Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4835

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
200907549/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2009, met nummer 92, heeft de raad het bestemmingsplan "Westeinde e.o." vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907549/1/R1.

Datum uitspraak: 24 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2009, met nummer 92, heeft de raad het bestemmingsplan "Westeinde e.o." vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2009, beroep ingesteld.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De raad heeft geen verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2010, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. R.B. van Heijningen, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Engelberts en J.C.M. Stam M.Sc., werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] en anderen betogen dat de zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ten onrechte niet zijn opgenomen in de plantoelichting.

Voor het opnemen van zienswijzen in de plantoelichting bestaat geen wettelijke verplichting. De omstandigheid dat de reacties op het voorontwerpbestemmingsplan wel in de plantoelichting zijn opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Met de vermelding van de periode van terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan en het opnemen van de reacties op het voorontwerp en het antwoord daarop van de raad in de plantoelichting wordt voorts voldaan aan de verplichting in artikel 3.1.6, eerste lid en onder e, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) dat in de plantoelichting moet worden neergelegd op welke wijze burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Gelet hierop treft het betoog van [appellant] en anderen dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met deze bepaling geen doel.

2.2. Voorts betogen [appellant] en anderen dat ten onrechte geen formeel besluit is genomen om van inspraak af te zien.

Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Indien een inspraakverplichting geschonden is, heeft dit geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

2.3. [appellant] en anderen betogen voorts dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1 van het Bro.

Ingevolge dit artikel is de raad verplicht bij de voorbereiding van het bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het bestemmingsplan in het geding zijn. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben betoogd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro. Met het toesturen van het voorontwerpbestemmingsplan en de mogelijkheid om daarop een reactie te geven is voldaan aan genoemde verplichting. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd voorts geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende overleg is gevoerd.

2.4. Voor zover [appellant] en anderen wijzen op onjuistheden en onvolkomenheden in de plantoelichting overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat de plantoelichting, die overigens als zodanig geen juridisch bindend onderdeel is van het bestemmingsplan, dusdanige onjuistheden en onvolkomenheden bevat dat om die reden reeds geoordeeld dient te worden dat geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden en de raad hierom het bestemmingsplan niet heeft kunnen vaststellen.

2.5. [appellant] en anderen betogen dat het bestemmingsplan ten onrechte is aangemerkt als een conserverend bestemmingsplan en daardoor onvoldoende beschermend is, waardoor het karakter van het beschermd stadsgezicht kan worden aangetast.

Zij voeren daartoe aan dat de maximale goot- en bouwhoogtes op de plandelen met de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" niet overeenkomstig de feitelijke situatie op de verbeelding zijn weergegeven. Zij hebben in dit verband een rapportage, gedateerd 7 juli 2009, overgelegd, bevattende details van panden aan de Assendelftstraat. Ter illustratie van de stelling dat de verbeelding wat goot- en bouwhoogtes betreft onzorgvuldigheden bevat is ook nog gewezen op panden aan de Jan Hendrikstraat.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan voldoende conserverend is, omdat de waarden die in de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht worden genoemd in het bestemmingsplan worden beschermd. Voorts is de raad van mening dat de op de verbeelding aangegeven goot- en bouwhoogtes de feitelijke situatie weergeven.

2.5.2. Blijkens de plantoelichting is aan het deel van het plangebied dat valt onder het beschermde stadsgezicht, waaronder de Assendelftstraat, de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" toegekend.

Ingevolge artikel 21, lid 21.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Waarde - Cultuurhistorie" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van een beschermd stadsgezicht, zoals voor wat betreft het Rijksbeschermd Stadsgezicht Centrum beschreven in de toelichting op het aanwijzingsbesluit als opgenomen in bijlage bij de regels van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 21, lid 21.2, onder a, geldt dat bouwen moet plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden als bedoeld in lid 21.1, die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan aanwezig waren.

Ingevolge het tweede lid, onder d, geldt het gestelde onder a niet indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden en bouwwerken en nadat hierover advies is ingewonnen van de commissie als bedoeld in artikel 1 lid 9 van de Monumentenverordening Den Haag.

