Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4821

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
201006641/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2010, kenmerk 8082A951, heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Vianen bij besluit van 19 februari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Golfbaan de Bolgerijsche, Vianen".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006641/2/R2.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoekers sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2. [verzoeker sub 2] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2010, kenmerk 8082A951, heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Vianen bij besluit van 19 februari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Golfbaan de Bolgerijsche, Vianen".

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2010, en [verzoeker sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2010, hebben [verzoekers sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2010, hebben [verzoeker sub 2] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 26 oktober 2010, waar [verzoekers sub 1], bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, werkzaam bij LTO Noord Advies, [verzoeker sub 2] en anderen, en het college, vertegenwoordigd door G.A. de Mello, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door J. Ariaans, werkzaam bij de gemeente, en bijgestaan door ing. R. Snijders, werkzaam bij Grontmij Nederland B.V. en de exploitatiemaatschappij De Bolgerijsche B.V., vertegenwoordigd door mr. F. Onrust, advocaat te Amsterdam, [directeur] en [aandeelhouder].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de aanleg van een 18-holes golfbaan, een 9-holes oefenbaan en een driving range en clubhuis in Vianen, alsmede in de inrichting van het plangebied met natuur en water, op ongeveer 70 hectare grond.

2.3. Ter zitting heeft de exploitatiemaatschappij De Bolgerijsche, uitvoerder van het plan, te kennen gegeven spoedig met de aanleg van de golfbaan te willen beginnen. Op korte termijn zal een aanvraag voor de benodigde omgevingsvergunning worden ingediend. Gelet hierop acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig.

2.3.1. Bij uitspraak van 18 november 2009, zaaknr. 200808109/1/R1, heeft de Afdeling het vorige goedkeuringsbesluit van het college vernietigd. Hiertoe heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"2.11.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de Merwedekade wat betreft verkeersintensiteit reeds in de huidige situatie overbelast is. Het argument van het college dat het waterschap, als wegbeheerder, geen bezwaren tegen het plan heeft geuit, acht de Afdeling niet overtuigend. Op het college rust immers de plicht om zich zelfstandig een mening te vormen over de gevolgen van het plan voor de verkeerssituatie ter plaatse van de Merwedekade. Ter zitting is gebleken dat de in het MER beschreven verbreding van de Merwedekade niet plaatsvindt op het deel van de Merwedekade dat dient ter ontsluiting van de golfbaan. Gezien de beperkte breedte van de Merwedekade is aannemelijk dat de in het MER beschreven verdere toename van de bestaande hoge verkeersintensiteit op de Merwedekade, die het plan tot gevolg heeft, ook zal leiden tot een verslechtering van de situatie op het gebied van de verkeersveiligheid. Dit geldt met name wanneer het verkeer van en naar de golfbaan en het overige verkeer over de Merwedekade elkaar op die weg moet passeren.

Gelet op het voorgaande heeft het college redelijkerwijs niet zonder onderzoek door een deskundige op het gebied van verkeer kunnen oordelen dat de ontsluiting van het plangebied, met name voor zover deze ontsluiting geschiedt via de Merwedekade, uit een oogpunt van zowel verkeersintensiteit als verkeersveiligheid voldoende is. Een rapport met de resultaten van zodanig onderzoek is evenwel niet voorhanden."

Het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen

2.4. [verzoeker sub 2] en anderen betogen dat de conclusies uit het ten behoeve van het tweede goedkeuringsbesluit door Grontmij Nederland B.V. verrichte onderzoek "Verkeersanalyse golfbaan De Bolgerijsche te Vianen" van 4 maart 2010 (hierna: het verkeersonderzoek) onjuist en onvolledig zijn. In dit verband voeren zij onder meer aan dat de Merwedekade, gelet op de breedte van deze weg, niet is berekend op extra verkeersbewegingen en dat een zeer verkeersonveilige situatie zal ontstaan. De aanleg van een extra passeerplaats en verbreding van het noordelijk deel van de Merwedekade zijn volgens [verzoeker sub 2] en anderen volstrekt onvoldoende om deze verkeersonveilige situatie te voorkomen.

2.4.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontbrekende verkeersonderzoek inmiddels heeft plaatsgevonden en dat gelet op de daarin gedane aanbevelingen een verkeersveilige ontsluiting van het plangebied kan worden gerealiseerd.

2.4.2. In het verkeersonderzoek wordt geconcludeerd dat door verbreding van het noordelijk deel van de Merwedekade en het aanbrengen van een passeerplaats langs het zuidelijk deel van deze weg een afdoende oplossing kan worden geboden om het extra verkeer van en naar de golfbaan te faciliteren.

