Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4841

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
201002376/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2008 heeft de Belastingdienst de aan [appellante] voor 2006 toe te kennen huurtoeslag op nihil gesteld en van haar het aan haar uitgekeerde voorschot ten bedrage van € 2.229,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002376/1/H2.

Datum uitspraak: 24 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2010 in zaak nr. 09/2893 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst).

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2008 heeft de Belastingdienst de aan [appellante] voor 2006 toe te kennen huurtoeslag op nihil gesteld en van haar het aan haar uitgekeerde voorschot ten bedrage van € 2.229,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 2 juli 2009 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 januari 2010, verzonden op 29 januari 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2010, hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2010, waar [appellante], bijgestaan door mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. A.D. Schreutelkamp, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op de Wht de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Awir, zoals die luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder medebewoner verstaan: de persoon die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt:

1° de partner van de belanghebbende,

2° de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens partner,

3° degene die tot het huishouden van de onder 2° bedoelde persoon behoort.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, wordt, indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat, naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner, ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, mede het toetsingsinkomen van de medebewoners in aanmerking genomen.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst haar [zuster] ten onrechte als medebewoner heeft aangemerkt. Daartoe stelt zij dat zij haar maandelijks kostgeld betaalt en dat geen gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. Ter staving van deze stelling heeft zij in beroep een verklaring van die strekking van haar zuster overgelegd.

2.2.1. Dat betoog faalt. [appellante] heeft op 27 juli 2006 een aanvraag om huurtoeslag voor het jaar 2006 ingediend. Op het aanvraagformulier heeft zij vermeld dat haar huishouden uit haarzelf en één medebewoner bestaat en niet een deel van haar woning is onderverhuurd. De Belastingdienst heeft niet ten onrechte de zuster op basis van deze opgave van [appellante] als medebewoner aangemerkt. De door [appellante] voor het eerst in beroep overgelegde verklaring van de zuster maakt dat niet anders. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is die verklaring geen schriftelijke huurovereenkomst, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Awir, reeds omdat de rechten en plichten van beide partijen niet zijn omschreven en geen ingangsdatum van de huur is vermeld. Ook de op 8 juli 2010 in hoger beroep overgelegde verklaringen houden geen zodanige schriftelijke overeenkomst in. Dat, als gesteld, in het kader van de uitkering van bijstand wel gescheiden huishoudens zijn aangenomen, doet daar niet aan af, omdat daarop een ander beoordelingskader van toepassing is, dat bovendien niet op besluitvorming door de Belastingdienst betrekking heeft.

2.3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de nihilstelling van de huurtoeslag en terugvordering van het voorschot een inbreuk vormt op haar eigendomsrecht, in het bijzonder een ongerechtvaardigde inbreuk op haar inkomen, als bedoeld in artikel 1, Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), alsmede een ongerechtvaardigde inmenging in haar privéleven, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en artikel 17 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR), omdat zij, indien haar zuster als medebewoner wordt aangemerkt, wordt gedwongen een gezamenlijke huishouding met haar te voeren en zij het risico loopt dat haar geen bijstand als alleenstaande zal worden verleend.

2.3.1. Het betoog van de Belastingdienst dat dit te laat is aangevoerd, omdat dat voor het eerst in hoger beroep is gebeurd, wordt niet gevolgd. In beroep waren omstandigheden, verband houdende met het inkomensverlies en het privéleven van [appellante] in geschil. Gelet hierop, is er voldoende grondslag om ter zake de rechtsgronden aan te vullen.

2.3.2. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens merkt het respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als de 'very essence' van het EVRM aan. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen met anderen te waarborgen.

Zo de omstandigheid dat de Belastingdienst de zuster van [appellante] voor de toepassing van de Wht en de Awir als medebewoner aanmerkt al als een inmenging in het privéleven van [appellante] zou moeten worden aangemerkt, is deze bij wet voorzien en kan zij noodzakelijk worden geacht in het belang van de bescherming van het economisch welzijn van het land, nu de nihilstelling en de terugvordering van ten onrechte verleend voorschot strekt tot rechtmatige en gerechtvaardigde verdeling van publieke middelen. Reeds omdat het voor [appellante] mogelijk is om desgewenst aannemelijk te maken dat haar zuster geen medebewoner is, zijn de nihilstelling en terugvordering resultaat van 'fair balance' tussen het algemeen belang bij de bescherming van het economisch welzijn van het land en het belang van [appellante]. Het betoog faalt in zoverre. Om dezelfde redenen faalt ook het betoog inzake artikel 17 IVBPR.

Met betrekking tot het betoog inzake artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM wordt overwogen dat een voorschot geen 'possession' in de zin van die bepaling is. Nu [appellante] door de vermelding van een medebewoner bij haar aanvraag om verlening van huurtoeslag geen gerechtvaardigde verwachting kon hebben dat zij aanspraak had op huurtoeslag, is die aanspraak evenmin een 'possession' in de zin van die bepaling. Het betoog faalt voor het overige derhalve evenzeer.

2.4. Ook het betoog van [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat zij haar bezwaren ten onrechte niet op een hoorzitting heeft kunnen toelichten, faalt. Zij is in de gelegenheid gesteld haar bezwaren op een in de uitnodigingsbrief vermelde dag toe te lichten. Wegens verhindering op die dag heeft zij, naar gesteld, getracht de Belastingdienst telefonisch om uitstel te verzoeken. Gevolgen van de omstandigheid dat zij daarin, naar zij stelt wegens onbereikbaarheid van de Belastingdienst, niet is geslaagd, heeft de rechtbank terecht voor haar rekening gelaten, nu [appellante] ook op andere wijze om uitstel had kunnen verzoeken, maar dat niet heeft gedaan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010

47-616.