In de toelichting op het aanwijzingsbesluit als opgenomen in bijlage 4 bij de regels van het bestemmingsplan zijn als te beschermen waarden opgenomen het historisch patroon van straten, stegen, open ruimten en waterlopen in samenhang met de schaal van de bebouwing ter plaatse. Voorts zijn de profilering en inrichting van de openbare ruimte, de verkavelings- en bebouwingsstructuur en in het algemeen de vormgeving van de bebouwing van betekenis. Ook aan de vormgeving van de kappen en gevels wordt waarde toegekend.

Voorts geldt ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder c, voor de gronden met de bestemming "Gemengd-1" dat de hoogte van de hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan op de verbeelding staat aangegeven.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2.1, onder c, geldt voor de gronden met de bestemming "Gemengd-2" dat de hoogte van de hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan op de verbeelding staat aangegeven.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2.1, onder c, geldt voor de gronden met de bestemming "Gemengd-3" dat de hoogte van de hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan op de verbeelding staat aangegeven.

Ingevolge artikel 19, lid 19.2.1, onder c, geldt voor de gronden met de bestemming "Wonen" dat de hoogte van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan op de verbeelding staat aangegeven.

2.5.3. De raad heeft het bestaande patroon van straten, stegen, openbare ruimtes en waterlopen in het plangebied op de verbeelding weergegeven, waarbij de bescherming daarvan door toekenning van de daarbij behorende bestemmingen wordt gewaarborgd. Voorts heeft de raad in bescherming van de schaal van de bebouwing beoogd te voorzien door het opnemen van de feitelijke goot- en bouwhoogtes van de bebouwing op de verbeelding en de bepaling dat voor de bestemmingen "Gemengd-1", "Gemengd-2", "Gemengd-3" en "Wonen", de hoogte van hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan op de verbeelding staat aangegeven.

Volgens de raad zijn de goot- en nokhoogte bij de karakteristieke bebouwing zo nauwgezet mogelijk per pand aangegeven om de verscheidenheid in goot- en nokhoogtes te waarborgen. Indien tussen aangrenzende panden een hoogteverschil kleiner dan 1 meter bestaat is voor het maximum gekozen; bij grotere hoogteverschillen zijn de nok- en goothoogte per pand aangeduid.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat voor de gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" de regeling van artikel 21 dient als vangnet voor de bescherming van de overige waarden die met de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht beschermd dienen te worden. Voorts bieden de welstandseisen bescherming van deze waarden, onder meer omtrent de vorm van de kappen. Gelet hierop is opname van verderstrekkende regels voor de bescherming van deze waarden in het bestemmingsplan niet nodig.

Voor zover [appellant] en anderen betogen dat artikel 21, tweede lid, onder d, van de planregels in strijd is met de artikelen 36 en 37 van de Monumentenwet 1988, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de artikelen 36 en 37 van de Monumentenwet 1988 volgt niet dat in een bestemmingsplan dat is vastgesteld ter bescherming van het beschermde stadsgezicht, dit stadsgezicht dient te worden bevroren in de toestand waarin het zich bevindt. De voorwaarden die in artikel 21, tweede lid, onder d, van de planregels worden gesteld, brengen mee dat steeds een afweging van de betrokken belangen dient plaats te vinden en advies van de welstands- en monumentencommissie noodzakelijk is.

De Afdeling is op grond van het voorgaande van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bescherming van de waarden die met de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht beschermd dienen te worden op deze wijze op zich voldoende is gewaarborgd.