2.4.3. Het plangebied zal worden ontsloten op de Merwedekade, die langs het Merwedekanaal loopt. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in voornoemde uitspraak van 18 november 2009 is niet in geschil dat de Merwedekade wat betreft verkeersintensiteit in de bestaande situatie reeds overbelast is. Volgens het verkeersonderzoek zal het plan op een gemiddelde werkdag ongeveer 375 extra verkeersbewegingen met zich brengen. Op weekenddagen zal het plan volgens het verkeersonderzoek ongeveer 658 extra verkeersbewegingen tot gevolg hebben. Voorts staat in het verkeersonderzoek vermeld dat volgens de aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (asvv) van 2004 van het CROW een erftoegangsweg bij een ontmoetingskans van twee personenauto's een minimale breedte van ongeveer 4,15 meter dient te hebben. Bij een ontmoetingskans van een personenauto en een vrachtauto dient een erftoegangsweg volgens de asvv een minimale breedte van 5 meter te hebben en bij een ontmoetingskans van twee vrachtauto's dient een dergelijke weg volgens de asvv 5,85 meter breed te zijn. Het noordelijke deel van de Merwedekade heeft volgens het verkeersonderzoek een asfaltrijloper van circa 3,80 meter met aanweerszijden 0,40 meter brede bermtegels, en het zuidelijke deel heeft een asfaltrijloper van 2,80-3,20 meter met eveneens aan weerszijden 0,40 meter brede bermtegels. De voorzitter is er, gelet op de toename van het aantal verkeersbewegingen en de breedte van de Merwedekade, op voorhand niet van overtuigd dat het verkeersonderzoek voldoende grond biedt voor de conclusie dat de ontsluiting van het plangebied uit het oogpunt van verkeersveiligheid niet tot onaanvaardbare situaties zal leiden. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de verbreding van de Merwedekade niet geschiedt op het gedeelte van deze weg dat ter ontsluiting van het plangebied zal dienen. Daarnaast acht de voorzitter van belang dat de afstand vanaf de voorziene ontsluiting tot aan het deel van de Merwedekade dat zal worden verbreed blijkens de plankaart ongeveer 400 meter bedraagt. Gelet hierop twijfelt de voorzitter of het aanbrengen van een passeerplaats in de nabijheid van de ontsluiting voldoende is.

Het verzoek van [verzoekers sub 1]

2.5. [verzoekers sub 1] richten zich tegen het verlies aan landbouwgrond en betogen daartoe dat het plan in strijd is met het op dit punt door de provincie gevoerde beleid. In dit verband wijzen zij erop dat op 24 december 2009 de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: de verordening) in werking is getreden. Om een golfterrein te kunnen realiseren in het plangebied dat is aangeduid als 'nieuwe en uitbreiding van bestaande golfterreinen niet toegestaan ontheffing' wordt in de verordening de extra voorwaarde gesteld dat het agrarisch grondgebruik ter plaatse niet doelmatig kan worden voortgezet. Volgens [verzoekers sub 1] wordt in het onderhavige geval niet aan deze voorwaarde voldaan.

2.5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het beleid uit het Streekplan 2005-2015 (hierna: het streekplan) beleidsneutraal is omgezet in de Structuurvisie 2005-2015 (hierna: de structuurvisie) en in de verordening. Nu de Afdeling in de uitspraak van 18 november 2009 reeds heeft geoordeeld dat het plan niet in strijd is met het provinciaal beleid zoals opgenomen in het streekplan, staan ook de structuurvisie en de verordening volgens het college niet aan de aanleg van de golfbaan in de weg.

2.5.2. De voorzitter neemt voorshands aan dat de verordening, die volgens de toelichting is gebaseerd op het streekplan, kan worden beschouwd als de neerslag van het provinciaal beleid met betrekking tot onder meer de aanleg van golfterreinen in het landelijk gebied.

Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in haar uitspraak van 18 november 2009 was volgens het streekplan nieuwvestiging van golfterreinen in beginsel niet toegestaan in gebied dat is aangeduid als Landelijk gebied 2. Onder bepaalde voorwaarden waren hierop evenwel uitzonderingen mogelijk. In het streekplan stond vermeld dat, als in Landelijk gebied 2 in de streekplanperiode vestiging of uitplaatsing van stedelijke randactiviteiten aan de orde was, de agrarische structuur zo min mogelijk mocht worden aangetast en voorzien moest worden in een landschappelijke inpassing. Ook moest de te realiseren voorziening volgens het streekplan passen bij het verzorgingsniveau van de desbetreffende kern.

Ingevolge artikel 6.1.2, eerste lid, van de verordening bevat een bestemmingsplan voor het gebied dat is aangeduid als 'nieuwe en uitbreiding van bestaande golfterreinen niet toegestaan [LG2]' geen bestemmingen en regels die nieuwe en uitbreiding van bestaande golfbanen toestaan. Ingevolge het vierde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, kan het college in afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel ontheffing verlenen voor het realiseren van een nieuw golfterrein indien onder meer aan de voorwaarde wordt voldaan dat het agrarisch gebruik niet doelmatig kan worden voortgezet.

De voorzitter is er voorshands niet van overtuigd dat voornoemde voorwaarde niet een aanvulling op het beleid behelst zoals dat in het streekplan was verwoord. Gelet hierop twijfelt de voorzitter aan het standpunt van het college dat het beleid uit het streekplan beleidsneutraal is omgezet. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting bestaat bij de voorzitter voorts twijfel of in het onderhavige geval aan deze voorwaarde zal kunnen worden voldaan.

Conclusie

2.6. Gelet op al het vorenstaande twijfelt de voorzitter voorshands of het bestreden besluit in de hoofdzaak in stand zal kunnen blijven.

2.7. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen de betrokken belangen ziet de voorzitter aanleiding het bestreden besluit te schorsen.

2.8. Het college dient ten aanzien van [verzoekers sub 1] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [verzoeker sub 2] en anderen is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 11 mei 2010, kenmerk 8082A951;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij [verzoekers sub 1] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 896,95 (zegge: achthonderdzesennegentig euro en vijfennegentig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

a. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [verzoekers sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [verzoeker sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Oudenaarden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

568-575.