Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4844

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
201004119/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2009 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de op het perceel [locatie] te [plaats] opgeslagen zaken die niet ten behoeve staan van de agrarische bestemming, waaronder in ieder geval een personenauto, een motorkap, een bumper van een auto, oud ijzer, een aanhangwagen, een groene container geschikt voor huishoudelijk afval, stelconplaten, stenen en kleinere zaken zoals bedrading, hout en opbergmateriaal alsmede de stelconplaten en stenen die zijn aangebracht als verharding van het noordoostelijk deel van het perceel, binnen vier weken na dagtekening van dit besluit te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004119/1/H1.

Datum uitspraak: 24 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 februari 2010 in

zaak nr. 09/1002 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2009 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de op het perceel [locatie] te [plaats] opgeslagen zaken die niet ten behoeve staan van de agrarische bestemming, waaronder in ieder geval een personenauto, een motorkap, een bumper van een auto, oud ijzer, een aanhangwagen, een groene container geschikt voor huishoudelijk afval, stelconplaten, stenen en kleinere zaken zoals bedrading, hout en opbergmateriaal alsmede de stelconplaten en stenen die zijn aangebracht als verharding van het noordoostelijk deel van het perceel, binnen vier weken na dagtekening van dit besluit te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 1 september 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 april 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. drs. C.R. Jansen, rechtsbijstandverlener, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. D.C. van der Ven, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Aduard" rust op de betrokken gronden de bestemming "Agrarische doeleinden".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor agrarische doeleinden aangewezen gronden bestemd voor:

a. een veehouderij-, akkerbouw- en tuinbouwbedrijf;

b. agrarische cultuurgrond;

c. water.

Ingevolge het derde lid is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemmingsomschrijving.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aanwezigheid van de stelconplaten en stenen die zijn aangebracht als verharding van het noordoostelijk deel van het perceel in strijd is met artikel 6, derde lid, van de planvoorschriften. Volgens hem is de verharding aangebracht ten behoeve van het (vracht)verkeer van het ter plaatse aanwezige bedrijf en wordt deze derhalve gebruikt ten behoeve van agrarische doeleinden.

2.2.1. Anders dan het college ter verweer naar voren heeft gebracht, betreft hetgeen [appellant] omtrent de stelconplaten en stenen naar voren heeft gebracht geen nieuwe beroepsgrond maar een nieuw argument ter ondersteuning van het reeds eerder gevoerde betoog dat de op het perceel aanwezige materialen ten behoeve van het agrarische bedrijf worden gebruikt. Er is geen aanleiding om dit argument niet bij de beoordeling te betrekken.

2.2.2. De rechtbank heeft zonder nadere motivering geoordeeld dat de stelconplaten en stenen die zijn aangebracht als verharding niet gerelateerd zijn aan agrarische activiteiten. [appellant] heeft echter ter zitting bij de Afdeling gemotiveerd uiteengezet dat de verharding wordt gebruikt om voertuigen van onder meer leveranciers van het agrarische bedrijf te kunnen laten keren en dat hij zonder die verharding ernstig wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering. Het college heeft ter zitting weersproken dat de verharding wordt gebruikt voor agrarische doeleinden, maar heeft zijn standpunt niet met concrete en overtuigende gegevens gestaafd, hoewel het aan het college is om aannemelijk te maken dat [appellant] het verbod van artikel 6, derde lid, van de planvoorschriften heeft overtreden. Aldus kan niet worden uitgesloten dat de verharding past binnen de agrarische bestemming. Gelet hierop heeft het college in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onvoldoende kennis vergaard omtrent de relevante feiten en is het besluit van het college van 1 september 2009 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 1 september 2009 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 februari 2010 in zaak nr. 09/1002;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn van 1 september 2009, kenmerk RV/0275/0902609;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010

457-672.