Met betrekking tot de door [appellant] en anderen overgelegde rapportage van 7 juli 2009 waaruit volgens hen kan worden afgeleid dat de goot- en bouwhoogtes van panden in het gebied dat is aangewezen als beschermd stadsgezicht niet juist op de verbeelding zijn opgenomen, heeft de raad ter zitting betoogd dat in de ontwerpfase van het bestemmingsplan een onjuist peil is gehanteerd en dit tot onjuiste goot- en bouwhoogtes op de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan heeft geleid, maar dat dit gebrek bij de vaststelling van het bestemmingsplan op de verbeelding is hersteld. Dit eerst ter zitting ingenomen standpunt blijkt niet uit de stukken en ook ter zitting is niet duidelijk geworden dat hiermee de door [appellant] en anderen gestelde verschillen tussen de feitelijke goot- en bouwhoogtes en de op de verbeelding opgenomen goot- en bouwhoogtes van de panden in het gebied waaraan de status van beschermd stadsgezicht is toegekend afdoende kunnen worden verklaard. Zo heeft de garage van [appellant], behorend bij de woning aan de [locatie 1], blijkens de rapportage een bouwhoogte van 4,5 m, terwijl de verbeelding ter plaatse een goothoogte van 13 m en een bouwhoogte van 16 m toestaat. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het besluit van de raad voor zover het de vaststelling van de goot- en bouwhoogtes van de panden binnen het gebied waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" is toegekend betreft in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering.

2.6. [appellant] en anderen voeren tevens aan in het kader van hun betoog dat het bestemmingsplan ten onrechte is aangemerkt als een conserverend bestemmingsplan en zodoende onvoldoende beschermend is waardoor het karakter van het beschermd stadsgezicht kan worden aangetast, dat zij zich niet kunnen vinden in het toekennen van de bestemming "Wonen" aan een deel van het plangebied met de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie". Zij zijn van mening dat het karakter van de wijk zich kenmerkt door functiemenging en dat met het toekennen van een woonbestemming het karakter van de wijk wordt aangetast.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toekennen van de bestemming "Wonen" aan de gronden aan de Assendelftstraat een beleidsmatige keuze is, waarmee conserverend is bestemd. De raad voert daartoe aan dat de zijstraten van het Westeinde, waaronder de Assendelftstraat, overwegend een woonkarakter hebben en dat een andere functie op de begane grond slechts incidenteel aanwezig is. Indien een andere functie dan wonen plaatsvindt is volgens de raad in dat geval een aanduiding binnen de bestemming "Wonen" toegekend of is een afzonderlijke bestemming toegekend.

2.6.2. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat een inventarisatie plaats heeft gevonden van het daadwerkelijk gebruik van de gronden in het plangebied. Het uitgangspunt dat op die plaatsen in het plangebied waar de woonfunctie overheerst voor de bestemming "Wonen" met een nadere aanduiding voor de bestaande bedrijvigheid is gekozen acht de Afdeling niet onredelijk. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat door de bestaande bedrijvigheid als zodanig te bestemmen het gemengde karakter wordt behouden.

2.7. [appellant] en anderen betogen voorts dat ten onrechte geen tabel van de goot- en bouwhoogtes in het bestemmingsplan is opgenomen. Dit is volgens hen toegezegd naar aanleiding van een door hen ingediende zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanduidingen van de maximale goot- en bouwhoogtes goed van de verbeelding afgelezen kunnen worden en dat van een toezegging om een tabel op te nemen geen sprake is.

2.7.2. In de Staat van wijzigingen behorend bij het besluit van de raad van 9 juli 2009, met nummer 92, is de volgende zin doorgehaald: "Ten behoeve van de leesbaarheid worden de maximale goot- en nokhoogtes van de percelen Westeinde17 tot en met 235 oneven, Westeinde 2 tot en met 86 even, Assendelftstraat 1 tot en met 47 oneven en Assendelftstraat 2 tot en met 52 even in een tabel bij de bouwregels van het plan opgenomen en niet meer op de plankaart aangeduid." Nu deze zin is doorgehaald, kan niet van een toezegging als door [appellant] en anderen genoemd worden uitgegaan, zodat van een verplichting voor de raad om een dergelijke tabel bij de bouwregels van het plan op te nemen geen sprake is. Door [appellant] en anderen is niet weersproken dat de goot- en bouwhoogtes als zodanig voldoende kenbaar van de verbeelding af te lezen zijn.

2.8. Voorts betogen [appellant] en anderen dat ten onrechte het bedrijf van [belanghebbende] niet als zodanig is bestemd.

