Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4818

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
201005080/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2009 heeft het College de aan MEE Plus voor 2007 verleende subsidie vastgesteld op € 13.453.066,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005080/1/H2.

Datum uitspraak: 24 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting MEE Plus, gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht (hierna: MEE Plus),

appellante,

en

het College voor zorgverzekeringen (hierna: het College),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2009 heeft het College de aan MEE Plus voor 2007 verleende subsidie vastgesteld op € 13.453.066,00.

Bij besluit van 16 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft het College het door MEE Plus hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft MEE Plus bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2010, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 juni 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting van 20 oktober 2010 aan de orde gesteld.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.5.1, eerste lid, van de Regeling subsidies AWBZ (hierna: de Regeling) worden aan door het College op basis van door hem vast te stellen nadere regels inzake spreiding en behoefte aangewezen MEE-organisaties op aanvraag per kalenderjaar instellingssubsidies verleend voor laagdrempelige, onafhankelijke en betrouwbare cliëntondersteuning ten behoeve van hun cliënten, zijnde verzekerden met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap al dan niet veroorzaakt door een chronische ziekte of een beperking uit het autistisch spectrum, hun ouders, andere verwanten, verzorgers of vertegenwoordigers.

Ingevolge artikel 2.5.6, eerste lid, onder a, zoals de Regeling ten tijde van belang luidde, kan de MEE-organisatie, ten laste van de subsidie voor collectieve en individuele cliëntondersteuning een voorziening vormen voor kosten huisvesting.

Ingevolge het tweede lid is op deze voorzieningen, voor zover in de volgende leden niet anders is bepaald, artikel 374 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

Ingevolge het derde lid is toevoeging aan de voorziening, bedoeld in het eerste lid, onder a, slechts mogelijk, voor zover de huisvestingskosten lager zijn dan 12,8% van de voor collectieve en individuele cliëntondersteuning verleende subsidie.

Ingevolge het vierde lid wordt voor de toepassing van het vorige lid onder huisvestingskosten de kosten van huur, lease, hypothecaire leningen, erfpacht, energie en de afschrijving van gebouwen, inventaris, automatiseringsapparatuur en programmatuur verstaan, waarbij afschrijvingskosten in aanmerking worden genomen tot de volgende maximum percentages van de historische kosten:

a. gebouwen 2%;

b. verbouwingen 5%;

c. inventaris 10%;

d. automatiseringsapparatuur en programmatuur 20%.

Ingevolge artikel 1.10.1. geeft het College binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking tot vaststelling van de subsidie.

Ingevolge artikel 374, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt waardevermindering van een actief niet door vorming van een voorziening tot uitdrukking gebracht.

2.2. Het College heeft aan het besluit van 16 april 2010, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat de door MEE Plus gestelde waardevermindering van het pand Langesteijn, de posten 'onderhoud IT', 'onderhoud panden' en 'herhuisvesting' niet bij de subsidievaststelling kunnen worden betrokken.

De door MEE Plus tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden zijn gelijk aan die in het beroep tegen een eerder gelijkluidend besluit van 20 januari 2010, betreffende de subsidievaststelling voor 2006. Op dat beroep heeft de Afdeling uitspraak gedaan op 8 september 2010 in zaak nr. 201002066/1/H2.

2.3. Volgens die uitspraak heeft het College zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de duurzame waardevermindering van het pand Langesteijn geen voor subsidie in aanmerking komende huisvestingskosten zijn, omdat de Regeling beoogt subsidie te verlenen voor werkelijk gemaakte kosten en de waardevermindering niet als zodanig kan worden aangemerkt. Verder volgt uit artikel 2.5.6., tweede lid, van de Regeling dat het niet mogelijk is om ten laste van de subsidie een voorziening voor collectieve en individuele cliëntondersteuning te vormen voor de waardevermindering. Het betoog van MEE Plus met betrekking tot artikel 2.5.6., vierde lid, van de Regeling heeft de Afdeling niet gevolgd, omdat MEE Plus in de aanvraag geen 2% aan afschrijvingen van gebouwen heeft opgenomen. Betreffende de post 'onderhoud IT' heeft zij overwogen dat in het jaar waarop de subsidievaststelling ziet geen sprake was van historische kosten, als bedoeld in artikel 2.5.6., vierde lid, van de Regeling, omdat de afschrijvingskosten voor automatiseringsapparatuur en programmatuur in 2008 en 2009 zijn opgekomen. Voorts behoren 'verhuiskosten' niet tot de in artikel 2.5.6., eerste lid, van de Regeling uitputtend opgesomde kosten, zodat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat MEE Plus hiervoor geen voorziening kan vormen ten laste van de subsidie voor collectieve en individuele cliëntondersteuning, aldus die uitspraak.

Er is geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen.

2.4. Evenmin als in de zaak die geleid heeft tot de uitspraak van 8 september 2010 het geval was, slaagt het betoog van MEE Plus dat de overschrijding van de in artikel 1.10.1. van de Regeling gestelde beslistermijn tot een ander besluit moet leiden. Zolang de subsidie niet is vastgesteld, heeft de subsidieaanvrager er rekening mee te houden dat zij lager kan worden vastgesteld. Gevolgen van de omstandigheid dat het financieel beleid van MEE Plus in 2008 en 2009 onveranderd is voortgezet, heeft het College voor haar rekening mogen laten.

2.5. In de uitspraak van 8 september 2010 is overwogen dat het College tijdens de behandeling van de zaak ter zitting te kennen heeft gegeven dat 'onderhoud panden' als huisvestingskosten heeft kunnen worden aangemerkt, waarvoor ingevolge artikel 2.5.6., eerste lid, van de Regeling een voorziening ten laste van de subsidie voor collectieve en individuele cliëntondersteuning mag worden gevormd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dit voor 2007 anders is. Het betoog van MEE Plus dat het College deze post van € 39.141,00 bij de subsidievaststelling voor 2007 had moeten betrekken, slaagt derhalve. Het beroep is in zoverre gegrond. Het besluit van 16 april 2010 dient wegens strijd met die bepaling te worden vernietigd, voor zover deze post niet bij de subsidievaststelling in aanmerking is genomen. Het College dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.6. Het College dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het College voor zorgverzekeringen van 16 april 2010, kenmerk VZ/2010040565, doch slechts voor zover de post 'onderhoud panden' ten bedrage van € 39.141,00 daarbij niet bij de vaststelling van de subsidie in aanmerking is genomen;

III. draagt het College voor zorgverzekeringen op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen;

IV. veroordeelt het College voor zorgverzekeringen tot vergoeding van bij de stichting Stichting MEE Plus in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het College voor zorgverzekeringen aan de stichting Stichting MEE Plus het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010

47-615.