Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4838

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
201001311/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Bedum" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001311/1/R1.

Datum uitspraak: 24 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante] (hierna: de stichting), gevestigd te [plaats],

en

de raad van de gemeente Bedum,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Bedum" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 februari 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 17 maart 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2010, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door H.P. Paap en J.M. Peppelenbos-te Selle, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het landelijk gebied van de gemeente Bedum.

2.2. Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie] te [plaats]. De stichting voert aan dat de omvang van het toegekende bouwvlak ingevolge de regels behorend bij de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - klein agrarisch bedrijf" (hierna: "sba-klab") ten minste 0,5 hectare dient te bedragen. Daarnaast betoogt de stichting dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld, omdat aan andere bedrijven wel de gevraagde vergroting van het bouwvlak is toegekend en omdat aan de stichting eisen worden gesteld die niet aan andere bedrijven worden gesteld, namelijk het aantonen van een noodzaak tot vergroting en een uitgewerkt bedrijfsplan.

De stichting betoogt voorts dat het bouwvlak op de oostzijde van het perceel geplaatst dient te worden. Hiertoe voert de stichting aan dat de uitbreidingsmogelijkheden door de huidige ligging van het bouwvlak verslechterd zijn ten opzichte van het vorige bestemmingsplan en dat cultuurhistorische waarden geen rol mogen spelen bij de bepaling van de ligging van het bouwvlak. Voorts betoogt de stichting dat in vergelijkbare gevallen wel over een gracht of sloot heen mag worden gebouwd.

2.3. De raad stelt zich op het standpunt dat het toegekende bouwvlak van 0,3 hectare volstaat. Voorts stelt de raad dat bij de omvang en ligging van het bouwvlak rekening is gehouden met aanwezige historische en landschappelijke structuren. In verband hiermee stelt de raad dat zich aan de oostzijde van het perceel een sloot bevindt en het vanuit de gedachte van behoud van cultuurgoed onwenselijk is om over de sloot heen te bouwen. Daarnaast stelt de raad zich op het standpunt dat het agrarisch bedrijf met een economische omvang van 9 Nederlandse grootte-eenheden (hierna: nge) zeer klein is.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de stichting niet duidelijk heeft gemaakt dat er behoefte is aan, dan wel plannen zijn voor, agrarische schaalvergroting, dat een deel van de bedrijfsbebouwing wordt gebruikt voor niet-agrarische activiteiten van derden, te weten de verhuur van een schuur aan een klussenbedrijf, en dat de afgelopen 30 jaar geen aanvraag voor een bouwvergunning ten behoeve van uitbreiding is gedaan.

2.4. Het perceel van de stichting bevindt zich aan [locatie] te [plaats]. Op dit perceel bevinden zich een agrarisch bedrijf en een schuur die door de stichting wordt verhuurd aan een klussenbedrijf. Ten noorden van het perceel bevindt zich op ongeveer 50 meter afstand de bebouwde kom van de kern Noordwolde en ten zuiden van het perceel op maximaal 80 meter afstand de autoweg N46.

Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Voorts zijn onder meer de aanduidingen "sba-klab" en "specifieke bouwaanduiding - geen schaalvergroting" (hierna: "sba-gsch") toegekend.

Ingevolge artikel 3.2, onder a, aanhef en onder 1, van de planregels mogen gebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven bij de aanduiding "sba-klab" enkel binnen een bouwvlak en daarbinnen in een denkbeeldige rechthoek van 0,5 hectare worden opgericht.

Op het perceel van de stichting bevindt zich een bouwvlak van 0,3 hectare.

De economische omvang van de agrarische activiteiten van het agrarisch bedrijf van de stichting is door de raad gewaardeerd op 9 nge. De raad merkt een agrarisch bedrijf als volwaardig aan bij een economische omvang van 40 nge. Aan die bedrijven wordt een bouwvlak van 1 hectare toegekend. Bedrijven tussen 8 en 39 nge zijn volgens de raad reële bedrijven waaraan een bouwvlak van 0,5 ha wordt toegekend.

2.5. Ten aanzien van de verslechtering van de bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

2.6. Voor zover de stichting heeft aangevoerd dat op het perceel Ter Laan 33 te Bedum wel wordt voorzien in de mogelijkheid tot het bouwen over een sloot, wordt overwogen dat ter zitting is gebleken dat van gelijke gevallen geen sprake is. Op het perceel Ter Laan 33 bestaan, in tegenstelling tot de aan de orde zijnde situatie, geen andere uitbreidingsmogelijkheden dan door het bouwen over de sloot.