2.8.1. Ter zitting heeft de raad gesteld dat de functie van meubelmakerij van [belanghebbende] rechtstreeks is bestemd, maar dat de omvang van het bedrijf met ongeveer 300 m² de rechtstreeks bestemde omvang binnen het bestemmingsplan overschrijdt. Er bestaan echter geen planologische bezwaren tegen de meubelmakerij. Naar aanleiding van de zienswijze van [belanghebbende] heeft de raad een ontheffingsbevoegdheid voor de meubelmakerij in de planregels opgenomen, maar deze ontheffing is ten onrechte nog niet verleend, aldus de raad. Deze procedure is bijna afgerond. De raad heeft toegezegd tot die tijd niet tot handhaving over te gaan.

2.8.2. Aan het perceel [locatie 2], waar [belanghebbende] is gevestigd, is de bestemming "Wonen" en de aanduiding "bedrijven" toegekend.

Ingevolge artikel 19, lid 19.5, aanhef en onder a, van de planregels is ter plaatse op de begane grond een bedrijf toegestaan, indien dit behoort tot categorie A van de Staat van bedrijven bij functiemenging.

In de Staat van bedrijven bij functiemenging is geen meubelmakerij opgenomen.

Ingevolge artikel 19, lid 19.6, onder b, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om met inachtneming van de algemene ontheffingsregels van het plan ontheffing te verlenen van artikel 19, lid 19.5, onder a, voor bedrijven die niet voorkomen als behorend tot categorie A of B op de Staat van bedrijven bij functiemenging, voor zover deze bedrijven naar hun aard, omvang en invloed op het milieu gelijk gesteld kunnen worden met bedrijven die wel behoren tot categorie A of B van de Staat van bedrijven bij functiemenging.

2.8.3. In tegenstelling tot hetgeen de raad ter zitting heeft toegelicht is ook de functie van de meubelmakerij van [belanghebbende] niet rechtstreeks in het bestemmingsplan opgenomen.

Ter zitting heeft de raad verklaard dat er geen planologische bezwaren bestaan tegen de meubelmakerij en dat deze in het plan als zodanig bestemd had moeten worden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het de intentie van de raad is geweest om aan het plandeel voor [locatie 2] een bestemming toe te kennen waarbinnen de functie van meubelmakerij alsmede de bestaande omvang daarvan valt. Nu de raad dit heeft nagelaten ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van de raad in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid.

Het betoog van [appellant] en anderen slaagt in zoverre.

2.9. [appellant] en anderen betogen voorts dat aan het plandeel voor [locatie 3] ten onrechte de bestemming "Wonen" is toegekend en niet tevens de aanduiding "maatschappelijk", nu de artsenpraktijk aan [locatie 4] tevens aan [locatie 3] is gevestigd. Voorts is volgens [appellant] en anderen ten onrechte aan een klein deel van de gronden van [locatie 4] de bestemming "Gemengd-1" toegekend, terwijl aan deze gronden verder de bestemming "Wonen" toegekend is en deze bestemming aan alle gronden voor [locatie 4] toegekend zou moeten worden.

2.9.1. Ter zitting heeft de raad erkend dat ter plaatse van [locatie 3] tevens een artsenpraktijk is gevestigd, zodat aan het plandeel voor [locatie 3] tevens de aanduiding "maatschappelijk" toegekend had moeten worden. Voorts heeft de raad ter zitting erkend dat aan het deel van de gronden voor [locatie 4] waar de bestemming "Gemengd-1" aan is toegekend, de bestemming "Wonen" toegekend had moeten worden.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad bij het nemen van zijn besluit op deze punten in strijd heeft gehandeld met de eisen die de zorgvuldigheid daar aan stelt.

Het betoog van [appellant] en anderen slaagt in zoverre.

2.10. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft de plandelen voor de gronden waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" is toegekend, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en tevens niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.11. Hetgeen [appellant] en anderen overigens hebben aangevoerd behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.

2.12. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Den Haag van 9 juli 2009, nummer 92, voor zover dit betreft de plandelen waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" is toegekend;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] en anderen, in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat de raad van de gemeente den Haag aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bošnjaković

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010

410-655.