig is, of nog niet aanwezig is, maar waarvoor de bouwvergunning is verleend, en

2˚ volgens de in artikel 25d van de Luchtvaartwet bedoelde geluidscontouren voor de in die wet bedoelde luchtvaartterreinen of de geluidscontour Schiphol een geluidsbelasting van 40 Ke of hoger ondervindt.

Ingevolge artikel 3 worden geluidwerende voorzieningen niet aangebracht aan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde woningen, wanneer ten tijde van de bekendmaking van het isolatieprogramma, bedoeld in artikel 12, eerste lid:

a. vast staat dat de geluidsgevoelige ruimten van de betreffende woning reeds voldoen aan artikel 19, dan wel aan overeenkomstige eisen hadden moeten voldoen op grond van de geluidweringsvoorschriften ingevolge de Woningwet 1962 of de Woningwet;

(…)

h. vaststaat dat aan de desbetreffende woningen met toepassing van deze regeling reeds van rijkswege geluidwerende voorzieningen zijn aangebracht, en de waarde van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie ter bescherming van de geluidgevoelige ruimte, bepaald volgens bijlage 2 bij deze regeling zoals die gold op het moment waarop bedoelde geluidwerende voorzieningen werden uitgebracht, 3 dB(A) of minder lager is dan de in artikel 19, eerste lid, bedoelde waarde;

(…).

2.2. Vast staat dat de eerste twee geluidsisolatieprojecten Schiphol zijn afgerond. Na wijziging in 2004 van de aan- en uitvliegroutes van de luchthaven Schiphol heeft de minister besloten een derde geluidsisolatieproject (hierna: het GIS-3) te starten.

2.2.1. De minister heeft aan het besluit van 5 januari 2009, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat ingevolge artikel 3, aanhef en onder a en h van de RGV 1997 aan de woning van [appellant] geen geluidwerende voorzieningen zullen worden aangebracht, met uitzondering van de geluidsgevoelige ruimten die op de GIS-1 bouwtekening met 'S1' en 'S3' zijn aangeduid. Tijdens het eerste geluidsisolatieproject (hierna: het GIS-1) zijn reeds geluidwerende voorzieningen aan de woning aangebracht en de geluidsbelasting op de woning is volgens de vastgestelde geluidscontouren niet met meer dan 3 dB(A) gestegen ten opzichte van de ten tijde van het GIS-1 geldende geluidsbelasting. De nieuw gevormde open keuken en zolderkamer worden voorts geacht aan de ingevolge de Woningwet geldende eisen voor geluidwering te voldoen, aldus de minister.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij eerst ter zitting heeft aangevoerd dat de geluidsbelasting op zijn woning met meer dan 3 dB(A) is toegenomen ten opzichte van de geluidsbelasting ten tijde van het GIS-1 en dat de minister de zolder van zijn woning ook als geluidsgevoelige ruimte bij het GIS-3 had moet betrekken. [appellant] stelt dat hij deze gronden reeds in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht en dat hij in zijn beroepschrift daarnaar heeft verwezen, zodat de rechtbank deze gronden ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

2.3.1. In het beroepschrift van 11 februari 2009 staat vermeld dat het beroep mede gebaseerd is op de door [appellant] ingediende bezwaren die deels ten onrechte zijn afgewezen. Bij brief van 11 maart 2009 heeft [appellant] de gronden van het beroep ingediend, waarbij hij heeft aangevoerd dat zijn woning tijdens het GIS-1 onvoldoende is geïsoleerd en dat de garantietermijn voor de ramen die in het kader van het GIS-1 zijn aangebracht nog niet is verstreken. In deze laatste brief wordt niet meer ingegaan op wat er verder in bezwaar was aangevoerd. De rechtbank mocht er derhalve van uitgaan dat [appellant] de overige reeds in bezwaar aangevoerde gronden met betrekking tot de geluidsbelasting op zijn woning en met betrekking tot de zolder van zijn woning niet langer heeft gehandhaafd. Niet valt in te zien waarom [appellant] deze gronden vervolgens niet eerder dan ter zitting heeft kunnen inbrengen, zodat de minister daarop naar behoren had kunnen reageren. De rechtbank heeft deze beroepsgronden dan ook buiten beschouwing kunnen laten wegens strijd met de goede procesorde.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem aangevoerde beroepsgrond, dat bij de uitvoering van het GIS-1 ondeugdelijke producten en materialen zijn gebruikt, buiten de omvang van het geding valt. Hij voert aan dat de rechtbank aldus heeft miskend dat, indien komt vast te staan dat destijds ondeugdelijke producten en materialen zijn gebruikt, de minister ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat zijn woning tijdens het GIS-1 naar behoren is geïsoleerd.

2.4.1. Het betoog van [appellant] heeft betrekking op de uitvoering van de geluidsisolatiewerkzaamheden aan zijn woning tijdens het GIS-1 en kan in het kader van de onderhavige bestuursrechtelijke procedure niet aan de orde komen. Het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder h, van de RGV 1997 vereist niet dat de uitvoering van een eerder geluidsisolatieproject opnieuw beoordeeld wordt. In het RGV 1997 is voor het rijk met betrekking tot aangebrachte geluidwerende voorzieningen ook geen onderhoudsverplichting opgenomen. De rechtbank heeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot de bij de uitvoering van het GIS-1 gebruikte producten en materialen terecht buiten beschouwing gelaten.

Dit betoog faalt derhalve ook.

2.5. [appellant] betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de destijds aangebrachte voorzieningen worden geacht te voldoen. [appellant] verwijst in dit verband naar een inspectierapport van 20 augustus 1997 van Heidemij Advies BV, zijn mailbericht van 5 januari 1998 aan de Nationale Ombudsman, zijn brief van 3 december 1998 aan de minister en een brief van de Nationale Ombudsman van 19 september 1997.

2.5.1. Het betoog kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak reeds nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, de uitvoering van de geluidsisolatiewerkzaamheden aan de woning tijdens het GIS-1 project in de onderhavige bestuursrechtelijke procedure niet aan de orde kan komen.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Larsson-van Reijsen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010

344.