2.7. Ten aanzien van de andere door de stichting genoemde percelen met een groter bouwvlak dan wel een andere ligging van het bouwvlak is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen.

2.8. Gelet op het streven om de grootschalige openheid te bewaren, acht de Afdeling het uitgangspunt van de raad om aan agrarische bedrijven met een economische omvang tussen de 8 en 39 nge een bouwvlak van maximaal 0,5 hectare toe te kennen, niet onredelijk.

2.9. Niet in geschil is dat de economische omvang van de agrarische activiteiten van het agrarisch bedrijf van de stichting 9 nge bedraagt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voldoende gemotiveerd waarom in dit geval kan worden volstaan met een bouwvlak van 0,3 hectare. Daartoe overweegt de Afdeling dat de raad per agrarisch bedrijf maatwerk heeft geleverd bij de bepaling van de omvang van het bouwvlak. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat behoefte dan wel plannen bestaan tot uitbreiding van het agrarisch bedrijf. De raad heeft daarbij kunnen betrekken dat geen bedrijfsplan ten behoeve van uitbreiding is overgelegd en dat de bestaande bedrijfsbebouwing deels wordt gebruikt voor niet-agrarische doeleinden. Ook ter zitting heeft de stichting bevestigd dat er geen concrete plannen voor uitbreiding bestaan. Door de toekenning van een bouwvlak van 0,3 hectare binnen de sloot maakt de raad eventuele uitbreiding van het agrarisch bedrijf niet onmogelijk, doordat op het perceel binnen een denkbeeldige rechthoek van 20 bij 20 meter of 20 bij 40 meter nog gebouwd kan worden. De raad heeft in redelijkheid een zwaarder belang kunnen toekennen aan de te beschermen cultuurhistorische waarden, te weten de boerderij en de sloot, dan aan het belang van de stichting om meer en elders op het perceel te kunnen bouwen.

2.10. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel wat betreft de omvang en ligging van het bouwvlak strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.11. De stichting voert voorts aan dat de wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.8, onder a, van de planregels ook voor haar perceel dient te gelden. Hiertoe voert zij aan dat de raad in strijd met zijn eigen beleid en doelstellingen handelt. De stichting betoogt dat ook haar agrarisch bedrijf over groeipotentie beschikt en deze groeipotentie benut kan worden ondanks de ligging ten opzichte van de bebouwde kom van Noordwolde.

2.12. Ter zitting heeft de raad gesteld dat het uitgangspunt is dat reële bedrijven tussen 8 en 39 nge uitbreidingsmogelijkheid dienen te hebben. De wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.8, onder a, van de planregels die voorziet in de mogelijkheid tot uitbreiding is voor percelen met de aanduiding "sba-klab" echter uitgesloten in artikel 3.8, onder a, sub 4, eerste gedachtestreepje. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat uitbreiding van het bouwvlak en vergroting van de denkbeeldige rechthoek voor bedrijven met de aanduiding "sba-klab" mogelijk is door een dergelijk verzoek bij de raad in te dienen, waarna de raad de keuze heeft om over te gaan tot een planherziening.

2.13. Ingevolge artikel 3.8, onder a, voor zover thans van belang, kan het college het bestemmingsplan wijzigen ten behoeve van de uitbreiding van het bouwvlak. Ingevolge artikel 3.8, onder a, sub 4, eerste gedachtestreepje, geldt deze wijzigingsbevoegdheid niet voor bedrijven ter plaatse van de aanduiding "sba-klab".

2.14. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.12., sluit de raad niet uit dat op verzoek wordt meegewerkt aan uitbreiding. Nu het uitgangspunt is om aan reële bedrijven tussen de 8 en 39 nge, zoals het bedrijf van de stichting, uitbreidingsmogelijkheden te bieden, had de raad gelegen nader dienen te motiveren waarom het bedrijf van de stichting is uitgesloten van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.8, onder a.

2.15. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 3.8, onder a, sub 4, eerste gedachtestreepje, voor zover dit betrekking heeft op het perceel [locatie] te [plaats].

2.16. De stichting voert voorts aan dat de aanduiding "klussenbedrijf" voor het perceel geschrapt dient te worden, aangezien vestiging van een ander bedrijf dan een klussenbedrijf mogelijk behoort te zijn. Daarnaast acht de stichting het niet ruimtelijk relevant dat de bestemming uitsluitend een klussenbedrijf toelaat. De stichting voert aan dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld doordat aan andere bedrijven geen specifieke aanduiding is toegekend. De stichting betoogt dat de aanduiding"zaagtandlijn" in de verbeelding dient te vervallen, zodat uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van het klussenbedrijf buiten de bestaande bebouwing wordt toegestaan.

2.17. De raad stelt zich op het standpunt dat ten tijde van het verzoek om toestemming door de stichting voor het gebruik van de schuur ten behoeve van een klussenbedrijf onder het vorige bestemmingsplan dit gebruik niet was toegestaan. Het college van burgemeester en wethouders heeft een gedoogbeschikking verleend in afwachting van het onderhavige bestemmingsplan. In het voorliggende plan is de bestaande situatie vastgelegd. Het klussenbedrijf wordt gezien als nevenfunctie, waarbij het agrarisch bedrijf de hoofdfunctie vervult. De raad stelt dat uitbreiding van deze nevenactiviteiten niet buiten de bestaande schuur op het perceel dient plaats te vinden. Indien dit toch gewenst is, dient het klussenbedrijf zich op een bedrijventerrein te vestigen. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat ook aan andere bedrijven een specifieke aanduiding, zoals de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - meststoffenhandel", toegekend is.

2.18. Niet in geschil is dat het gebruik van de schuur van het agrarisch bedrijf van de stichting door het klussenbedrijf in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Bedum" en dat het college van burgemeester en wethouders een gedoogbeschikking heeft verleend ten behoeve van de concrete activiteiten van het klussenbedrijf. Nu de activiteiten van het klussenbedrijf ondergeschikt zijn aan die van het agrarische bedrijf heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het klussenbedrijf moet worden aangemerkt als een niet-agrarische nevenactiviteit.

2.19. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nieuwe niet-agrarische nevenactiviteiten ondergeschikt dienen te zijn aan de hoofdactiviteit en de bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk plaats dienen te vinden binnen de bestaande gebouwen. Gelet hierop en gelet voorts op het feit dat de gedoogbeschikking alleen is toegekend ten behoeve van een klussenbedrijf en enkel in afwachting van een regeling daarvan in het onderhavige bestemmingsplan, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gehouden was een algemene bedrijfsbestemming ter plaatse toe te kennen. Anders dan de stichting betoogt, is de beperking tot een klussenbedrijf ruimtelijk relevant en geen ongeoorloofde branchering.

2.20. Voor zover door de stichting is aangevoerd dat aan andere bedrijven geen specifieke aanduiding is toegekend, is ter zitting gebleken dat deze stelling onjuist is.

2.21. De stichting voert ten slotte aan dat het woord "kleinschalig" uit de tekst van de bestemming en in de verbeelding dient te worden verwijderd. Voorts betoogt de stichting dat de tekst op pagina 98 van de plantoelichting onjuist en onbegrijpelijk is.

2.22. Anders dan de stichting veronderstelt, komt aan het woord "kleinschalig" in de aanduiding "specifieke bouwaanduiding agrarisch- kleinschalig bedrijf" geen juridische betekenis toe, nu dit slechts de naam van de aanduiding betreft, en in de voorschriften een klussenbedrijf als zodanig is toegestaan.

Ten aanzien van het betoog inzake de tekst van pagina 98 van de plantoelichting wordt overwogen dat een toelichting geen deel uitmaakt van een bestemmingsplan. Aan de toelichting komt derhalve geen bindende betekenis toe.

2.23. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ten aanzien van de aanduiding "klussenbedrijf" ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze aanduiding strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.24. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De kosten voor kopieën van stukken die niet afkomstig zijn uit openbare registers en de kosten voor het verzenden van stukken per post en per fax komen niet voor vergoeding in aanmerking.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt artikel 3.8, onder a, sub 4, eerste gedachtestreepje, van de planregels behorend bij het bestemmingsplan "Buitengebied Bedum" voor zover dit betrekking heeft op het perceel [locatie] te [plaats];

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Bedum tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 75,61 (zegge: vijfenzeventig euro en eenenzestig cent);

V. gelast dat de raad van de gemeente Bedum aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Bošnjaković

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010

410-767.